Over het staatsburgerschap anno 2011

 Peter Kerris

Het onderstaande is een reactie op het artikel ‘Diplomademocratie: Dilemma’s van een Elite’ van Dieuwertje ten Brinke in Volonté Générale (2011-1). In dit artikel stelt Ten Brinke dat er een nieuwe kloof is ontstaan in de samenleving, namelijk die tussen hoog- en laagopgeleiden. Zij pleit voor het doorbreken van het taboe dat nu nog rust op het aanstellen van hoogopgeleiden die deze kloof moeten overbruggen, bijvoorbeeld door de oprichting van een (jong) Wetenschappelijk Bureau.

In het vorige nummer van Volonté Générale schrijft Dieuwertje ten Brinke een boeiend artikel over de zogenaamde ‘diplomademocratie’. In het stuk vraagt zij zich af of er een foutje geslopen is in de democratie. Ze heeft het over een nieuwe kloof in de samenleving, die bepaald is door het opleidingsniveau. Maar is deze kloof wel zo nieuw? En is dit daadwerkelijk de belangrijkste scheidslijn die zich heden ten dage aftekent? Hoewel ik het eens ben met eerste deel van haar conclusie – dat het maatschappelijke debat interessanter is dan ooit tevoren door het grote aantal perspectieven en de participatie van vele bevolkingsgroepen –, roept het doorbreken van het ‘taboe’ op het benoemen van een clubje hoogopgeleiden als eerste stap op weg naar het dichten van de maatschappelijke kloof weerstand bij me op.

Het artikel gaat inderdaad over de dilemma’s van een zogenaamde elite, maar in plaats van de vraag te stellen of je als partij die het gelijkwaardigheidsideaal predikt een organisatie mag oprichten die puur gericht is op jonge hoogopgeleiden – een vraag die Ten Brinke met een volmondig ‘ja’ beantwoordt –, zou ondergetekende het antwoord op dit dilemma niet zoeken in het oprichten van debatclubjes. De dilemma’s van de elite die Ten Brinke schetst hebben te maken met (de toon van) het politieke en maatschappelijke debat.

Het zou waanzin zijn wanneer politieke partijen die zich afkeren van het hedendaags populisme zich louter zouden richten op de ivoren toren van de wetenschap. Goede politiek staat altijd op twee benen: degelijke wetenschappelijke en ideologische kaders enerzijds, ingevuld door de directe noodzaak van alledag anderzijds. Niet het taboe op een instituut voor louter hoger opgeleiden, maar het taboe dat leeft ónder veel van deze hoger opgeleiden – namelijk dat burgers die hier niet bij horen niet zouden kunnen bijdragen aan het debat – moet worden doorbroken. De Nederlandse parlementaire geschiedenis kenmerkt zich door een steeds groter wordende cirkel van participatie waarin jaartallen als 1848, 1917 en 1919 centraal staan. Laat ik derhalve woorden van J.R. Thorbecke, de vader van de moderne Nederlandse constitutie aanhalen:

Doch wanneer in een Staat, waarin de nijverheid, door de bezitters van groote kapitalen beheerd, meer en meer maatschappelijke hoofdmagt wordt, negentig van de honderd vruchteloos zwoegen om door eigen vlijt den prijs der stemgeregtigdheid goed te maken, is er strijd tusschen stoffelijke huishouding en Staatsbeginsel. Terwijl het laatste zich in steeds wijder kring tracht te doen gelden, verkleint de eerste steeds het aantal der bezitters. Het eene vordert gelijkheid, en de andere maakt de ongelijkheid steeds grooter. Twee tegen elkander inloopende reeksen van ontwikkeling. Eene hand steeds bezig af te breken hetgeen de andere oprigt.[1]

Wanneer men al Thorbecke’s verwijzingen naar censuskiesrecht, kapitaal en bezit vervangt door kennis, de belangrijke hedendaagse motor van de economie, lijkt er in anderhalve eeuw weinig veranderd. Als we de lijn van politicologen Bovens en Wille, aangehaald als auteurs van ‘Diplomademocratie’, geloven, zijn het allengs de bezitters van kennis die de dienst uitmaken ten koste van de ‘nieuwe onderklasse’. Dat de kloof tussen hoger en lager opgeleiden meer dan in eerdere decennia aanwezig is in het publieke debat, valt niet te ontkennen. Echter, we moeten ons niet opsluiten in de ivoren toren van de wetenschap, maar de kloof blijven overbruggen door de dialoog voort te zetten. Dit moet gebeuren zonder dat we de zaken simpeler voorstellen dan ze zijn, zonder populisme te bedrijven, maar met wederzijds respect. Dat is niet het doorbreken van taboes, maar het gebruiken van gezond verstand.

Peter Kerris (1985) is voorzitter van de Jonge Socialisten afdeling Arnhem/Nijmegen en volgt de masteropleiding Politiek en Parlement aan de Radboud Universiteit Nijmegen.


[1] J. R. Thorbecke, Historische schetsen (Den Haag 1872) 95, beschikbaar via: http://www.dbnl.org/tekst/thor003hist01_01/thor003hist01_01_0007.php (geraadpleegd op 2 september 2011).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>