‘Try again. Fail again. Fail better.’

Jordy Geerlings

Eén van de centrale kenmerken van onze tijd is het wantrouwen onder politici en intellectuelen voor elke vorm van utopisch denken. Of het nu gaat om de democratische idealen van de Verlichting of de revolutionaire ideologie van het Marxisme, de neiging is sterk om de status quo van het globale kapitalisme te accepteren, en slechts mondjesmaat verbeteringen door te voeren. Elk plan dat grotere ambities heeft, moet in de praktijk namelijk wel falen, waarschijnlijk met een herhaling van alle horreurs van de twintigste eeuw als gevolg. De geschiedenis staat vol van aanvankelijk welwillende pogingen om de menselijke conditie te verbeteren, maar al snel eindigden in rampzalig falen, politieke onderdrukking en terreur. De lijst van denkers die een dergelijke mening zijn toegedaan, is groot. Geïnspireerd door Karl Popper, Max Horkheimer en Theodor Adorno waarschuwen naast vele historici ook filosofen zoals John Gray, Jean-François Lyotard voor de gevaren van plannen voor radicale verandering. Ook in Nederland is deze attitude sterk aanwezig, bijvoorbeeld in de werken van Paul Cliteur, Andreas Kinneging, en Ton Lemaire.

In een dergelijk intellectueel klimaat vormt de Sloveense cultuurfilosoof Slavoj Žižek een verbazingwekkende uitzondering. Terwijl andere linkse denkers zich omzichtig in middenposities vestigen, omarmt hij met een diep gevoel van urgentie de noodzaak tot radicale verandering in zijn boek In Defense of Lost Causes. Wars van een verstikkende politieke correctheid benadrukt Žižek dat we ondanks alles opnieuw moeten proberen via politieke actie het lot van de mensheid te verbeteren. De onvoorspelbaarheid van politiek handelen en de geringe slagingskans van dergelijke initiatieven zijn voor hem geen excuus voor passiviteit. De centrale gedachte van zijn boek ontleent hij dan ook aan Thomas Beckett: ‘Try again. Fail again. Fail better.’

Tot zo ver is de boodschap duidelijk. Toch zal In Defense of Lost Causes door de essayistische vorm en uitgebreid gebruik van jargon uit de filosofie en de psycho-analyse echter voor menig lezer slechts moeizaam een duidelijke intellectuele agenda prijs geven. Žižek haalt zijn inspiratie voornamelijk uit het werk van de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel en de Franse psychoanalyst Jacques Lacan, terwijl hij tevens schatplichtig is aan Karl Marx en het ‘cultureel materialisme’ dat nog steeds paradigmatisch is voor de cultuurstudies/algemene cultuurwetenschappen. Aan deze achtergrond ontleent Žižek een losse methode van ideologiekritiek die hij toepast in lange, ietwat chaotische hoofdstukken die steeds een zelfstandig essay vormen.

In deze hoofdstukken zoekt Žižek binnen een breed scala aan cultuuruitingen – waaronder filmkritieken, controversiële onderwerpen uit de actualiteit en filosofische werken – naar de mechanismen waarmee de mens de mogelijkheid tot radicaal revolutionair denken en handelen buiten spel zet. Zo is er de ‘family myth of ideology’, oftewel de neiging van vooral filmmakers om economisch-sociale conflicten, grootschalige rampen en allerlei andere grote gebeurtenissen parallel te laten lopen aan de verhoudingen tussen de hoofdpersonen, die het ware onderwerp van het verhaal verbergen. Žižek analyseert Mary Shelley’s roman Frankenstein (1818) bijvoorbeeld als een verhaal over de (uit Frankrijk afkomstige) revolutionaire terreur en de groeiende, soms desastreuze impact van wetenschap op het leven.[1] Ondertussen laten de ontwikkelingen tussen de hoofdpersonen een tweestrijd zien tussen de wil bevrijd te worden uit een verstikkende, repressieve familiesituatie en de vrees voor de onvermijdelijk moorddadige consequenties die een dergelijke bevrijding heeft. Volgens Žižek probeert Shelley via het familieverhaal haar sterk ambigue houding ten opzichte van de Franse Revolutie te neutraliseren.[2]

