Kleinburgerlijkheid in de DDR

Martijn van den Boom

Ostalgie is niet meer weg te denken uit de Duitse cultuur. De heimwee naar de Deutsche Demokratische Republik (DDR) schreeuwt je toe op elke straathoek in Berlijn. Naast de gebruikelijke ‘I ♥ Berlin’-shirts vliegen de  retro voetbalshirts met het logo van de voormalige socialistische heilstaat je om de oren, de met toeristen volgepropte Trabantjes vervuilen nog steeds de stad en het zogenaamde Ampelmänchen kleurt tegenwoordig ook vele Westerse verkeerlichten. Gelukkig herinneren films als Das Leben der Anderen of Goodbye Lenin! ook aan de onderdrukking van het volk door het regime. De DDR leeft als onderdeel van de woelige Duitse geschiedenis onvermijdelijk voort in de gedachten van mensen. Zo ook bij de Russisch-Duitse theatermaker en auteur Eugen Ruge. In zijn debuut In Zeiten des abnehmenden Lichts (2011) verhaalt hij over een Großfamilie verbonden aan het communisme en de DDR. De levens van vier generaties binnen een oerdegelijke Oost-Duitse familie staan centraal. De achterflap van de Nederlandse vertaling – met de één-op-één vertaalde titel In tijden van afnemend licht (2012) – belooft een tocht ‘van Mexico en Siberië naar Oost-Berlijn, langs de pieken en dalen van de Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw.’ Met een dergelijke pakkende beschrijving en het feit dat het boek in 2011 bekroond is met de Deutscher Buchpreis kan er weinig fout gaan, toch?

In wezen zijn er drie verhaallijnen te onderscheiden in het boek. De eerste begint in 2001, rond de aanslagen van 11 september leren we later in het verhaal. Alexander Umnitzer – een personage dat sterke overeenkomsten vertoond met de auteur – bezoekt zijn demente vader Kurt, een voormalig historicus uit de DDR. Geconfronteerd met de sterfelijkheid van zijn vader en, wanneer hij te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft, met die van zichzelf, vertrekt hij naar Mexico. In dit land ordent hij zijn gedachten over zijn verleden, zichzelf en zijn familie. Onbewust doet hij dit daarbij ook over de gebeurtenissen in Duitsland in de afgelopen eeuw.

De tweede verhaallijn begint in het Mexico van 1952. Hier ontmoet de lezer Charlotte en Wilhelm Powileit, twee communisten die uit Duitsland zijn gevlucht in de jaren 1930 en die op het punt staan terug te keren naar de DDR. Charlotte is de moeder van Kurt, die in 1952 in de Sovjet-Unie verkeert als balling, en Wilhelm is haar nieuwe man. Eenmaal wedergekeerd in Duitsland vervullen beiden een rol binnen het communistische bestuur. Wilhelm doet zich voor als een groot communist die aan het begin van de eeuw nog met Karl Liebknecht in het verzet zat, maar in werkelijkheid heeft hij een onbeduidend baantje. Charlotte wordt bestuurder van een academie en vervult hier maatschappelijk een belangrijkere functie dan haar man, wat tot spanningen leidt binnen de relatie. Aan de hand van meerdere hoofdstukken worden de verhoudingen met zoon Kurt en zijn latere Russische vrouw Irina Petrovna uitgediept. Uiteraard zijn de onderhuidse spanningen tussen schoonmoeder en schoondochter aanwezig, onder andere over de opvoeding van (klein)zoon Alexander. Naar mate de tijd vordert, focust het verhaal zich ook meer en meer op het gezin van Kurt en Irina, waar de levenswandel van Alexander steeds meer tegenover die van zijn ouders komt te staan. Zoals gezegd functioneert Kurt als historicus ook in lijn van de partij en Irina weet als Russische immigrante haar weg in Duitsland maar lastig te vinden. Alexander ontplooit zich in de puberteit, woont in kraakpanden, laat zijn vrouw met kind in de steek en maakt in 1989, vlak voor de val van de Berlijnse Muur, de stap naar het Westen.

