Loting: reddende engel van een in crisis verkerende democratie?

Anita van Rootselaar

In Volonté Générale n°4 2013 sprak Martijn van den Boom lovende woorden over de ideeën van de Belgische historicus David Van Reybrouck in het boek Tegen verkiezingen (2013). In deze beschouwing betoogt Anita van Rootselaar dat er echter wel forse kanttekeningen te zetten zijn bij de te verwachtte oplossingen die Van Reybrouck belooft.

In een era dat gekenmerkt wordt door nieuwe onrust en een fikse groei van populistische bewegingen doet de – zeker niet nieuwe – vraag ‘wat is er mis met onze democratie?’ het goed. We hebben de indruk dat de democratie in een crisis verkeert en we zijn op zoek naar een diagnose en een oplossing, een medicijn. Dat is ook het uitgangspunt voor David van Reybrouck’s pamflet Tegen verkiezingen (2013) – niet geheel toevallig opgesteld als een medische verhandeling (symptomen, diagnoses, pathogenese en remedies zijn de hoofdstuktitels). De crisis (door Van Reybrouck met de term ‘Democratisch Vermoeidheidssyndroom’ aangeduid) schuilt volgens Van Reybrouck in de toenemende onvrede van burgers en hun wantrouwen jegens politici, waaruit hij een afnemende legitimiteit destilleert die daaraan gekoppeld zou zijn. Ook de ‘hysterie’ omtrent verkiezingen, het mediaspektakel en de populariteitswedstrijd, zijn uitwassen van de crisis van de democratie. De diagnose luidt: democratie lijdt aan ‘verkiezingen’. In andere woorden, de verkiezingen – de laatste decennia juist gezien als het centrale punt van democratie, het essentiële vehikel ervoor – zijn juist de oorzaak (of in elk geval onderdeel van de oorzaak) van de crisis van de democratie. De remedie: een systeem van loting (een ‘aleatorisch systeem’). Verkiezingen de deur uit (overigens, niet in het geheel, slechts gedeeltelijk), loting erin.

Het idee dat we van verkiezingen naar loting moeten is, mild gezegd, onorthodox in onze huidige tijd. Echter, onorthodoxe ideeën zijn soms juist goed en nodig, zeker als het gaat om het aanpakken van crises. Maar voordat we over gaan tot het denken in oplossingen is het eerst zaak een helder beeld te hebben van wat nu exact het probleem is. Wat is de essentie van de crisis waarin de democratie zou verkeren? Simpeler gesteld: is er iets mis met onze democratie, en zo ja, wát is er dan precies mis mee? Het probleem is volgens Van Reybrouck tweeledig: er is zowel een crisis van legitimiteit als een crisis van efficiëntie, en deze beiden versterken elkaar. De crisis van legitimiteit blijkt uit drie symptomen: minder mensen gaan stemmen (wat de vraag oproept: is het parlement nog wel representatief?); er is een groot kiezersverloop van partij naar partij (een grote electorale volatiliteit, zogezegd); en steeds minder mensen zijn lid van een politieke partij (waarbij Van Reybrouck zich afvraagt wat het voor de legitimiteit betekent dat steeds minder mensen aansluiting zoeken bij de belangrijkste spelers binnen het democratische bestel). Met betrekking tot de crisis van efficiëntie constateert Van Reybrouck een toename in de tijd die het formatieberaad in beslag neemt, dat regeringspartijen steeds zwaarder worden aangepakt en dat besturen steeds trager gaat.