‘Ideologie’ is volgens Žižek niet te reduceren tot de doctrinaire kenmerken van bepaalde bewegingen, maar veel beter te typeren als een serie intellectuele operaties waarin we zoals Shelley met mentale gymnastiek een andere werkelijkheid proberen te creëren, een werkelijkheid die ons ontslaat van de verschrikkelijke mogelijkheid zelf te handelen. De intellectuele operaties van ideologie, die qua functie vergelijkbaar zijn met Sartre’s mauvaise foi, manifesteren zich in Žižeks cultuurkritiek ook op vele andere manieren, waaronder de kritiek op de vergissingen van utopistische intellectuelen. In een erg gewaagd hoofdstuk getiteld  ‘Radical intellectuals, or why Heidegger took the right step (albeit in the wrong direction) in 1933′  behandelt hij het besluit van Martin Heidegger om zich bij de nazisme aan te sluiten als een welwillende vergissing. Dit besluit, dat geldt als een van de grootste schandalen in de westerse filosofie, was namelijk gemotiveerd door zijn geloof in het ‘historische potentieel’ van het fascisme als kracht die de decadente burgerlijke orde omver zou werpen. Het probleem was echter dat Hitler niet radicaal genoeg was, en dat het fascisme vanwege haar onvermogen de burgerlijke orde te vernietigen overging tot geweld, als een impotente passage a l’acte.

Een auteur die een dergelijke analyse van Heidegger voltrekt en bovendien geen boodschap heeft aan argumenten tegen revolutionaire terreur zal de lezer ongetwijfeld alarmeren, maar dat zou onterecht zijn. Žižek is ondanks zijn afwijkende visie op Hitler geen voorstander van fascisme, en probeert deze beweging ook niet te rechtvaardigen. Žižek streeft er juist naar om de ‘utopische opening’ in politieke bewegingen te detecteren, oftewel de vinger te leggen op de momenten waarop de bestaande orde volledig buiten spel staat en er een open mogelijkheid is voor radicale vernieuwing. Het centrale probleem van het fascisme was dat het nooit ‘open’ was in die zin: het was geen ‘Event.’ Bovendien pakt Žižek even verderop in zijn boek het antisemitisme aan als een ideologie met een zogenaamde ‘gebrekkige betekenaar,’ een lege ruimte waarin een bepaalde ideologische orde de walging over het eigen falen en de eigen hypocrisie projecteert.

The antisemitic figure of the Jew takes from great capitalists their wealth and social control, from the hedonists sexual debauchery, from commercialized popular culture and the yellow press their vulgarity, from the lower classes their flight and bad smell, from intellectuals their corrupted sophistry and from Jews their name.[3]

Žižek is dus geenszins te associëren met het fascisme, maar hij blijft niettemin in hoge mate controversieel. Niet alleen strijdt hij op verhitte wijze tegen Yannis Stavrakakis en anderen om de erfenis van de psycho-analyse, ook wordt hij beschuldigd van medeplichtigheid bij de opdeling van Joegoslavië en van een opportunistische houding ten opzichte van het socialisme. Wat echter waardevol blijft in Žižek’s werk is het bewustzijn van de urgente noodzaak avontuurlijk te denken en politiek te handelen.

| Slavoj Žižek, In Defense of Lost Causes (Londen, Verso 2008). Paperback €20,99, ISBN 9781844674299.

Jordy Geerlings (1988) volgde de onderzoeksmaster Historische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en was als student-assistent werkzaam bij het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht. Op dit moment is hij docent Historische Praktijk aan de Radboud Universiteit Nijmegen.


[1] Slavoj Žižek, In Defense of Lost Causes  (London 2008) 74.

[2] Žižek, In Defense of Lost Causes, 76.

[3]  Žižek, In Defense of Lost Causes, 318.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>