Een derde verhaallijn voltrekt zich op de negentigste verjaardag van Wilhelm, 1 oktober 1989. De lezer volgt in meerdere hoofdstukken dezelfde gang van zaken telkens vanuit een ander personage. Deze techniek wordt overigens in elk hoofdstuk gebruikt, maar komt in deze verhaallijn het beste tot zijn recht, omdat hier dezelfde gebeurtenissen met andere accentverschillen worden beschreven. We zien een saaie zondagmiddagverjaardag van een uitgebluste kennissenkring, met Oost-Duitse details als een zoveelste medaille-uitreiking aan een ‘oude kameraad’, via de ogen van bijvoorbeeld de neurotische huisvrouw Charlotte, de gefrustreerde Kurt met zijn opgekropte gevoelens over zijn gevluchte zoon, de verwachttingsvolle Markus die hoopt zijn vader Alexander tegen het lijf te lopen en de humoristische gedachtegang van Kurts Russische schoonmoeder Nadjezjda Ivanovna. Hilarische mistvattingen en gedachtes maken deze verhaallijn tot de meest vermakelijke van de drie, mede doordat veel hoofdpersonages de situatie niet meer goed meekrijgen en daardoor in hun eigen gedachten blijven hangen.

Het uitwerken van de drie verhaallijnen moet lastig geweest zijn voor de auteur, zeker in slechts 349 bladzijden. Dit zorgt er mijns inziens ook voor dat het boek niet helemaal uit de verf komt. De drie verhaallijnen hadden met gemak een eigen boek kunnen vullen en dan was er ook meer ruimte geweest om extra aandacht te geven aan de karakterontwikkeling van sommige personages. In principe draait het boek om Alexander, maar zijn verleden wordt ondergesneeuwd door de gebeurtenissen in het leven van de andere personages die zelf eendimensionaal blijven en geen ontwikkeling doormaken. Hierdoor blijft het boek een schets of – erger nog – een samenvatting van het leven van de familie. Met name de grote tijdssprongen in de tweede verhaallijn zorgen ervoor dat de lezer op slechts kleine flarden meekrijgt. De flarden zijn momentopnamen die het grote geheel slechts minimaal beschrijven. Met geen mogelijkheid is het de bildungs-roman die op de achterflap wordt beloofd.

De kracht van het boek zit in de vermenselijking van de Oost-Duitser. Met ietwat andere details had het boek zich ook in een West-Duitsland of in een ander West-Europees land kunnen afspelen. Slechts zeer minimaal komen de maatschappelijke problemen uit de DDR, zoals de vrijheidsbeknotting en het repressieve regime, naar voren. De nadruk ligt sterk op de kleinburgelijke problemen waarmee de gezinnen zich bezig houden: spanningen in de relatie tussen man en vrouw; generatiekloven; en jezelf verliezen in een vreemde omgeving. Deze problemen hebben zich ook afgespeeld in andere landen. Het boek laat zien dat de Oost-Duitsers evenals degenen ten Westen van het IJzeren Gordijn gewoon mensen waren. Geenszins moeten zij gekenmerkt worden als een curieus volkje in hun Trabantjes die stopten voor verkeerslichten met grappige mannetjes of door onderdrukking en moord om het minste of geringste. Ruge stelt in een interview:

Bij ons was er geen goelag, geen moordpartijen, ook al was er onderdrukking. Ondanks de dictatuur die ons onder de knoet hield […], ondanks die harde omstandigheden dus waren we ook maar mensen, net zoals jij en ik dat zijn. We probeerden overeind te blijven, een zo normaal mogelijk leven te leiden. Het boek is een langgerekte poging om dat duidelijk te maken.[1]

In dat laatste is de auteur bewonderenswaardig geslaagd. En was het hem niet gelukt, dan was het boek alleen al vanwege de schitterende bespreking van de verjaardag van Wilhelm Powileit het lezen waard geweest.

| Eugen Ruge, In tijden van afnemend licht (Breda Uitgeverij De Geus, 2012). Hardcover € 22,50. ISBN 9789044520897.

Martijn van den Boom (1987) is politiek historicus en politiek theoreticus.


[1] W. Huyghebaert, ‘Eugen Ruge: ‘Ik ben niet ostalgisch.’’, Cutting Egde (22 september 2012) beschikbaar via: http://www.cuttingedge.nl/interviews/eugen-ruge-ik-ben-niet-ostalgisch (geraadpleegd op 1 november 2012).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>