Stilte na de waarheid

Roy Groen

Anders dan de grote blokletters prijkend op de omslag doen vermoeden, is Le Courage de la vérité, voor het eerst verschenen in Frankrijk in 2009 en recentelijk in Nederlandse vertaling bij uitgeverij Boom, geen boek dat geschreven is door Michel Foucault. ‘Qu’importe qui parle’ (‘Wat maakt het uit wie er spreekt’) zijn de astrante woorden waarmee Foucault in februari 1969 zijn toedracht Qu’est-ce qu’un auteur? voor de Société française de philosophie opent. Deze retorische vraag, die Foucault op zijn beurt ontleende aan Samuel Beckett, zou in Franse literatuurkritiek van de komende generaties nog vaak herhaald worden. Dat het antwoord op deze vraag misschien wel eens ‘heel veel eigenlijk’ zou kunnen zijn, moet op dat moment niemand van de aanwezigen hebben gedacht. Voor hen die beginnen te lezen aan Le Courage de la vérité, echter, blijkt al snel dat dit antwoord helemaal niet zo vergezocht is.

Le Courage de la vérité, 25 jaar na de dood van Foucault verschenen, is, laat ik het nog eens herhalen, niet door Foucault geschreven. Dat wat in boekvorm door een groepje onderzoekers wordt gepresenteerd onder deze noemer, is de transcriptie – en een geenszins letterlijke transcriptie – van een geluidsopname van de laatste collegereeks die Foucault gaf aan het Collège de France in 1984, het jaar van zijn dood. De lezer die bij aanschaf van dit boek rekent op een tekst die zich stilistisch kan meten met de Les Mots et les choses of Histoire de la folie, zal dan ook bedrogen uitkomen. Foucault begon zijn aanstelling bij het prestigieuze Collège de France in januari 1971. We weten dat, ondanks de eer en de glorie die normalerwijs met een dergelijke aanstelling verbonden is, Foucault verre van gelukkig was in zijn rol als een van de grands prêtres de l’université française. De statuten van het Collège de France, een unieke universitaire onderwijsinstelling in Parijs, verplichten dat de hoorcolleges die er gegeven worden vrij toegankelijk zijn voor iedereen. In Foucaults geval betekende dit, dat zijn colleges al vrij snel werden bijgewoond door vele honderden studenten, een groot deel daarvan – bij gebrek aan ruimte – geplaatst in een extra collegezaal die in audio verbinding stond met de zaal waar Foucault college gaf. In een interview met een verslaggever van Nouvel Observateur in 1975 zegt Foucault, eenzaam te midden van de menigte, over zijn optredens bij het Collège de France dan ook:  ‘J’ai un rapport d’acteur ou d’acrobate avec les gens qui sont là. Et lorsque j’ai fini de parler, une sensation de solitude totale.’[1]

Dit gevoel van ‘volledige eenzaamheid’ lijkt vreemd genoeg afwezig wanneer Foucault op 1 februari 1984, al lachend en grappend over het ruimtegebrek zijn collegereeks over Le Courage de la vérité begint. Hij legt uit dat zijn collegereeks van dit jaar moet worden beschouwd als een continuering van de reeks van het jaar daarvoor, Le gouvernement de soi et des autres. Het te bestuderen concept, net als vorig jaar, is dat van de parrêsia – door Foucault vertaald, soms als ‘le dire-vrai’, soms als ‘le franc-parler.’ Vanaf dit moment is het over met de grappen en het gelach, en zal er gefilosofeerd worden. Al snel blijkt dat Foucault hier niet de intentie heeft voor een ‘algemeen publiek’ te spreken; zijn discours wordt technisch, steeds technischer, en de lezer (of toehoorder) zal snel doorhebben dat hij hier te maken heeft met de hoorcolleges van een ervaren filosoof, voor ervaren filosofen.

De parrèsiaste (zij die de kunst van de parrêsia verstaat), is meer dan iemand die slechts ‘juiste’ beweringen doet. De parrêsia (le dire-vrai) impliceert namelijk een bepaalde vorm van moed die niet aanwezig is bij hen die slechts ‘een waarheid verkondigen.’ Wat de parrèsiaste namelijk onderscheidt van andere sprekers van de waarheid is dat zij in haar spreken niet slechts een waarheid aan de Ander ter beoordeling geeft, maar tegelijkertijd ook zichzelf volledig blootstelt aan het oordeel van de Ander. Dat wil zeggen: niet alleen haar proposities zijn kwetsbaar voor (mogelijke) kritiek van de Ander, ook zijzelf is dat. Dit maakt dat in de act van de parrêsia een risico geïmpliceerd is, een risico dat uitgedrukt is als de mogelijkheid van een onherstelbare breuk tussen de persoon die spreekt en de persoon die luistert. De spreker is geïmpliceerd in de inhoud van dat wat zij zegt. In zodanige mate zelfs, dat het gehele zijn, het leven van de spreker op het spel kan komen te staan – en dat verreist een zekere vorm van moed: le courage de la vérité, de moed tot waarheid.

