Het postmodernisme is onontkoombaar

Remy Maessen

Het onderstaande is een reactie op het artikel ‘Het einde van het postmodernisme?’ van Jordy Geerlings in Volonté Générale (2011-1)In dit artikel betoogt Geerlings dat het  postmodernisme in de filosofie als stroming veel invloed heeft verloren in de laatste jaren. Hij wijst erop dat vooral in Frankrijk, dat een grote impuls leverde aan dit gedachtegoed, nu steeds meer wordt gesproken van een omwenteling, zelfs een  terugkeer naar de voorheen verguisde idealen van de Verlichting en de moderniteit. 

In de vorige editie van dit tijdschrift hield Jordy Geerlings een betoog waarin hij de hoop uitsprak dat de filosofie in de toekomst niet slechts veroordeeld zal zijn door de postmoderne tendensen.[1] Sterker nog, hij constateerde dat het postmodernisme al op zijn retour is en dat er antwoorden worden gevonden op postmodernistische vraagstukken. Het artikel voorzag mij geenszins van deze antwoorden, het riep eerder vragen bij mij op. Waarom is het zo moeilijk om antwoorden te vinden vanuit een postmodernistisch perspectief? Om de problemen die hierbij komen kijken te illustreren, wordt een overzicht geboden van een tweetal filosofische tradities. De eerste traditie heb ik de ‘Augustiniaanse’ genoemd en de tweede de ‘Nietzscheaanse’. Essentieel voor de vraag die ik in dit artikel stel, is het verschillende tijds- en geschiedbeeld binnen deze filosofische tradities. Immers, de manier waarop naar het verleden wordt gekeken, is van grote invloed op de reactie daarop in het heden. Oftewel: de vraagstukken uit het verleden vinden andere antwoorden in het heden, wanneer we anders naar de relatie tussen verleden en heden kijken.

De Augustiniaanse traditie
De Augustiniaanse traditie dankt zijn naam aan Kerkvader Augustinus van Hippo, die leefde tussen 354 en 430. In zijn werk De Civitate Dei (vermoedelijk geschreven tussen 413 en 426) maakte hij een einde aan de opvatting dat geschiedenisverloop cyclisch was: er is geen doelmatigheid en gebeurtenissen uit het verleden keren, wellicht in een wat andere verschijningsvorm, terug in het heden.In De Civitate Dei verruilde hij deze cirkel voor de lijn: geschiedenis was volgens Augustinus het grote verhaal, een groot proces met een duidelijk begin en einde. Alle gebeurtenissen die zich daartussen bevinden, hebben iets met deze lijn te maken.[2] Het begin zag Augustinus in de Schepping zoals beschreven in Genesis en het einde zag hij in het Laatste Oordeel. Met dit Laatste Oordeel zorgde Augustinus er inderdaad voor dat het lijn van het tijdsverloop een einde kreeg: alle geschiedenis zou in het vervolg in het teken staan van deze gebeurtenis in de toekomst, waarvan we het tijdstip echter niet kunnen kennen. De, op dogmatische leest geschoeide geschiedenis gaat doelmatig op dit punt af. Op deze wijze beschrijft én introduceert Augustinus een geschiedenis waarin niet teruggekeken wordt, maar op een punt in de toekomst gefocust wordt. In de Middeleeuwen was dit het dominante tijdsmodel.

Met de Verlichting wordt vaak aan een breuk in denktradities gedacht waarin een nieuwe, meer rationele manier van denken een einde maakt aan de dominante Christelijke denktraditie. In de Verlichting werd de geschiedenis als proces ‘ontdekt’. De geschiedenis was volgens moderne filosofen een causaal verband geworden en kreeg daarom een  bepaalde waarde.[3] Ik wil echter laten zien dat ook verlichte denkers in de Augustiniaanse traditie geplaatst kunnen worden. Invloedrijke verlichte denkers zijn Immanuel Kant en Georg Wilhelm Hegel. Kant formuleerde in zijn Idee zur einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht (1784) het bestaan van een algemeen plan in de geschiedenis. Kant zag dat dit algemeen plan gestuurd werd door zogenaamde natuurwetten, waaraan ook de individuele mens onderhevig was.[4] Deze natuurwetten zorgden er dan ook voor dat de geschiedenis een bepaald verloop kreeg: de natuur ontplooide zich continu, totdat de mens de volmaakte redelijkheid bereikte.[5] Op die manier was er in Kants geschiedenis een heilsplan vergelijkbaar met dat van Augustinus aanwezig. Echter, in plaats van de sturende kracht van de weg naar het Laatste Oordeel was nu de sturende kracht de continue ontplooiing van redelijkheid. Net als Kant, nam ook Hegel het heilsplan van Augustinus over. In Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte, een reeks lezingen van de filosoof die plaatsvond tussen 1822 en 1830, doopte hij het ontplooiingsproces van Kant om en noemde hij het een dialectisch proces. Daarbinnen is geschiedenis een ordelijk verlopend proces dat geen toevalligheden kent, maar waarin juist alle incidentele gebeurtenissen te plaatsen zijn.[6] Hegel formuleerde dit proces als volgt: eerst wordt er een these geponeerd, waartegen een antithese wordt ingebracht. Uiteindelijk zullen beide begrippen opgaan in de synthese, die een these wordt op het moment dat er weer een antithese wordt geformuleerd. Zodoende ontwikkelt de geest – en daarmee de geschiedenis – zich continu, zodat er een steeds betere waarheid kan worden gevonden.

