Beschouwing van De stem van de Doden

Lisa Doeland

Er wordt voortdurend namens anderen gesproken, stelt Gert Jan van der Heiden in de inleiding van De stem van de doden. Hermeneutiek als spreken namens de ander. Politici spreken namens het volk en dichters; profeten en predikanten spreken namens God of goden. Hoewel we doen alsof de stem van de schrijver spreekt, is het de lezer die de woorden leest en zodoende namens het boek spreekt. Daarmee is de inzet van deze beschouwing meteen op scherp gesteld – ook ik spreek hier ‘namens’. Bovendien is meteen duidelijk wat er gebeurt wanneer hermeneutiek, van oudsher begrepen als de kunst van het uitleggen of de interpretatie, als een ‘spreken namens…’ wordt geherinterpreteerd. Er komt meer op het spel te staan, want het is niet langer jouw interpretatie, maar jij bent het die namens een ander spreekt. En een dergelijke taak mag niet worden onderschat.

Het zijn de Platoonse dialogen, waarin het spreken namens de ander tot kunst verheven is, die Van der Heiden op het spoor gezet hebben van een onderzoek naar hermeneutiek als spreken namens de ander. In deze dialogen viel hem die gedeelde en verdeelde stem op, die het spreken namens de ander veronderstelt. Hij schrijft hierover dat er ‘alleen met zo’n gedeelde en verdeelde stem […] een stem [kan] worden gegeven aan hen die nu, op dit moment, niet kunnen spreken omdat ze niet langer kunnen spreken, omdat ze nog niet kunnen spreken of omdat ze domweg geen taalvermogen bezitten.’[1] Van der Heiden noemt dit ‘spreken namens…’ het verborgen motief van de hermeneutiek en stelt zich in dit boek ten doel dit motief inzichtelijk te maken.

Hermes, de naamgever van de hermeneutiek, is in de eerste plaats de boodschapper van de goden en daarmee iemand die spreekt namens een ander: ‘bij Hermes is deze ander een van de goden, maar in omvattender zin vereist iedereen die niet de taal van de mensen spreekt, een boodschapper à la Hermes en dus een “spreken namens…” om gehoord te kunnen worden.’[2] Wat Van der Heiden in dit boek daarom doet, is typisch hermeneutische begrippen als dichtkunst, dialoog, vertaling, interpretatie en vertolking, traditie en erfenis, heronderzoeken in het licht van het ‘spreken namens…’. Hij gaat daarvoor te rade bij onder meer Martin Heidegger, Hans-Georg Gadamer, Paul Ricoeur, Jean-Luc Nancy, Jacques Derrida en Giorgio Agamben.

Ik schrijf hier wel ‘te rade gaan’, maar dan druk ik mij niet nauwkeurig genoeg uit. Van der Heiden gaat vooraleerst met deze denkers in dialoog. Het is niet voor niets dat hij ze steeds zijn gesprekspartners noemt. En hij praat niet alleen zelf met ze, maar brengt ze ook met elkaar in gesprek en laat zien welke gesprekken ze al voerden. Uit dit zorgvuldig gespannen web van denken over taal, vertaling, vertolking, het bekende en vreemde, het spreken, het zwijgen en de stem tekent zich af waar het Van der Heiden eigenlijk om te doen is: dit boek gaat niet alleen over de hermeneutiek, maar over de manier waarop filosofie (over)gedragen wordt en de manier waarop filosofen steeds weer de erfenis van dit denken op zich nemen. De vraag is hoe dit zó gedaan kan worden dat er recht gedaan wordt aan deze erfenis. En dat is natuurlijk ook precies de inzet van een ‘spreken namens…’. Het is niet zonder betekenis dat Van der Heiden in het woord vooraf de hoop uitspreekt dat zijn keuze om hermeneutiek vanuit het motief van het spreken namens de ander te bezien een vruchtbare toegang en ingang biedt tot de door hem behandelde denkers. Hij spreekt hiermee de hoop uit hun stem zo helder mogelijk te laten klinken.

