Nihilisme: een definitie van ontwrichting

Ruud van den Beuken

In matige gezondheid, maar onder het achteraf bezien zo verleidelijke gesternte van mijn jeugd, mocht ik mij als zeventienjarige aspirant-anglist laven aan het alfawetenschappelijke doopvont dat, belichaamd en begeesterd door een schier oneindige reeks gastdocenten, als de verplichte ‘Cultuurhistorische canon’ door het facultaire leven ging. Dit studium generale blijkt inmiddels uit het curriculum geschrapt te zijn: de huidige generatie Letterenstudenten ontloopt daarmee haar filosofische ontgroening en hoeft voorts haar melktanden niet al tijdens de tweede of derde collegeweek te breken op het voorwoord en de eerste paragrafen van Jenseits von Gut und Böse (1886). Dat gebrek aan zuivere tucht is waarschijnlijk voor velen een welkom pardon, doch voor een enkeling – een jonge boogschutter, bijvoorbeeld – vrij spijtig. Nietzsche zou hem of haar namelijk kunnen influisteren dat ‘wir guten Europäer und freien, sehr freien Geister’[1] nog altijd over ‘die ganze Noth des Geistes und die ganze Spannung seines Bogens’[2] beschikken; hij of zij zou die opwinding willen beleven en daar misschien zelfs richting aan kunnen geven. Met Het Europese nihilisme: Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (2012) biedt Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek en zeer recentelijk ontvanger van de Socratesbeker, in dezen een welkome handreiking die bovenal recht doet aan Nietzsches beeldspraak: Van Tongeren laat zien hoe ver de pijl van het nihilisme een kleine honderddertig jaar later al dan niet reikt om daarmee onze ogenschijnlijk weinig catastrofale beleving van Nietzsches gedachtegoed te verklaren.

Alvorens doel te kunnen treffen dient de boog natuurlijk stapsgewijs te worden gespannen. Van Tongeren bouwt zijn betoog dan ook zorgvuldig op door allereerst de iconoclast zelf aan het woord te laten: de twintig bladzijden die op de inleiding volgen beslaan een reeks relevante primaire teksten, waarbij vooral de prominentie van Nietzsches nalatenschap in het oog springt. Van Tongeren schetst aansluitend een algemene ontstaansgeschiedenis van het nihlismebegrip in de Europese filosofie en zet deze contextualisering vervolgens in om een loepzuivere, welhaast scholastieke ontleding van Nietzsches gebruik van verschillende in elkaar grijpende en gedeeltelijk overlappende termen als pessimisme en decadentie (inclusief bijbehorende kwalificaties als actief versus passief nihilisme) uit te voeren. De nauwgezette definities die Van Tongeren uiteindelijk in een kruistabel weet te vatten getuigen van een bewonderenswaardig, zo niet verdacht overtuigend staaltje close reading: is Nietzsche, de zelfbenoemde anti-systematicus par excellence, dan toch voor één filologisch gat te vangen? Zoals Van Tongeren echter aan de hand van verschillende nagelaten opzetten aantoont, kan een dergelijke poging tot terminologische transparantie afdoende rechtvaardiging ontlenen aan de wetenschap dat Nietzsche zelf herhaaldelijke pogingen ondernam om enige structuur in zijn begrippenkader aan te brengen. De kruistabel waarin vereeuwiging en vernietiging enerzijds en overvloed en armoede anderzijds tegen elkaar worden afgezet geldt dus als een geoorloofde abstractie – en dat biedt, wat mij betreft, de mogelijkheid tot amusante gedachte-experimenten. Van Tongeren gebruikt begrijpelijkerwijs Nietzsches eigen voorbeelden ter illustratie van de verschillende kwadranten, maar het zou mijns inziens ook denkbaar zijn om – bijvoorbeeld – Ezra Pound, Gerard Reve, Jacques Derrida en Kurt Cobain alle vier als nihilisten van deze compleet tegengestelde orden te karakteriseren. (Ik twijfel evenwel nog over de plek van John Ewbank: in hoeverre bedrijft hij ‘grote politiek’ dan wel ‘platonisme voor het volk’?)