Karl Marx gaf het ontplooiingsdenken van Hegel en Kant een politieke lading. Ook hij beschreef in zijn Das Kapital (1867) een proces van continue ontwikkeling, waarin het proletariaat zich probeerde vrij te vechten van de bourgeoisie.[7] Alle opstanden die de geschiedenis ooit gekend had – een Hegeliaans dialectisch proces – zouden in het teken staan van een ‘Dag des Oordeels’: de ultieme vrijheid zou kunnen worden bereikt met de proletarische revolutie. Marx kopieerde het proces van de voortschrijdende geschiedenis en maakte er een politieke variant van. Vanuit dit perspectief kan Marx in de traditie van Augustinus geplaatst worden.

De Nietzscheaanse traditie
Na eeuwenlang de leidende traditie te zijn geweest, ontstonden er scheuren in dit Augustiniaanse model met de komst van de filosoof Friedrich Nietzsche aan het einde van de negentiende eeuw. In Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben (1874)[8] ontkende Nietzsche de doelmatigheid die Augustinus, Kant, Hegel en Marx hadden bepleit. Hij deed dat met de uitvinding van perspectiviteit van het geschiedverhaal: doordat er van dezelfde geschiedenis meerdere verhalen op te tekenen zijn, wordt het kennen van het grote historische plan ondermijnd. Elk geschiedverhaal was gepolitiseerd. De herinnering beschouwde hij als een bij uitstek particulier fenomeen. Volgens Nietzsche was het leven juist ahistorisch en stond het geenszins in het teken van een groots heilsplan. Met de ontkenning van de doelmatigheid van de geschiedenis ontkende hij het bestaan van een drijvende kracht in de geschiedenis. Hij maakte daarmee dus niet alleen God dood, maar hij ontkende ook de drijvende krachten in de geschiedenis die Kant, Hegel en Marx beschreven. De geschiedenis was geen lineair verband meer, maar een wirwar aan herinneringen, toevalligheden. Het heden was geen logisch gevolg van de geschiedenis, maar stond op zichzelf. De wetenschap die nog probeerde het proces van geschiedenis te kennen, hield zichzelf voor de gek: ze bestudeerde slechts het door zichzelf geconstrueerde beeld van die geschiedenis.

De ontdekking van perspectiviteit maakte dat de filosofie op een nieuw, groot probleem stuitte  waarmee moest worden omgegaan. Filosofen na Nietzsche werden dan ook bij uitstek door hem beïnvloed, waarmee het gerechtvaardigd is aan zijn naam de nieuwe traditie op te hangen. In deze traditie is, zoals Geerlings aangeeft, Martin Heidegger (1889-1976) te plaatsen, maar ook Jacques Derrida (1930-2004) en met name Michel Foucault (1926-1984). Foucault zette in deze traditie zelfs een nieuwe, verstrekkendere stap. Hij stelde dat niet alleen het geschiedverhaal, maar ook de taal an sich aan lease-activiteit onderworpen was. Ieder geschiedverhaal en iedere wetenschap zou beginnen met een talige constructie die slechts gevormd werd door het perspectief van de auteur. Elke auteur kon dus zijn eigen waarheid vinden, die op haar beurt een talige constructie is. De zoektocht naar die waarheid zelf werd dan óók een constructie die aan perspectief onderhevig was en daarmee werd dus ook het dialectisch proces van Hegel met these, antithese en synthese simpelweg als een ‘manier van denken’ weggezet. De noodzaak tot argumenteren verdween en het argumenteren als denkwijze op zich was aan perspectief onderhevig. Met deze manier van denken was het postmodernisme uitgevonden.

