De uit zijn voegen barstende publicatiefabriek?

Nienke Bos

Langer dan een jaar is wetenschapsfraude in het algemeen, en Diederik Stapels fraude specifiek, een trending topic. Het heeft een nieuw debat aangewakkerd over hoe de universiteit eruit zou moeten zien en welke plaats wetenschappers hier innemen.[1] Ruud Abma, cultuurpsycholoog, is in zijn boek De Publicatiefabriek van meet af aan helder: het gaat niet om Diederik Stapel als persoon of symbool, maar om Stapel als symptoom:[2] een symptoom van een problematische, academische cultuur. Abma ziet Stapel als het symptoom van ‘een uit zijn voegen barstende publicatiefabriek.’[3]

De eerste drie hoofdstukken van het boek gaan voornamelijk over de aard van Stapels fraude, de rapporten van de onderzoekscommissies en ‘slodderwetenschap’ in het algemeen. Vervolgens zet Abma de wetenschappelijke carrière van Stapel uiteen. Deze begon aan de Universiteit van Amsterdam (1993-1999), had een vervolg aan de Rijksuniversiteit Groningen (2000-2006) en eindigde aan de Universiteit van Tilburg (2006-2011).

In hoofdstuk 7 en 8 analyseert Abma twee grote problemen van de (sociale) wetenschap die de rode draad vormen in zijn boek: de publicatiedrang en de beoefening van experimentele sociale psychologie. De negatieve consequentie van de Science Citation Index is dat wetenschappers kunnen worden afgerekend op het aantal publicaties, iets dat vaak gebeurt.[4] Door het toepassen van businessmodellen op de wetenschap ontstaat het beeld dat kwantiteit er meer toe doet dan kwaliteit. Een factor die daarnaast een rol speelt in de (sociale) psychologie is de onherhaalbaarheid van het experiment. Misbruik hiervan brengt niet alleen eigen onderzoek maar ook de geloofwaardigheid van (sociale) psychologie in het algemeen in diskrediet.

Het negende hoofdstuk gaat over voorstellen die gedaan zijn om wetenschapsfraude te voorkomen. De essentie van de voorstellen is dat er minder geschreven moet worden en meer gelezen.[5] Kortom: meer tijd en meer zorgvuldigheid. In het laatste, tiende hoofdstuk komt Ruud Abma met zijn eigen algemene conclusies en aanbevelingen. Abma stelt twee remedies voor: het aandringen op minder publiceren door universitaire autoriteiten en een kritische houding van wetenschappers ten opzichte van elkaar. Hierbij gaan de wetenschappers weer naar hun eigen normen leven en niet naar die van een businessmodel.

Hoewel veel gegevens die Abma gebruikt in De Publicatiefabriek al bekend zijn, leest zijn reconstructie van de feiten als een goed gecomponeerd muziekstuk. Door de samenstelling van informatie uit verschillende bronnen geeft hij de lezer een goed beeld van de persoon Diederik Stapel, zijn carrière en zijn onderzoek. Enkel om deze reden is dit boek een must voor studenten en wetenschappers. Het boek biedt hen inzicht in de persoon Stapel, maar ook in de keuzes die hij heeft gemaakt.

De goede reconstructie van de feiten en van de persoonlijkheid van Stapel is een van de zaken die ik het meest heb gewaardeerd aan het boek. Toen ik hoorde dat er een boek was geschreven over de affaire-Stapel was ik bang dat het een van de vele pogingen zou zijn om hem weg te zetten als een monster, waardoor de discussie over verantwoordelijkheid onnodig is en de universitaire gemeenschap geen blaam treft. Niets is gemakkelijker dan Stapel wegzetten als een demon. Gelukkig heeft Abma zich hierdoor niet laten verleiden. Integendeel, hij ziet hem als een symptoom van een problematische universitaire cultuur, ontspoord door een businessmodel waarin premies worden gezet op het veelvuldig publiceren.

