Van buik tot blog

Karlijn Olijslager

Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke gaven met hun artikel ‘Wat is Feminisme 3.0’ het startsein voor een stevig debat over de inhoud van dit ‘nieuwe’ feminisme.[1] Hun missie is daarmee al gedeeltelijk geslaagd: uiteenlopende reacties van hoogopgeleide vrouwen die stelling nemen in het emancipatiedebat. Tevens bewijst het hun stelling dat het feminisme geen voltooid verleden tijd is. Ongelijke carrièrekansen en hoogopgeleide ambitieloze thuisblijfmoeders: ‘Het is alsof de tweede feministische golf nooit heeft plaatsgevonden.’[2] Dat geldt echter niet alleen voor de hedendaagse status quo van de emancipatie, maar ook voor de definitie van feminisme 3.0 die De Beer en Ten Brinke presenteren. Voor invullingen van het feminisme anno 2012 kunnen we teruggrijpen op een rijke geschiedenis, maar daar is tot nu toe in de reacties niet bij stilgestaan. Daarom pleit ik voor een meer historisch bewuste invulling van het feminisme. Academie en activisme zijn mijns inziens geen gescheiden sferen, aangezien juist feministische verledens kunnen helpen bij het opmaken van de feministische balans en het uitzetten van een toekomstgerichte koers. Om met Donna Haraway, één van de bekendste feministische theoretici, te spreken: ‘All is not to be done from scratch.’[3]

De voorstelling van het feminisme in genummerde golven veronderstelt een vooruitgang. Door de toevoeging 3.0 wordt het feminisme het digitale tijdperk ingetrokken waarin een hoger nummer niet alleen een nieuwe, maar vaak ook een betere versie impliceert: Windows 8 is beter dan Windows 7 en de nieuwe iPhone 5 is de verbeterde iPhone 4. Het nieuwe feminisme 3.0, nu nóg inclusiever, heterogener en diverser dan de vorige versie! Dit vooruitgangsverhaal belemmert het feministisch zicht op de toekomst, omdat het de schijn wekt dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen in deze tijd is bereikt.[4] In het verlengde hiervan lijkt de vraag ‘is dit nieuwe feminisme nog wel nodig?’ legitiem. Dat maakt het ook moeilijk om een duidelijk antwoord te geven op de vraag ‘wat is feminisme 3.0?’. De emancipatie van het emancipatiedebat zoals De Beer en Ten Brinke voorstaan, is dan ook een goede aanzet, want een probleem als ongelijke carrièreperspectieven kan dan zichtbaar en bespreekbaar worden gemaakt.

In hun invulling van het feminisme 3.0 kan ik me echter minder vinden, omdat die voor een groot deel gebaseerd is op een reductie van het feminisme van de tweede golf. De Beer en Ten Brinke stellen dat het heruitvinden van het ‘oude feminisme’ niet voldoende is en presenteren een ‘nieuw’ feminisme waarvan ik me afvraag of dit wel zo ‘nieuw’ is. Zij stellen in hun introductie dat deze generatie feministen zich probeert te positioneren ten opzichte van vorige generaties.[5] Deze voorgaande generaties en het feminisme van de tweede golf worden echter wel heel makkelijk als een homogene beweging afgeschilderd ten opzichte van het nieuwe heterogene feminisme 3.0. Door het feminisme 3.0 te definiëren als een heterogene mindset waarin consensus geen vereiste is en diversiteit en individualiteit hoog in het vaandel staan, veronderstellen zij dat het ‘oude feminisme’ dit allemaal niet was. Hoe kan deze generatie feministen zich positioneren ten opzichte van voorgaande generaties als we niet eens weten wie deze generaties vormden, waar zij voor stonden en hoe zij probeerden hun mindset uit te dragen?

Historische wortels kan je verbloemen, maar daarmee zijn ze nog niet uitgeroeid. Het feministisch gedachtegoed en actierepertoires worden vaak gedefinieerd in termen van oud en nieuw. De beruchte blote dames van de Oekraïense feministische groep Femen zien het feminisme in Europa als ‘een oude zieke vrouw.’[6] De activisten van Femen vinden het zelf vernieuwend om hun lichaam in de feministische strijd te gooien. Nu is er volgens mij geen leus zo bekend als ‘baas in eigen buik’: het lichaam is één van de populairste media van feministen geweest in hun strijd voor gelijke rechten en brede maatschappelijke veranderen waarbij het persoonlijke steeds politieker werd. De nadruk die De Beer en Ten Brinke leggen op zelfdefinitie, individuele ontwikkeling en identiteit waren veelbesproken thema’s in de praatgroepen die zo kenmerkend waren voor de tweede golf. Oude thema’s, maar nu uitgedragen via een blog (een feministische praatgroep anno 2012?) in plaats van een beschreven buik.

