Reflectie op Feminisme 3.0

Eva Hage

Als jonge, hoog opgeleide vrouw voel ik mij aangesproken om mijn houding ten opzichte van het door Liang De Beer en Dieuwertje Ten Brinke in de vorige editie van Volonté Générale geïntroduceerde Feminisme 3.0 te definiëren.[1] Het lezen van hun artikel over dit fenomeen liet mij achter met een gevoel van ongemak. Want hoewel ik mij deels kan vinden in wat de schrijfsters zeggen, bespeur ik een zekere ambivalentie die ik niet zonder meer kan accepteren. Ik wil hier mijn interpretatie van hun artikel geven, en ik zal proberen toe te lichten waar wat mij betreft de problemen zitten. Misschien ten overvloede wil ik beklemtonen dat wat ik schrijf mijn mening, gevormd op basis van mijn eigen ervaringen, vertegenwoordigt. Het is mijn interpretatie van wat De Beer en Ten Brinke beweren (die wellicht afwijkt van wat zij bedoelen). Ik wil dan ook niet voor anderen spreken, en het is evenmin mijn bedoeling de schrijfsters aan te vallen; ik hoop dát te bereiken waartoe zij een oproep doen: namelijk een bijdrage te leveren aan het debat over de betekenis en gewenste invulling van emancipatie en feminisme in onze samenleving.

Een voor een of een voor allen?
Evenals De Beer en Ten Brinke erken ik dat de tweede feministische golf geen samenleving heeft opgeleverd waarin elk individu op een gelijkwaardige manier wordt behandeld. Net als hen vind ik het daarom belangrijk dat mensen nadenken over hun positie in de maatschappij, en werken aan emancipatie op het individuele niveau. Willen we deze thematiek onder de noemer van Feminisme 3.0 verder uitwerken, dan denk ik inderdaad dat het onwenselijk is om in de Feminisme 2.0-stijl tot een dogmatische en dominante ideologie te komen, die door alle aanhangers moet worden uitgedragen. Discussies over wat typisch ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ is zijn weinig relevant, aangezien daar vele mogelijke invullingen van te geven zijn, en ieders identiteit uit velerlei facetten bestaat. Zo bezien voel ik me thuis bij de invulling die de schrijfsters geven aan Feminisme 3.0 als een heterogene en individualistische mindset waarin het nadenken over en definiëren van de eigen identiteit, ambities en sociale positie centraal staan. Ik ben ervan overtuigd dat de wereld alleen kan veranderen indien we onszelf veranderen. Dan helpt het niet om rechtlijnige ideologieën te presenteren. We kunnen de vernieuwende mindset beter opvatten als een aansporing tot persoonlijke emancipatie en ontplooiing.

Toch begint de uiteenzetting van Ten Brinke en De Beer hier bij mij te wringen. Er ontstaat bij hen namelijk een spanning tussen de behoefte om enerzijds duidelijk te maken waarmee zij zich als uitdragers van Feminisme 3.0 bezig willen houden, en anderzijds het geven van een zo open mogelijke definitie van de beweging die zij geen beweging (durven of kunnen) noemen. De wens om een vernieuwd feminisme vorm te geven maakt een zekere consensus over wát er dan vormgegeven moet worden noodzakelijk: wat verstaan de schrijfsters onder ‘feminisme’ en ‘emancipatie’? Het afbakenen van deze begrippen botst echter met de nadruk die ze leggen op het individuele karakter van de ‘mindset’. Dit levert een problematische zelfdefinitie op. Ik denk namelijk dat de schrijfsters ergens heel goed weten wat ze willen, namelijk: ‘Feminisme 3.0 wil mannen en vrouwen bewust maken van wat er op politiek, economisch, sociaal, cultureel en seksueel vlak nog te emanciperen valt.’[2] (Wat dat dan precies is, zeggen ze echter niet.) Direct op deze definiërende zin volgt echter: ‘Niet een vaste definitie waar je je al dan niet in kunt vinden, maar een persoonlijke emancipatie die past bij het definiëren van jouw positie in de samenleving’. Dit is naar mijn mening te vaag en tegenstrijdig. Door het hele artikel heen worden de termen ‘emancipatie’ en ‘feminisme’ immers veelvuldig gebruikt, maar de auteurs deinzen er telkens voor terug concreet te benoemen wat ze daar nu zelf onder verstaan. Het is een contradictie waar ik zelf ook geen duidelijke uitweg uit weet. Individualiteit gaat immers slecht samen met de collectiviteit die nodig is om in breder verband veranderingen door te voeren. En ‘een beweging die eigenlijk geen consensus kent’ valt ook nauwelijks te definiëren.[3] Toch is dat nodig, willen we er iets mee kunnen. Daarom wil ik, in de beperkte ruimte die mij hier rest, proberen mijn eigen ambitie voor de uitwerking van deze vernieuwende mindset te expliciteren. Hoewel mijn opvatting afwijkt van die van De Beer en Ten Brinke, en eveneens conflicterende elementen bevat, kan zij misschien worden gezien als poging tot een verdere vormgeving van Feminisme 3.0.