De parrèsiaste onderscheidt zich daarom van de leraar (l’enseignant), de profeet (le prophète), of de wijze (le sage): de leraar spreekt bij monde van de traditie, de profeet spreekt bij monde van een hoger zijnde en de wijze spreekt uiteindelijk niet meer. De parrèsiaste spreekt oprecht vanuit haarzelf en kan, wanneer in gevaar gebracht door haar waarheid, niet terugvallen op de traditie, het woord van een hogere entiteit of een zwijgen.

Wat volgt is een beschrijving van de historische ontwikkeling van de parrêsia, van een democratische parrêsia – gerepresenteerd door Solon en Perikles –  tot een ethische parrêsia, waarvan Socrates en Diogenes Laertius de grote voorbeelden zijn. Foucaults analyse van Solon en Perikles is interessant, maar bij lange na niet zo vernieuwend als de analyses van Socrates en Diogenes, de twee grote kampioenen van de ethische parrêsia. Veel meer dan in het geval van Solon en Perikles, lijkt Foucault bezeten te zijn van een oprechte fascinatie voor Diogenes en Socrates. Zijn analyses van beide denkers als parrèsiasten zijn origineel en levendig, en beogen de geaccepteerde geschiedenis van hun levens radicaal te herzien. Zo beoogt Foucault in zijn colleges over Socrates de geaccepteerde interpretatie van diens laatste woorden (de vraag aan Krito of hij ‘een haan wil offeren aan Asklepios’) te herzien. Daar waar men deze laatste woorden voorheen las als een vorm van dankbaarheid voor de dood bij Socrates, die zijn imminente dood als bevrijding van het leven zou hebben gezien, probeert Foucault te betogen dat in werkelijkheid Socrates’ laatste woorden veeleer een dankbetuiging gericht aan de filosofie zijn, en dat de verlossing waar hij naar uitziet niet een verlossing van het leven, maar een verlossing van de doxa is. In deze laatste ultieme geste, de opoffering van het zelf ten behoeve van de waarheid, toont Socrates zich een ware parrèsiaste.

Diogenes van Laertius is een doorgeslagen Socrates. De socratische parrêsia is in het geval van Diogenes doorgeslagen naar een vlerkerige, cynische vorm van parrêsia. Daar waar Socrates de heersende vormen van doxa binnen zijn maatschappij bevroeg door zich in te nestelen in het discours van de doxa en haar al vragend van binnenuit op te blazen, plaatst Diogenes zich tegenover de maatschappij en bekritiseert hij haar van een radicale buitenpositie. De cynicus is geen nare betweter, maar een vlerk die choqueert. Socrates stelt vragen, Diogenes masturbeert op het marktplein. De latere vertegenwoordigers van Socrates zijn de filosofen, die van Diogenes de moderne kunstenaars.

Veel, veel meer kan gezegd worden over deze collegereeks, die, voor wie zich niet laat afschrikken door de hoge dichtheid aan Grieks jargon en de karakteristieke mate van abstractie die Foucaults denken meer dan eens bereikt, ook verrassend veel concreet denkplezier oplevert. Wanneer men in de verleiding is deze collegereeks in boekvorm aan te schaffen is mijn advies echter negatief. Het grote, en naar mijn mening onoverkomelijke, minpunt van de huidige editie is namelijk de tussenkomst van Frédéric Gross en zijn ensemble van redacteuren: door structureel Foucaults meanderende zinnen te herschrijven is een groot deel van Foucaults bevlogenheid, die wordt overgebracht wanneer men luistert naar de audio opnames,[2] verloren gegaan.

Wie deze collegereeks leest en vertrouwend op de naam die op de voorkant staat, rekent op ‘een boek van Foucault’ stevent af op een teleurstelling. Dit is geen boek van Foucault en de toevoeging van zijn naam op het titelblad brengt daar geen verandering in. Enkel zij die deze collegereeks zullen beluisteren, zullen de essentie van Foucaults laatste woorden begrijpen: ‘Voilà, écoutez, j’avais des choses à vous dire sur le cadre général de ces analyses. Mais enfin, il est trop tard. Alors, [voilà], merci.’[3]

Terwijl het bandje afloopt en het applaus van de vertrekkende studenten plotseling onderbroken wordt door een waas van ijzig mechanisch geluid, beseffen we opeens wat Foucault bedoelde toen hij sprak over ‘volledige eenzaamheid.’ Stilte na de waarheid. w

| Michel Foucault, De moed tot waarheid (Amsterdam Boom Uitgeverij, 2011). Paperback € 29,90. ISBN 9789461050250.

 Roy Groen (1987) is promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen.



[1] Vertaling: ‘Ik verhoud me tot de mensen in de zaal als een acteur, of een acrobaat. En wanneer ik klaar ben met spreken, bevangt mij een gevoel van complete eenzaamheid.’

[2] Vrij toegankelijk in het digitale archief van het IMEC, beschikbaar via: http://michel-foucault-archives.org/?Cours-au-college-de-France-1984-Le (geraadpleegd op 20 februari 2012).

[3] Vertaling: ‘Voilà, luister, ik had nog dingen te zeggen over het algemene kader waarin deze analyses geplaatst dienen te worden. Maar enfin, het is te laat. Dus, voilà, dankuwel.” Eén van de veelzeggende blunders van de redacteuren is dat zij de tweede “voilà’ – zo beladen met betekenis in dit geval, weglaten, zie M. Foucault, Le Courage de la vérité (Parijs 2009) 309.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>