Wantrouwen, kern van de crisis
De problemen die van Reybrouck aanwijst spelen inderdaad in veel westerse democratieën in meer of mindere mate een rol. We hoeven de statistieken er maar op na te slaan om bevestigd te zien dat steeds minder mensen de gang naar de stembus maken, dat de electorale volatiliteit toeneemt en dat het lidmaatschap van politieke partijen afneemt. En dat de tijd die het formatieberaad in beslag neemt toeneemt hebben we feitelijk kunnen ervaren in de afgelopen jaren (denk bijvoorbeeld aan de formatiebesprekingen in Nederland in 2010 die 127 dagen duurden en het 541 dagen durende formatieberaad in België na de verkiezingen van 2010 dat daarmee de twijfelachtige eer had het record van langste formatie ter wereld te zetten). Maar de categorisering in problemen van legitimiteit en efficiëntie rammelt. Zoals Van Reybrouck het zelf formuleert, legitimiteit heeft betrekking op de vraag ‘hoezeer kunnen inwoners zich vinden in die oplossingen? In hoeverre erkennen zij het gezag van de overheid?’[1] Een groter wantrouwen in poli-tieke partijen en een afname in het aantal stemmers kunnen dan inderdaad duiden op een gebrek aan legitimiteit: immers, als een steeds groter aandeel van de bevolking ontevreden is met de regering en met hun besluiten, en als steeds minder mensen stemmen waardoor de regering een steeds kleiner deel van de bevolking representeert, hoe legitiem is de overheid dan? Onduidelijk is echter waarom bijvoorbeeld kiezersverloop een teken van afnemende legitimiteit is en dit wordt ook nergens beargumenteerd door Van Reybrouck. Voorts zijn er punten die Van Reybrouck aanduidt als problemen van efficiëntie die evenzeer (of meer nog) als problemen van legitimiteit gezien kunnen worden: het feit dat regeringspartijen steeds zwaarder aangepakt worden (en daarmee in zekere zin gedemotiveerd worden om krachtdadig te besturen) heeft een directe relatie met de onvrede van mensen en daarmee met het legitimiteitsprobleem. Er is een wisselwerking immers, tussen regering en burgers: politici die afgestraft worden voor rigoureuze maatregelen zullen deze gaan ontwijken of ‘om de hete brij heendraaien’. Burgers vinden politici door dit gebrek aan daadkracht en overdaad aan omzichtige bewoordingen juist nog meer onbetrouwbaar en worden daarop nog kritischer – de cirkel is rond.

Ik denk dan ook dat de essentie van het legitimiteitsprobleem hoofdzakelijk schuilt in één aspect: het grote wantrouwen jegens en onvrede met de politiek.[2] Alle andere symp-tomen die Van Reybrouck noemt zijn hiervan af te leiden (of hun relatie met legitimiteit was hoe dan ook onduidelijk en onvoldoende beargumenteerd): een afnemende behoefte om te stemmen is een logisch gevolg van een toenemende scepsis jegens de politiek. Deze link klinkt niet alleen logisch, hij wordt ook ondersteund door de feiten. Onderzoek van het CBS toont aan dat het wantrouwen jegens en de onvrede met de politiek het grootst is onder niet-stemmers (slechts 32% heeft  bijvoorbeeld vertrouwen in de Tweede Kamer, tegenover een gemiddelde van 53%, en een magere 13% is tevreden met het regeringsbeleid, waar het landelijk gemiddelde op 31% ligt).[3] Dat regeringspartijen steeds zwaarder worden aangepakt houdt, zoals ik hiervoor al beargumenteerde, tevens een relatie met de wantrouwende houding van burgers jegens politiek. Hierbij moeten we echter wel in ogenschouw houden dat een zekere kritische houding van de burger juist wenselijk is in een democratie, net zozeer als een gebrek aan consensus: we zijn het niet eens, en we zullen het ook nooit allemaal eens worden. Het is juist om die reden dat we een democratie nodig hebben. In een goede, levendige democratie is er ruimte om het openlijk met elkaar oneens te zijn en om beslissingen te bekritiseren. We kunnen ons echter afvragen, gezien de op dit moment zichtbare consequenties van een afnemend vertrouwen (verminderde stembusgang, de genoemde efficiëntieproblematiek, en een gevoeligheid voor extremere en populistische bewegingen) in hoeverre de huidige onvrede en dissensus nog een teken van een gezonde democratie is in plaats van een teken van afnemende legitimiteit. Zoals Van Reybrouck het formuleert: ‘Hoewel enige scepsis tot de basis van de kritische burgerzin behoort, is de vraag gerechtvaardigd hoe massaal die argwaan mag zijn en wanneer gegronde achterdocht omslaat in regelrechte afkeer.’[4] Wanneer zijn wantrouwen en onvrede een teken van gebrekkige legitimiteit of een afbreuk van de democratie, en wanneer zijn het juist voortvloeisels uit een levendige democratie waarin eenieder vrijelijk zijn of haar mening mag uiten en gebruik maakt van het kritisch burgerrecht?

