Voor en door intellectuelen?

Gaard Kets

Regelmatig worden de opiniepagina’s in de Nederlandse dagbladen gevuld met de roep om een nieuwe generatie intellectuelen. Zelfs dit tijdschrift is ooit begonnen met de ondertitel Tijdschrift voor jonge intellectuelen. Zeker binnen de academie, maar ook in de kranten wordt er nogal eens verzucht dat high culture aan het verdwijnen is als gevolg van de opkomst van enge nieuwigheden als infotainment, adolescentencultuur (wát?), oneliners en soundbites.

Vooral Frank Furedi’s Waar zijn de intellectuelen? heeft deze discussie nieuw leven ingeblazen.[1] De Britse socioloog stelt dat de publieke cultuur in het Westen de laatste jaren sterk infantiliseert. De oorzaak hiervan zou liggen in de manier waarop de politieke en culturele elite, de intellectuelen, omgaan met het publiek. Deze ietwat zwartgallige positie heeft geleid tot een debat dat ook in Nederland is doorgedrongen. Het AMC Magazine zag hierin een aanleiding om een essayreeks te initiëren waarin bekende, maar vooral wijze Nederlanders hun licht laten schijnen op de schijnbare verkleutering van het publieke debat. De zeventien essays zijn nu gebundeld verschenen in het door Simon Knepper en Johan Kortenray samengestelde boekje Niet te moeilijk graag.

De rol van de twee samenstellers lijkt vrij miniem te zijn geweest. Zij hebben een korte inleiding geschreven, waarin zij het onderwerp vluchtig uit de doeken doen. Helaas gaat het hier al vrij snel fout. Er worden in razend tempo stellingen geponeerd, waarvan niet duidelijk is of dit de mening is van de samenstellers, die van de auteurs die ze aanhalen of dat het hier feiten betreft. Een voorbeeld van zo’n uitspraak is: ‘De helden van onze tijd danken hun faam niet langer aan hun inzet voor de samenleving, wetenschap of cultuur. Als nieuwe lichtende voorbeelden gelden de celebrities’,[2] waaronder voetballers, filmsterren en soapies worden verstaan. Helaas wordt deze interessante stelling geenszins verdedigd of met argumenten onderbouwd. Doordat de inleiding dergelijke stellingnames kent, wordt al snel de verwachting gewekt dat het boekje een hoog ‘vroeger-was-alles-beter’ gehalte heeft. Gelukkig is dit maar ten dele het geval.

Inderdaad zijn er enkele auteurs die menen dat het toch wel vreselijk gesteld is met de Nederlandse samenleving. René Cuperus, welbekend columnist en sociaal-democraat, schrijft doodleuk: ‘Hoe de culturele burgeroorlog tussen “elite” en “volk”, tussen hoog- en laagopgeleiden  beschaafd in goede banen te leiden? Van het antwoord op deze vraag hangt de kwaliteit van ons toekomstig samenleven af.’[3] Dit lijkt me wat zwaarwichtig gesteld. Zo zijn er nog enkele auteurs die op dezelfde, helaas inmiddels welbekende wijze vertellen dat we de high culture aan het vernietigen zijn door een mengeling met de zogenaamde low culture.

Laat u echter door deze essays niet uit het veld slaan, deze bundel bevat wel degelijk interessante bijdragen. Ger Groot, hoogleraar Filosofie en Literatuur, schrijft in een doorwrocht essay dat bovenstaande pessimistische uitlatingen meer de idealisering van het verleden weergeven dan de gestelde donkere toekomst van het publieke debat. Hij geeft aan dat ook in de voorbije eeuwen de media een commerciële insteek hadden. Ook toen waren kwaliteitsartikelen de karige krenten in de pap. Ook toen stonden kranten vol met artikelen over dorpsgekken, leuke weetjes en wat we tegenwoordig infotainment noemen. In de salons ging het meer over roddels dan dat er werd gedebatteerd over Chopin, Shakespeare of St. Simon. Groot stelt dan ook: ‘Reden tot zorg hebben alleen degenen die denken dat het met het intellectuele debat alleen maar steeds beter zal gaan, omdat geschiedenis per se vooruitgang betekent. Voor het denken heeft dat nooit gegolden. Er wordt nu niet béter geredeneerd dan in de Middeleeuwen er wordt niet verstandiger gediscussieerd dan honderd jaar geleden. Hoogstens wordt er door méér mensen deelgenomen aan de discussie, en dat is in ieder geval toe te juichen.’[4]

De essays in het midden van het boek zijn even doorbijten. Ze zijn niet bijster interessant en bovendien vaak meer van hetzelfde. Doorzetten wordt beloond, want de laatste paar essays zijn de moeite van het doorlezen waard. Hans Achterhuis weet in een scherp filosofisch betoog te overtuigen met zijn stelling dat de ouderwetse intellectueel, de generalist die over elk onderwerp een mening zou moeten hebben, volstrekt achterhaald is. Hij stelt zich op achter Michel Foucault en Hannah Arendt, die vinden dat moderne intellectuelen ‘hun kritiek moeten richten op de terreinen en onderwerpen die ze onderzocht hebben’.[5]

Martin Sommer en Robbert Dijkgraaf geven beiden hun frisse kijk op de relatie tussen wetenschap en samenleving. Sommer valt het idee aan dat de huidige politiek overloopt van fact free politics. Meer dan ooit wordt er met feiten, rapporten en statistieken gesmeten. Het probleem is juist dat het ontbreekt aan visie. De politiek is er niet voor het blootleggen van de feiten, dat is het werk van de wetenschap. De politiek zou juist moeten sturen, aan de hand van feiten, maar ook aan de hand van ideologie en inzichten. Dijkgraaf gaat dieper in op de aard van de wetenschap en de rol van jonge wetenschappers hierin. Ook dit essay is het lezen meer dan waard.

Maar in deze goede essays zit ook precies de zwakte van dit boekje. Omdat de auteurs maar een zeer beperkt aantal pagina’s tot hun beschikking hebben (de essays zijn tussen de 8 en 9 pagina’s lang), komen juist de degelijke beschouwingen net niet uit de verf. Telkens wanneer een auteur tot de kern van zijn verhaal komt, wordt het verhaal alweer afgerond. Dit wekt de indruk dat de samenstellers een verkeerde keus hebben gemaakt door zoveel verschillende auteurs aan het woord te laten. Het was beter geweest als ze de helft van de auteurs hadden gevraagd en dubbel zo veel ruimte hadden gegeven om hun punt te maken. Zeker als in de inleiding wordt geklaagd over de snelle, hapklare brokken waarin de informatie ‘tegenwoordig’ wordt aangeboden.

 Gaard Kets (1987) is parlementair historicus en politiek filosoof.



[1] F. Furedi, Waar zijn de intellectuelen? (Amsterdam 2006).

[2] S. Knepper en J. Kortenray (red.), Niet te moeilijk graag. De verkleutering van het publieke debat (Amsterdam 2012), 8.

[3] R. Cuperus, ‘Elite en volk moeten beiden inschikken’, in: Knepper en Kortenray (red.), Niet te moeilijk graag, 31-39, aldaar 32.

[4] G. Groot, ‘Boegbeeld voor een geharnast geloof’, in: Knepper en Kortenray (red.), Niet te moeilijk graag, 22-30, aldaar 29.

[5] H. Achterhuis, ‘Dan maar geen echte intellectueel’, in: Knepper en Kortenray (red.), Niet te moeilijk graag, 91-98, aldaar 96.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>