Van Tongerens slothoofdstuk wordt voorafgegaan door een beschouwing op de receptiegeschiedenis van Nietzsches problematisering van het nihilistische vraagstuk. Hoewel deze uiteenzetting absoluut niet minder interessant is dan Van Tongerens eerdere besprekingen, bekruipt mij – Nietzsches waarschuwing over het staren in afgronden indachtig – hier toch een zekere academische hoogtevrees: de waarde lezer van deze recensie wordt, indien ik over dit hoofdstuk zou uitweiden, geconfronteerd met mijn lekenoordeel over Paul van Tongerens samenvatting van Wolfgang Müller-Lauters kritiek op Martin Heideggers interpretatie van Friedrich Nietzsches denken. De lagen stapelen zich op. Een plotselinge onderbreking van het leesproces brengt al snel een Inception-effect teweeg: ik schrik wakker uit de reeks denkkaders die ik me beangstigend gemakkelijk heb aangemeten. Wie leest wie?

Van Tongeren weet op elk niveau een dergelijke strakke opbouw te bewerkstelligen en juist daardoor kan hij de pijl in het laatste hoofdstuk succesvol – want gespleten, meervoudig – afschieten en vermijdt hij de gemakzuchtige conclusies waar de meeste aanwendingen van Nietzscheaans gedachtegoed in zwelgen. Hoewel Van Tongeren in een eerder hoofdstuk suggereert dat wij ‘nog steeds slechts aan de vooravond staan van de gebeurtenis die Nietzsche meende te voorzien’,[3]  oppert hij uiteindelijk de mogelijkheid dat wij reeds jenseits von die fataliteit leven en komt hij tot de ‘paradoxale conclusie dat wie het nihilisme nog als een bedreiging ziet, zelf nog niet diep genoeg in het nihilisme verzeild is geraakt, en dat wie het wel radicaal realiseert, het niet meer als een dreiging kan waarnemen: wie werkelijk nihilist is, is het nihilisme voorbij.’[4] De goede verstaander is evenwel een verscheurd wezen, want de werkelijke ‘tragedie bestaat erin dat de denker het strijdperk wordt waarop de “waarheidsdrift” het gevecht aangaat met haar eigen vooronderstelling, namelijk het leven en de leugens of illusies die dat leven nodig heeft’.[5] Van Tongeren vervolmaakt het daaruit voortvloeiende experiment in de dubbeltitel waarmee hij afsluit: zijn zelfreflexieve ‘Epiloog: voorwoord’ kan nooit meer zijn dan een aanzet, een voorschot op onbepaaldheid.

Voor Van Tongeren is de vraag die Nietzsche zichzelf in Die fröhliche Wissenschaft (1882/1887) stelt – ‘[i]n hoeverre kun je de waarheid incorporeren?’–[6] onontkoombaar; men zou, door bovenal het lijfelijke en kwetsbare van die poging te erkennen, zich dan ook af kunnen vragen in hoeverre een mens zichzelf bewust kan ontwrichten. De Nietzscheaanse vivisectie die Van Tongeren bespreekt impliceert nog een zekere cynische empirie,[7] maar het onderliggende zelfontwrichtingsbegrip – het letterlijke schrijnen, het mechanisch-biologische besef dat je geestelijke ledematen uit de kom zijn getrokken – moet elke vorm van teleologische verantwoording schuldig blijven. Welnu, een echte nihilist haalt daar de schouders voor op.

| P. van Tongeren, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (Nijmegen Uitgeverij Vantilt, 2012). Paperback € 19,95. ISBN 9789460040986.

Ruud van den Beuken (1988) is sinds februari 2012 als promovendus aan de afdeling Engelse Taal & Cultuur van de Radboud Universiteit verbonden, alwaar hij avant-gardistisch toneelwerk uit de Ierse jaren 1930 onder de loep legt. Naast zijn academische werkzaamheden is Ruud van den Beuken als dichter actief.


[1] F. Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse (1886), in: Idem, Kritische Gesamtausgabe VI.2 (G. Colli en M. Montinar ed.) (Berlijn 1968) 5.

[2] Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse, 5.

[3] P. van Tongeren, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (Nijmegen 2012) 136.

[4] Van Tongeren, Het Europese nihilisme, 190.

[5] Ibidem, 198.

[6] F. Nietzsche in: Van Tongeren, Het Europese nihilisme, 198.

[7] Van Tongeren, Het Europese nihilisme, 184.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>