In mijn optiek ligt het antwoord op deze vraag in de manier waarop de burger omgaat met haar onvrede en in hoeverre de politieke structuren dusdanig zijn ingericht dat bepaalde uitingen van onvrede ook invloed op de politieke besluitvorming hebben. Als onvrede met de politiek of met genomen beslissingen leidt tot, bijvoorbeeld, protest, burgerinitiatieven of de oprichting van een nieuwe politieke partij dan is dit onderdeel van een goede democratie. Ook in de situatie dat, bijvoorbeeld, een regering een beslissing neemt waar 90% van de burgers mee ontevreden is, is er sprake van een goede democratie, wanneer die 90% protesteert en binnen de democratische structuren die aanwezig zijn ook de ruimte heeft om dit protest slagkracht te geven (met als gevolg een verandering van de besluitvorming). Met andere woorden, als onvrede leidt tot actie en het democratisch bestel dusdanig is ingericht dat die actie consequenties heeft voor de besluitvorming, dan balanceert het een en ander zich vanzelf uit en zal een impopulair besluit wat niet de steun van de meerderheid draagt en in die zin legitimiteit ontbeert teruggefloten worden. Ik noem dit productieve onvrede. Echter, onvrede kan ook omslaan in totale scepsis en een dusdanig wantrouwen dat het resultaat een verstarring is, waarbij men niet meer actief deelneemt aan de democratie: een door Van Reybrouck zelf ook benoemd symptoom hiervan is een afnemende stembusgang. Dit is wat ik bestempel als destructieve onvrede. Daarbovenop ontstaat er een probleem wanneer de onvrede en wantrouwen dusdanig groot zijn dat zij een belemmering gaan vormen voor het functioneren van de regering (de door Van Reybrouck benoemde efficiëntieproblematiek). Wanneer burgers zo wantrouwend zijn dat elke zet van politici een totale afrekening tot gevolg kan hebben, dan heeft dit tot gevolg dat politici (zoals ik al benoemde) juist gestimuleerd worden om ‘om de hete brij heen te draaien’ en moeilijke beslissingen uit te stellen, met een negatieve spiraal als gevolg. Instinctieve reacties waarbij de burger vrijelijk voor eigen belang kan kiezen terwijl de vertegenwoordiger meer belangen moet afwegen kunnen een vertegenwoordiger zeker onder druk zetten: het is en blijft riskant om tegen de massa in te gaan. Niet alleen verlies je je populariteit, ook kan je verweten worden ondemocratisch te handelen. Veranderen van mening – ook als de feiten veranderd zijn, er inmiddels meer informatie is, of simpelweg omdat bij nader onderzoek men tot de conclusie komt dat het eerder ingenomen standpunt niet het beste was – wordt afgestraft als draaikonterij. Dit soort prikkels stimuleren vertegenwoordigers om star aan dezelfde punten te blijven vasthouden, om impopulaire beslissingen uit te stellen of op andere wijze te vermijden.

Diagnose: is het de schuld van de electoraal-representatieve democratie?
Wantrouwen dus, als centraal symptoom. Voor een adequate diagnose moeten we echter weten waar dit wantrouwen, deze destructieve onvrede, vandaan komt. Van Reybrouck’s diagnose luidt: het ligt aan de electoraal-representatieve democratie. Hij stelt: ‘wij zijn allemaal electorale fundamentalisten geworden. Wij minachten de gekozenen, maar aanbidden de verkiezingen.’[5] We hebben, zo stelt hij, de democratie gereduceerd tot de representatieve democratie, en de representatieve democratie tot de electoraal-representatieve democratie. Onder invloed van onder meer de veranderende rol van de media is er binnen dit electorale systeem een staat van permanente ‘verkiezingskoorts’ ontstaan, waardoor algemeen belang en lange termijn het keer op keer verliezen van korte termijn en partijbelang. Om deze diagnose te beargumenteren zet Van Reybrouck in een uitgebreide historische verhandeling uiteen dat en waarom van oudsher verkiezingen juist gezien werden als aristocratisch instrument en loting als democratisch. Interessant, maar een historisch perspectief biedt nog geen inhoudelijk argument: dat men voorheen loting als democratisch zag en verkiezingen niet maakt het nog niet waar. Wat we helder moeten krijgen is niet hoe het electorale systeem historisch gezien beschouwd werd, maar of, waarom en op welke manier dit systeem problematisch is en een oorzaak voor de geconstateerde problemen van wantrouwen.