Maar hoe doe je dat? Door het transcendentale karakter van betekenis en interpretatie te problematiseren, is deze vraag door onder meer Nancy, Derrida en Agamben heropgenomen. Wij moeten, zo laat Van der Heiden niet na te benadrukken, ons niet laten misleiden door het feit dat zij niet als denkers van het hermeneutische bekend staan. Op de vraag of er nog wel van hermeneutiek gesproken kan worden wanneer de mogelijkheid van interpretatie zelf ter discussie gesteld wordt, zegt hij dan ook volmondig ‘ja’. Het verband tussen Hermes (de boodschapper) en hermeneutiek, en tussen Hermes en de ambivalentie van de taal, wordt immers in de dialogen van Plato al aan de orde gesteld. Het was altijd al eigen aan de hermeneutiek. De vraag naar de mogelijkheid van een gedeelde taal, naar de implicaties van de dreiging van de schijn die bij iedere vertolking en bij elke interpretatie op de loer ligt, en de vraag naar hoe de boodschapper het verschil tussen de goden en mensen of de doden en de levenden weet te overbruggen, is geen nieuwe vraag en  is zeker niet aan postmoderne denkers als Gadamer en Derrida voorbehouden Dat de pseudos hierbij altijd op de loer ligt, is niet alleen een risico, maar is tegelijkertijd de mogelijkheidsvoorwaarde van de hermeneutiek.  ‘Het ‘spreken namens…’ is […] de enige kans om de ander te laten spreken, maar is daarom altijd getekend door het risico van de pseudos die zich in elke verplaatsing, elk dragen, en elke overdracht voordoet.’[3] Van der Heiden vat de pseudos hier nadrukkelijk Platoons op als het probleem van de schijn, dat de taal dingen op andere wijze aan de orde kan stellen dan ze zijn, maar dat dit niet erg is zolang we daar weet van hebben.

Het is precies dit ‘weet hebben van de schijn’ dat een belangrijke rol speelt in het slotstuk van De stem van de doden. Hier voert Van der Heiden de pseudogetuige ten tonele. De pseudogetuige is iemand die de ervaring van een ander vertolkt en die daarmee namens iemand anders spreekt. Van der Heiden verbindt deze pseudogetuige nadrukkelijk met Agambens begrip van het experimentum linguae, het ter sprake brengen van het onvermogen om het sprakeloze een stem te geven (waarvoor hij, zo laat Van der Heiden niet na te benadrukken, schatplichtig is aan Heidegger). Volgens Agamben zijn wij niet de erfgenaam van een reeds gesproken woord, maar juist van het niet kunnen spreken. Hij verzet zich hiermee tegen Derrida, die betekenisgeving problematiseert, maar wiens kritiek niet voorbij de grenzen van de taal voert. De specifieke aard van de menselijke taal is dat een wezen dat niet spreekt het woord moet nemen. Wij waren allemaal taalloze kinderen. In den beginne was niet het woord, maar het zwijgen. En niet alleen hadden wij in onze kindertijd alleen in potentie taal, er zijn ook ervaringen die een stem verdienen maar zich niet in taal laten uitdrukken. Denk aan Auschwitz. Van der Heiden schrijft dat we in de onmogelijkheid van het subject om een ervaring te vertellen die de zijne niet is – en hier vallen wij ook zelf onder, wij zijn soms ons zelf vreemd – de eigenlijke rol vinden van de hermeneutiek. Spreken namens de ander is een getuige zijn. En het probleem van de getuigenis is dat deze altijd bewijs betreft zonder zekerheid. De (pseudo)getuige is daarmee iemand waarin we ons vertrouwen moeten stellen.

‘Spreken namens…’ is niet zonder risico, de mogelijkheid dat er geen recht wordt gedaan en misschien zelfs wordt gelogen, ligt altijd op de loer. Maar liever dat dan dat een stem verstomd. Ik vraag me echter af of het Van der Heiden alleen om de nalatenschap van de sprakeloze gaat, want klinken in dit boek niet vooral de stemmen van dode filosofen? Rest ons van hen niet juist hun teksten? Het is namens hen dat hij spreekt.

| Gert-Jan van der Heiden, De stem van de doden. Hermeneutiek als spreken namens de ander (Nijmegen Uitgeverij VanTilt, 2012). Paperback € 22,50. ISBN 9789460040931.

Lisa Doeland (1982) studeerde Literatuurwetenschap en Filosofie. Zij stond aan de wieg van Wijsgerig Festival Drift en organiseert dit jaar de Filosofie Nacht.


[1] G. J. van der Heijden, De stem van de doden. Hermeneutiek als spreken namens de ander (Nijmegen 2012) 10.

[2] Van der Heijden, De stem van de doden, 18.

[3] Ibidem, 163.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>