Op weg naar Emancipatie 3.0
Man en vrouw zijn twee uitingsvormen van het fenomeen ‘mens’, en ik denk dat het voor een zo harmonieus mogelijk functionerende maatschappij belangrijk is dat beiden de kans krijgen om zich op een gelijkwaardige manier te manifesteren. Obstakels die dit bemoeilijken moeten dan ook uit de weg worden geruimd. Zolang er bijvoorbeeld nog vrouwen zijn die minder betaald krijgen dan hun mannelijke collega’s die precies hetzelfde werk doen of, omgekeerd, zolang mannen raar worden aangekeken als ze kiezen voor een parttime baan, is er nog werk te verzetten. Wat ik echter onprettig vind aan het debat over de positie van beide seksen, (niet exclusief bij De Beer en Ten Brinke, maar ook meer maatschappij-breed) is de selectie van zaken waar waarde aan wordt gehecht. Ik bespeur tussen de regels door vaak een onderliggende opvatting over emancipatie die veel weg heeft van het tweede golf gelijkheidsfeminisme. De positie en levensinrichting van mannen wordt dan (impliciet) als voorbeeld genomen voor wat vrouwen zouden moeten bereiken. Denk aan een toppositie in een bedrijf, of een hoogleraarschap. Ik vind echter niet dat je zo’n functie zou moeten ambiëren op grond van je sekse. Ik zou niet op basis van mijn vrouw-zijn voor een baan geselecteerd willen worden, maar op basis van mijn capaciteiten. Gerelateerd hieraan heb ik mijn twijfels over de geschiktheid van de term ‘Feminisme 3.0’. Het roept mijns inziens te veel associaties op met een strijd tussen de seksen waarvan ik het bestaan betwijfel. De tweede feministische golf heeft volgens mij namelijk bewerkstelligd dat mannen en vrouwen juridisch gezien aan elkaar gelijk zijn gesteld en dat er geen wettelijke discriminatie op grond van sekse meer bestaat. Daarom durf ik de verschillende posities waarin veel mannen en vrouwen zich bevinden niet zondermeer terug te voeren op een inherente achterstelling van vrouwen. De kansen liggen er voor beide seksen om hun levens naar eigen inzichten vorm te geven. De reden dat zoveel vrouwen er bijvoorbeeld voor kiezen om parttime te werken, of om tijdschriften te kopen die onrealistische schoonheidsidealen presenteren, is immers niet dat hen geen keus wordt gelaten om het anders te doen. Of ze dit nu willen omdat ze niet de ambitie hebben om ‘net als mannen’ een topfunctie te bekleden, omdat ze die onrealistische schoonheidsidealen hebben geïnternaliseerd, of uit welk achterliggend motief dan ook: vrouwen spelen zelf een zeer bepalende rol in de vormgeving van hun levens. Pas wanneer vrouwen (mannen overigens evengoed) zelf bereid zijn om de keuzevrijheid die zij nu hebben anders te gebruiken, verandert de samenleving op een gebalanceerde wijze, en van binnenuit.

Ik zie het als volgt: als mensen kunnen wij nooit geheel onafhankelijk zijn, in de zin dat we los staan van onze omgeving. Onze levens en de keuzes die we maken, worden altijd mede gevormd en ingeperkt door externe factoren. Om te overleven zijn we afhankelijk van een wereld die ons bijvoorbeeld zuurstof en voeding biedt, maar ook van de structuren van een samenleving die bepaalde zaken van ons eist. Binnen deze beperkingen hebben wij in de huidige maatschappij, meer dan ooit tevoren, tot op grote hoogte de mogelijkheid om ons leven naar eigen inzicht een invulling te geven. Deze vrijheid maakt mijns inziens wél dat we verantwoordelijkheid moeten nemen voor onze keuzes en daden. Om ‘anders’ te leven is moed nodig, want elke levensstijl die afwijkt van wat in haar omgeving gemiddeld is, zal reacties uitlokken. Dat vaders vreemd worden aangekeken als ze minder gaan werken, of dat moeders die veertig uur of meer per week aan hun carrière besteden, kritiek te verduren krijgen, heeft inderdaad te maken met een mindset. Een mindset die bepaalt wat als mooi, gewenst, verwacht, etc. wordt gezien. Terugkomend op de tekst van De Beer en Ten Brinke, ben ik het met hen eens dat er een verandering in die mindset nodig is, willen we tot een andere samenleving komen. Die verandering hoeft denk ik echter niet gefundeerd te zijn op feminisme, waarin de relaties tussen mannen en vrouwen toch wel centraal staan. Mensen bestaan uit meer dan hun geslacht, en het lijkt mij wenselijk dat we kijken naar individuen in hun totaliteit.

Laten we, om kort te gaan, streven naar een samenleving waarin wij alle individuen ook daadwerkelijk gunnen om hun leven naar eigen inzicht vorm te geven, zonder direct waardeoordelen over ‘afwijkende’ levensstijlen te vellen. Begrijp me niet verkeerd, ik wil hiermee niet zeggen ‘leef er maar op los’. We functioneren immers wel in een groter verband, dat niet geschaad moet worden door onze handelingen. Ik vind het dan ook wenselijk om na te streven dat alle gezonde volwassenen verantwoordelijkheid nemen voor hun leven, en zich niet op de staat beroepen om te voorzien in hun levensonderhoud. Maar, of je nu kiest voor een carrière en financiële onafhankelijkheid, of in een breder samenlevingsverband voor elkaar zorgt in financiële maar ook immateriële zin: geef je leven naar eigen inzicht vorm, zonder zoveel verwachtingen te scheppen betreffende en oordelen te vellen over het leven van een ander. Ik zou het Feminisme 3.0 van De Beer en Ten Brinke willen omdopen in Emancipatie 3.0: een mindset waarin het streven naar de vrijmaking van ieder individu, of dat zich nu man, vrouw, of geen van beiden verkiest te noemen, centraal staat.

Eva Hage (1988) volgt de master Actuele Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.


[1] L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, Volonté Générale 1 (2012) 26-30.

[2] De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?, 27.

[3] Ibidem, 30.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>