Ik denk dat het antwoord op deze vraag wel geïmpliceerd wordt in Van Reybrouck’s pamflet, maar niet expliciet als dusdanig benoemd, en dat antwoord luidt dat verkiezingen de kloof tussen burger en overheid (en daarmee het wederzijds wantrouwen tussen deze beiden) te groot maken, waar loting deze kloof dan juist zou verkleinen. Het basisidee van een democratie (voor zover dat zomaar in een zin te benoemen is – de term democratie is immers een wijd bediscussieerd concept, een essentially contested concept) is dat mensen niet (arbitrair) geregeerd worden, maar de auteur van hun eigen wetten zijn: het volk regeert zichzelf.[6] Echter, als we de praktijk erbij halen dan kunnen we ons afvragen (1) of ‘het volk’ ook daadwerkelijk regeert en (2) of het volk zichzelf ook als auteur ziet. Vooral de laatste vraag confronteert ons met een zekere kloof tussen ideaal en realiteit – zo heeft 50% van de Nederlanders het idee dat ze geen invloed hebben op de regeringspolitiek en denkt slechts 20% dat hij/zij in staat is een actieve rol in de politiek in te nemen. 68% ervaart een kloof tussen politiek en burger.[7] Politiek filosoof en proponent van het agonisme[8] Bonnie Honig merkt in dit kader op:  ‘de algemene wil[9] kan nooit gelijkelijk in het belang van iedereen zijn, noch gelijkelijk door iedereen gewenst. Zelfs áls ze zo volledig gewenst was, dan nog ervaren hun auteurs haar als vreemdsoorting wanneer ze een bron van wetgeving wordt en burgers niet langer alleen de auteur van deze wetten zijn, maar ook het subject.’[10] Van Reybrouck verwijst hier in zijn uiteenzetting van het door hem voorgestelde aleatorische systeem wel indirect naar als hij stelt: ‘Democratie is niet het bestuur door de besten in onze samenleving; zoiets heet aristocratie, ook al is die gekozen. […] Democratie, daarentegen, gedijt juist door een diversiteit aan stemmen aan het woord te laten. Het gaat om gelijke zeggenschap, om het gelijke recht “om politiek handelen te bepalen” […] Het gaat, kortom, om regeren en geregeerd worden, om government of the people, for the people, maar eindelijk ook by the people.’[11] In een electoraal-representatief sys-teem (door Van Reybrouck als in basis aristocratisch[12] bestempeld) is het ambt van vertegenwoordiger, hoewel in theorie toegankelijk voor elke volwassen burger met de Nederlandse nationaliteit, in de praktijk niet voor eenieder bereikbaar (omdat het bepaalde connecties, kwaliteiten, investeringen et cetera vereist). In die zin is er een praktische kloof tussen burger en politicus, en deze kloof wordt nog verder uitgediept door de eerder benoemde negatieve spiraal van sceptische burger en verstarde politicus, een spiraal die natuurlijk juist kan bestaan bij gratie van het principe dat een vertegenwoordiger verkozen wordt en dus zijn populariteit moet behouden.

