Begrijpen is niet hetzelfde als vergeven. Over morele vragen tussen arrogantie en kwetsbaarheid

Willemijn van der Zwaard

De film Hannah Arendt (2012) brengt een controverse rondom politiek filosofe Hannah Arendt op het witte doek. Regisseuse Margarethe von Trotta koos ervoor om een bekende en dynamische periode uit het leven van Arendt te verfilmen: de totstandkoming en receptie van Eichmann in Jerusalem (1963). We zien een portret van een sterke vrouw die vast durft te houden aan haar controversiële filosofische standpunt over de daden van voormalig SS-er Adolf Eichmann. Haar politiek filosofische oeuvre kenmerkt zich echter net zo goed door een veel kwetsbaarder opstelling in de kwesties rondom mens-zijn en menselijk handelen. Het is interessant om te zien of en hoe Von Trotta erin slaagt ook die kant van Arendts werk over te brengen in haar film. Hoe krijgen het aftasten van vragen rond moraal, menselijkheid en solidariteit een plaats in het filmportret van Hannah Arendt die zich staande houdt in de publieke sensatie van de jaren 1960?

Wanneer in 1960 bekend wordt dat nazi-kopstuk Adolf Eichmann gevangen is genomen en in Israël zal worden berecht, draagt Hannah Arendt zichzelf voor als verslaggeefster voor The New Yorker. Voor de Duits-Amerikaanse Jodin is dit niet alleen een interessante schrijfklus, maar zeker ook een manier om zich opnieuw tot haar eigen verleden te verhouden. Eenmaal in Jeruzalem zien we hoe Arendt probeert het kwaad van de Holocaust te verbinden aan de gewone man in de glazen kooi. Ze probeert radicaliteit en middelmatigheid te rijmen. Adolf Eichmann is voor haar een bureaucraat, een ambtenaar die bevelen opvolgde, een radertje in een geoliede machine. Kortom: hij is geen monster. Om zijn daden dan toch te kunnen verklaren, komt Arendt uit bij het concept ‘de banaliteit van het kwaad’: kwade gruweldaden vereisen geen monsters, maar kunnen door gewone mensen zoals jij en ik worden begaan.

De schok die dit concept teweeg brengt, is groot – en wordt nog groter als Arendt een aantal Joodse leiders in hetzelfde beeld plaatst. Een SS-er als Eichmann had belang bij de goede organisatie van het Joodse volk. Leiderschap heeft zodoende aan de systematische uitroeiing bijgedragen, aldus Arendt. In de prille herinneringscultuur rond de Holocaust en de grote publieke aandacht voor de Joodse slachtoffers valt deze opvatting verkeerd. De film laat zien hoe Arendt in professionele en persoonlijke kring van gebrek aan ziel wordt beschuldigd. Vrienden en collega’s noemen haar arrogant en harteloos. Zelf benadrukt Arendt steeds dat het publiek haar werk niet echt heeft begrepen en het concept ‘banaliteit van het kwaad’ uit zijn context rukt. Het leidt tot de volgende publieke verklaring van haar kant aan het einde van de film:

In refusing to be a person, Eichmann utterly surrendered that single most defining human quality: that of being able to think. Consequently, he was no longer capable of making moral judgments. This inability to think created the possibility for many ordinary men to commit evil deeds on a gigantic scale. (…) It is true: I have considered these matters in a philosophical manner. The manifestation of the wind of thought is not knowledge, but the ability to tell right from wrong, beautiful from ugly. And I hope that thinking gives people the strengths to prevent catastrophes in these rare moments, when the chips are down.

Hoewel de film hier bijna ten einde is, ontstaat juist op dit punt een opening naar de rest van Arendts filosofische werk. Omdat ze weigert te geloven in de historische noodzakelijkheid van het kwaad, hamert Arendt op het morele vermogen van de mens om over zijn eigen handelen te kunnen oordelen. Met andere woorden: denken maakt de mens tot moreel agent van zijn eigen handelen. Dat is een enorme verantwoordelijkheid, die gepaard gaat met grote onzekerheid – dat erkende Arendt reeds in The Human Condition.[1] Want hoe ver kun je de consequenties van je eigen handelen daadwerkelijk overzien? Elk mens is beperkt in het voorspellen van vergaande gevolgen van zijn eigen handelen. Het vermogen om op zijn eigen handelen te reflecteren is dus geen absolute garantie om het goede te doen. Een werkelijk moreel oordeel vraagt daarom om houvast door de ander, door het samen leven. Echt samen leven (of: echte politiek) betekent voor Arendt een vrije ruimte waarin plaats is voor een open dialoog tussen gelijke mensen. Waarin wederzijdse beloftes houvast bieden en waarin vergeving mogelijk is: elk mens krijgt de kans om opnieuw te beginnen. Alleen zo kan de historische noodzakelijkheid van het kwaad worden doorbroken. Het totalitaire systeem van Eichmann was absoluut het tegenovergestelde van een dergelijke politieke ruimte. In plaats van een vrije dialoog werd alle publieke ruimte ingenomen, gedomineerd en gecontroleerd door één politieke stem. Vanuit deze redenering is het voor Arendt uiteindelijk te begrijpen dat Eichmann het menselijk vermogen om te denken verloor – en daarmee eveneens het vermogen om moreel te oordelen over zijn eigen en andermans handelen.

In de film beschuldigen nabije vrienden Arendt van arrogantie en harteloosheid in haar oordeel. Haar bewuste keuze om wel te begrijpen maar niet te vergeven toont wat mij betreft juist eerder de kwetsbaarheid van haar kijk op mens-zijn en menselijk handelen. Zodra het vermogen om te denken verloren gaat (of verwoest wordt door een systeem dat groter is dan een individu), kan het kwaad tot in het extreme – het ondenkbare – doorzetten. Tot zover onderschrijft Arendt met haar oordeel over Eichmann haar eigen filosofische gedachtegoed. Tegelijkertijd ontstaat er een spanningsveld met haar eigen werk. Arendt heeft een optimistische kijk op het menselijk handelen en is ervan overtuigd dat de mens radicaal voor het goede kan kiezen. Haar oordeel over Eichmann laat echter zien dat een mens ook verloren kan gaan. Dat vergeving niet langer mogelijk is. Dat onmenselijkheid door kan zetten. Daarmee wordt Arendt in haar verslag over Eichmann eveneens pessimist en criticus van haar rotsvaste geloof in het morele menselijke handelen. De film toont een sterke filosoof die in een storm vasthoudt aan haar eigen baken van de ratio – en stopt op het moment dat de twijfels arriveren. En juist daar begint een veel interessanter gevecht over wat het werkelijk betekent om mens te zijn: over de kwetsbaarheid die hoort bij het vellen van een moreel oordeel over jezelf en je medemens.

Willemijn van der Zwaard (24) is onlangs afgestudeerd als politiek historicus en Germanist aan de Universiteit Utrecht. Op dit moment is zij werkzaam als juniordocent Duitse geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Literatuur:

H. Arendt, Eichmann in Jerusalem. A report on the banality of evil (London 1963).

H. Arendt, The Human Condition (Chicago 1958).

E. Young-Bruehl, Hannah Arendt. For love of the world (New Haven 2004 [1982]).


[1] H. Arendt, The Human Condition (Chicago 1958) 231-247, 313-325.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>