De Beer en Ten Brinke stellen dat de golfmetafoor om het feminisme te duiden aan kracht heeft ingeboet, maar ze betrekken het vooral op het nieuwe feminisme dat zich niet laat vangen in een golf, omdat deze nieuwe fase minder consensus kent dan eerdere feministische momenten in de geschiedenis.[7] Consensus en feminisme gingen in de eerste en tweede golf ook niet hand in hand: de Dolle Mina’s hielden er andere ideeën op na dan de feministen van Man Vrouw Maatschappij (MVM) en ook de eerste golf bestond niet uit een coherente, eensgezinde groep feministen waarin alle neuzen dezelfde kant op stonden. Hoewel de geschiedenis van de tweede golf divers is, is vooral het beeld van de boze tuinbroekfeminist blijven hangen. Jonge mannen en vrouwen willen hier niet mee geassocieerd worden, merken De Beer en Ten Brinke op, maar zelf nemen ze ook afstand van dit oude feminisme. Door ‘nieuw’ voor het woord ‘feminisme’ te zetten of ‘3.0’ erachter, krijgt het niet ineens een goed imago, laat staan een andere inhoud. Gelijke lonen stonden al op de agenda van de feministen in het begin van de twintigste eeuw en  in de tweede golf werd hier opnieuw voor gestreden. Anno 2012 staat dit punt opnieuw hoog op de agenda, nu onder de noemer feminisme 3.0.

Mijn pleidooi voor historisch onderzoek naar vroegere vormen van feminisme komt niet voort uit een nostalgisch idee dat er in de jaren 1970 ‘betere’ feministen waren. Door historisch onderzoek kunnen we echter wel beter bepalen hoe noties van mannelijkheid en vrouwelijkheid die al ter discussie werden gesteld in de jaren 1960 en 1970 nog steeds doorwerken in de huidige samenleving. Het debat over wat mannelijk en vrouwelijk is, is net als het feminisme nog geen voltooid verleden tijd. Het ligt mijns inziens ook nu nog ten grondslag aan de ongelijke verhoudingen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zitten hoogopgeleide ambitievolle thuismoeders niet noodgedwongen thuis vanwege deze dominante opvattingen? Het ligt blijkbaar nog steeds voor de hand om een man te kiezen voor bepaalde (wetenschappelijke) functies. Het is weinig constructief om het feminisme te definiëren in termen van oud of nieuw als we niet weten wat dat überhaupt inhoudt. We moeten eerst beter weten waar we ons van distantiëren, voordat we het bestempelen als ‘oud’ en ‘onbruikbaar’ om scheve maatschappelijke verhoudingen aan de kaak te stellen.[8] De ogenschijnlijk open definitie van het feminisme 3.0 maskeert een heterogene rijke geschiedenis en een dito toekomst. Juist door historisch onderzoek te verrichten naar de politieke agenda’s, acties en ideeën van voorgaande generaties feministen kunnen we hedendaagse ongelijkheden in de maatschappij beter begrijpen en een actuele feministische agenda opstellen.

Karijn Olijslager (1986) is promovenda bij de capaciteitsgroep Nieuwste Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij doet onderzoek naar vrouwententoonstellingen als onderdeel van de feministische herinneringscultuur in de periode 1913-2013.


[1] L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, Volonté Générale n°1 (2012) 26-30, aldaar 27, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/18791274342/vg02-1 (geraadpleegd op 22 oktober 2012); De hier op volgende nummers bevatten reacties op dit stuk.

[2] De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, 27.

[3] D. Haraway, ‘Situated knowledges: the science question in feminism and the privilige of partial perspective’, Feminist Studies 14, 3 (1988) 575-599, aldaar 586.

[4] I. van der Tuin. ‘Van verstikkend naar visionair. Een feministisch epistomologische verkenning van de effecten van het golfmodel in genderonderzoek’, Tijdschrift voor genderstudies 2 (2010) 72-84, aldaar 81; Saskia Bultman merkt in haar reactie terecht op dat de term feminisme te weinig uitdrukt dat mannen ook nadelig kunnen worden beïnvloed door genderongelijkheid en verschillen in etniciteit. Ongelijkheid op de arbeidsmarkt bij mannen onderling of tussen vrouwen door verschillen in etniciteit spelen bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen rol. In deze reactie ga ik daar niet nader op in, maar het is belangrijk om erop te wijzen dat er ook andere factoren dan gender bepalend zijn voor carrieremogelijkheden- en ongelijkheden, zie: S. Bultman, ‘Verlicht is carrieregericht’, 4-6, aldaar 5 (noot 7), beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/30793941718/vg02-3 (geraadpleegd op 22 oktober 2012).

[5] De Beer & Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0’, 26.

[6] Citaat van Inna Sjevtsjenko in: A. Korteweg, ‘Topless feminisme verovert het Westen via Parijs’, De Volkskrant (22 oktober 2012) 5.

[7] De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, 27.

[8] Van der Tuin, ‘Van verstikkend naar visionair’, 82. Iris van der Tuin verwoordt dit concept van disidentificatie als volgt: ‘Als je je bijvoorbeeld tegen Simone de Beauvoir wilt identificeren moet je haar werk eerst intiem kennen (en er zo bekend mee worden), voordat je er afstand van kan doen.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>