Loting: een incompleet medicijn
Een systeem van loting (waarbij de niet verkozen wordt uit kandidaten, maar door loting onder alle burgers bepaald) zoals Van Reybrouck voorstelt zou de afstand tussen burger en regering dan kunnen verkleinen, omdat het explicieter de twee rollen die de burger in één lichaam behelst naar voren brengt: die van zowel subject als auteur van de wet. Als iedereen een kans maakt om onderdeel uit te maken van de regering, zonder dat hier specifieke eisen van kracht zijn zoals bepaalde vaardigheden en zonder dat hier een ‘populariteitswedstrijd’ aan vooraf gaat, dan is de regering daadwerkelijk een arbitraire selectie van ‘gewone’ burgers in plaats van een ‘elite’ van experts. Een regering van gewone burgers waar iedereen – bij kans – gewoon in kan komen, versterkt dat niet het gevoel van de burger dat zij niet enkel geregeerd wordt, maar ook regeert?  Van Reybrouck stelt: ‘Tijdens een deliberatief proces gebeurt er vaak iets merkwaardigs: politici verliezen hun wantrouwen jegens de burger, net zoals burgers hun wantrouwen jegens de politiek verliezen.’[13] Een systeem waarin burgers en professionals samen regeren, zoals Van Reybrouck uiteindelijk adviseert (een gecombineerd aleatorisch en electoraal systeem – een bi-representatief stelsel, dat uit meerdere lichamen bestaat – multi-body sortition), doet dat dan niet exact dat, namelijk het creëren van een deliberatief proces dat het onderling wantrouwen wegneemt? Voorts hoeven gelote burgers zich niet, zoals gekozen politici, druk te maken om hun herverkiezing. Daarmee kunnen zij vrijer handelen, wat de negatieve wederzijdse invloed van een wantrouwende burger en een politicus die afhankelijk is van die wantrouwende burger (met als resultaat verstarring, ‘draaikonterij’, waarop dan weer een toenemend wantrouwen volgt) wegneemt.

Maar loting is evenmin de heilige graal als verkiezingen. Het idee van loting pakt in basis enkel het proces via welke vertegenwoordigers hun functie krijgen aan: het zegt ons nog niets over de manieren waarop gedurende de regeringsperiode invloed op de besluitvorming uitgeoefend kan worden – hoe, in andere woorden, de productief ontevredenen hun stem kunnen uiten en doen gelden. Daarmee zijn we tot dusver aan voorbij gegaan aan vraag (1) die ik twee alinea’s terug stelde: (in hoeverre) regeert het volk ook daadwerkelijk? Die kwestie valt of staat niet alleen bij de vraag of het representatieve lichaam de burger ook daadwerkelijk vertegenwoordigt (al dan niet door verkiezing of loting benoemd), maar evenzeer bij de vraag in hoeverre het politieke bestel voldoende kanalen biedt voor productief ontevreden burgers om hun invloed uit te oefenen. Want meer nog dan een gevoelsmatige kloof tussen regering en burger is de mate waarin de burger zelf daadwerkelijk invloed kan uitoefenen van belang voor het al dan niet ontstaan en bestaan van destructieve onvrede. Het is niet (enkel) het representatieve systeem dat sceptische, (destructief) ontevreden burgers genereert: een productief ontevreden burger die al jarenlang geen adequaat kanaal heeft kunnen vinden om zijn onvrede te uiten en invloed uit te oefenen op de processen of de besluitvorming, kan zeer goed uiteindelijk een destructief ontevreden burger worden.

De vraag welke kanalen er (los van het moment en de manier waarop de regering bepaald wordt, en buiten die regering om) zijn voor het uiten van onvrede over een bepaalde beslissing of koers is bovendien bij een systeem van loting wellicht nog wel belangrijker dan bij een systeem van verkiezingen, juist omdát wie uitgeloot wordt om in de regering plaats te nemen geen druk ervaart van een electoraat dat achteraf zijn handelingen bestraft dan wel beloont met stemmen. Natuurlijk moet elke verkozene in overleg treden met alle andere gekozenen en zal het sluiten van compromissen onvermijdelijk zijn, maar dat garandeert nog niet dat wat de gelote regering doet altijd overeenkomt met wat de meerderheid wil of dat de gelote regering in die zin daadwerkelijk altijd de burgers vertegenwoordigt. Van Reybrouck stelt zelf juist dat democratie niet enkel het inkleuren van een vakje eens in de vier jaar is. Dat is waar, maar het is evenmin het eens in de zoveel tijd uitloten van een vertegenwoordiging. Een gelote regering mag misschien minder makkelijk te corrumperen zijn dan een gekozen regering (die onder meer door de populariteitswedstrijd die het elke vier jaar moet ondergaan nogal wat perverse prikkels ontvangt), hij staat door het gebrek aan afrekening aan het einde van de termijn ook losser van de wil van de overige burgers en is in die zin minder gebonden aan hen. Zonder een uitbreiding van de kanalen zodat de onvrede van de burger haar weg kan vinden naar de politiek – of die nu bestaat uit een gekozen of een gelote regering – blijft de democratische legitimiteitscrisis voortbestaan, en zal een systeem van loting misschien zelfs averechts werken – waar aan de ene kant een groter gevoel van auteurschap bewerkstelligd wordt doordat de kloof tussen burger en regering verkleind wordt (de regering bestaat immers uit ‘gewone burgers’), wordt die wellicht aan de andere kant weer weggesnoept doordat diezelfde gelote regering zonder last en ruggespraak (in de zin dat de gelote regering niet afgestraft wordt door de burger – tussen de verschillende overheidscomponenten onderling zijn er diverse checks and balances) kan doen wat haar goeddunkt.