Een gerelateerd gegeven wat niet vaak zo scherp wordt weergegeven, is de gespletenheid waar Stapel zelf mee te maken had.[6] Hij wist heel goed waar hij mee bezig was, maar zei tegelijkertijd ook dat het systeem waarin hij werkte niet deugde. Hoewel hij het niet eens was met de spelregels van de wetenschap, speelde hij het spel wel mee. Temeer omdat hij cursussen in wetenschapsethiek gaf, geeft dit te denken.

Abma bouwt zijn verhaal langzaam op en doet dit op een overtuigende manier. De twee grote oorzaken die hij in hoofdstuk 7 en 8 aan de orde stelt, de mogelijke problematiek van experimenten en de publicatiecultuur, vormen een rode draad door alle voorgaande hoofdstukken en komen dus niet uit de lucht vallen. De twee oplossingen die Abma hiervoor geeft zijn echter niet beide overtuigend. Ondersteund door de gedachte dat goede wetenschap tijd nodig heeft, stelt Abma een maximum aantal publicaties voor.[7] Hoewel zijn suggestie tot een quotum aan publicaties aantrekkelijk lijkt, leidt het in praktijk tot de onwenselijke situatie dat Nederlandse wetenschappers in het internationale wetenschappelijke systeem achter blijven op hun buitenlandse collega’s. Bovendien worden wetenschappers die veel willen publiceren op deze manier benadeeld. Hoewel het zo is dat een wetenschappelijke doorbraak tot stand komt door geduldig puzzelen en niet door salami-slicing wetenschap waarin kwantiteit belangrijker is dan kwaliteit, kan concurrentie er ook voor zorgen dat mooie dingen tot stand komen. Zonder te willen doorschieten in het bedrijfsmatig plannen van wetenschappelijke doorbraken en hiermee in het andere uiterste te vervallen, lijkt een quotum geen haalbaar alternatief.

Abma’s oproep tot een kritische houding en het leven naar eigen, wetenschappelijke normen is daarentegen iets wat voorzichtig aangemoedigd moet worden.[8] Wel moet worden gekeken naar de manier waarop dit wordt gerealiseerd, omdat het vervallen in subjectivisme bij het leven naar ‘eigen’ normen op de loer ligt. Maar laten we door Abma’s overtuigende analyse over de problematische wetenschappelijke cultuur niet vergeten dat fraude begint bij de wetenschapper en niet bij het systeem. De scheidslijn tussen goede en slechte wetenschap is soms flinterdun, zoals Abma ook erkent.[9] De omstandigheden waarin wetenschappers verkeren zijn niet altijd optimaal, maar mijns inziens is een problematische wetenschappelijke cultuur slechts een noodzakelijke en geen voldoende voorwaarde voor wetenschapsfraude. Dit moet mensen er echter niet van weerhouden dit boek te lezen: het leest als een trein en het is bijzonder waardevol voor iedereen die geïnteresseerd is in wetenschap.

Nienke Bos (1991) volgt de master Comparative and European Politics aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Eerder behaalde zij een bachelor Filosofie en zat zij in de denktank European Politics van de Radboud Honours Academy.


[1] Zie bijvoorbeeld ook: W. Sanderse & E. van der Zweerde red. Denkruimte (Nijmegen 2012).

[2] R. Abma, De Publicatiefabriek. Over de betekenis van de affaire-Stapel (Nijmegen 2013) 7.

[3] Ibidem, 8.

[4] Ibidem, 112-113.

[5] Ibidem, 150.

[6] Abma, De Publicatiefabriek, 110.

[7] Er zijn verschillende initiatieven die draagvlak willen creëren voor ‘langzame’ wetenschap, zoals http://slow-science.org/

[8] Men zou kunnen denken aan een variatie op de categorische imperatief, waarin wetenschap niet alleen als middel gezien moet worden, maar ook als doel op zichzelf, zoals geformuleerd in: I. Kant, Groundwork of the Metaphisics of Morals (1785), vertaald en bewerkt door M. Gregor en J. Timmermann (Cambridge 2011).

[9] Abma, De Publicatiefabriek, 40.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>