Er moet, kortom, voldoende ruimte zijn voor een zogenoemde ‘tegen-democratie’.[14] Elke theorie faalt indien zij niet ook aandacht besteed aan het zorgdragen voor kanalen – buiten de gevestigde politiek om – via welke de burger om haar stem te doen gelden en invloed uit te oefenen op de beslissingen. Het is in die zin jammer dat Van Reybrouck zich enkel focust op het principe van verkiezingen versus loting; want hoewel loting, zoals beargumenteerd, inderdaad enkele problemen zou kunnen wegnemen en in die zin zeer zeker een interessant idee is, is het weinig waard zonder verdere democratische structuren die hun plek hebben binnen de zogenoemde civil society en die een link vormen tussen burger en regering (geloot of gekozen).

Anita van Rootselaar (1983) heeft Politieke Filosofie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht en de Radboud Universiteit Nijmegen. Op dit moment is ze onder meer bestuurslid van D66 Gelderland en freelance tekstschrijver.


[1] Hoewel dit wat mij betreft niet de meest adequate definiëring van het begrip legitimiteit is, omvat het inderdaad wel enkele essentiële aspecten van dit concept, en voor het gemak van het argument hou ik Van Reybrouck’s definitie hier aan.

[2] Zie voor een uitgebreide verhandeling over het fenomeen wantrouwen en de ontwikkeling hiervan ook: Dorian Schaap, ‘Een vertrouwenscrisis? Ontwikkelingen in het vertrouwen van burgers in de politie in Nederland en Europa’ Volonté Générale n°4 (2013) 43-48.

[3] Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Vertrouwen in verkiezingen, stemprocedure, instellingen en mensen’ (2012) online beschikbaar via:  http://bit.ly/1uVK1lS (geraadpleegd op 29 mei 2014) en Idem, ‘Beoordeling politiek en democratie’, online beschikbaar via:  http://bit.ly/1jkAagb (geraadpleegd op 29 mei 2014).

[4] David Van Reybrouck, Tegen verkiezingen (Amsterdam 2013) 11.

[5] Van Reybrouck, Tegen Verkiezingen, 41

[6] Zie bijvoorbeeld auteurs als Rousseau (die in Du Contrat Social stelt dat mens vrij geboren is, en een rechtvaardiging zoekt voor haar ‘ketenen’) en Locke.

[7] CBS, ‘Beoordeling politiek en democratie’.

[8] In het zeer kort samengevat: de idee dat conflict juist een essentiële basis voor democratie vormt en dat we juist niet zouden moeten streven naar consensus.

[9] Hiermee wordt verwezen naar Rousseau’s volonté générale.

[10] Bonnie Honig, Emergency Politics: Paradox, Law, Democracy (Princeton 2008) 122.

[11] Van Reybrouck, Tegen verkiezingen.,142.

[12] Zie ook het interview met Frank Ankersmit in Volonté Générale no 1 (2012) 52-57, die hier spreekt over een ‘electorale aristocratie’.

[13] Van Reybrouck, Tegen verkiezingen, 120.

[14] Zie: P. Rosanvallon, La Contre-démocratie (Paris 2006).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>