Met de nadruk op perspectiviteit en gepolitiseerdheid van het geschiedverhaal, opende de Nietzscheaanse traditie eigenlijk helemaal geen aanval op de Augustiniaanse traditie. Het deed iets dat een groter gevolg had: het zou de traditie wegzetten als ‘een manier van denken’. Dat dit bij uitstek in strijd was met de manier van de doelmatigheid in het grote verhaal, die de filosofen in deze traditie hadden beschreven, is waarschijnlijk pijnlijk voor henzelf, maar niet voor de postmodernisten. Zodoende geschiedt het ‘neutraliseren van postmoderne denkers’, aldus Geerlings, door middel van het ‘op dialectische wijze meenemen naar een volgend stadium van denken.’[9] Met deze zin legt Geerlings precies de pijn bloot van het debat, namelijk: wanneer er wordt gesuggereerd dat het postmodernisme een stap is in het dialectisch proces van denken, moet je jezelf verplichten om het postmodernisme te ontkennen. Immers, wanneer je niet gelooft dat er iets bestaat als een dialectisch proces of een voortschrijdende geschiedenis, maar dat elke geschiedenis onderhevig is aan perspectief, dan kun je het postmodernisme niet als een stap in datzelfde dialectisch proces zien.

De strijd tegen de bestaande machtsverhoudingen die het postmodernisme heeft gevoerd, is mislukt, aldus Geerlings.[10] Ik ben van mening dat deze strijd nog altijd bezig is. Wanneer alle meningen even zwaar wegen en daarmee geen enkele mening hoger kan worden gewaardeerd dan anderen, omdat ze simpelweg een andere invalshoek hebben, verdwijnen moraal en ethiek uit de samenleving. Met de recente opkomst van populisme in Europa, wordt de laatste jaren een aanval gepleegd op elke politieke autoriteit. Met de recente twijfel over rechterlijke macht in Nederland, wordt een aanval gepleegd op rechters, die vanaf nu dus ook slechts hun mening verkondigen. Met het toenemende secularisme in West-Europa wordt de autoriteit van de Kerk bediscussieerd en met het gebrek aan vertrouwen in de wetenschap, verdwijnt ook de autoriteit van Wetenschap met een hoofdletter ‘W’ uit de samenleving. Maar kan het postmodernisme autoriteit laten verdwijnen uit de samenleving? Kan autoriteit verdwijnen? Is het deconstrueren zélf niet een constructie op zich?

Uiteindelijk kan het postmodernisme niet verslagen worden door een andere manier van denken, omdat het andere stromingen simpelweg wegzet als denkmanieren met een perspectief. Het postmodernisme kan alleen aan zichzelf ten onder gaan: als je alle stromingen wegzet als perspectivistisch geneuzel, moet je ook jezelf niet serieus nemen. Op het moment dat het postmodernisme over het postmodernisme gaat oordelen, krijg je een Droste-effect. Waar een proces wordt gedestructureerd, is ook deze destructie een perspectivistische taalconstructie. Het zorgt ervoor dat er geen mogelijkheid is om antwoorden te vinden op vragen. Het postmodernisme in de meest radicale vorm heeft immers helemaal geen behoefte aan antwoorden of argumentering. En wat blijft dan over?

Remy Maessen (1987) volgt de masteropleiding Politiek en Parlement aan de Radboud Universiteit Nijmegen.


[1] J. Geerlings, ‘Het einde van het postmodernisme’, Volonté Generale n°1 (2011) 9-15, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/5543334625/volonte-generale-2011-1 (geraadpleegd op 2 september 2011).

[2] A. Augustinus, De Stad van God (Amsterdam 2007) 43, 673-681.

[3] H. Arendt, Between Past and Future. Six exercises in Political Thought (New York 1961) 68.

[4] I. Kant, ‘Idee zur eine allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht’, (1784); beschikbaar via: http://gutenberg.spiegel.de/buch/3506/1 (geraadpleegd op 2 september 2011).

[5] R. Arons, De zin der geschiedenis (Utrecht 1963) 11.

[6] G. Hegel, Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte (1822-1830), Beschikbaar via: http://www.lrz.de/~hgvm/Hegel-PhG.pdf (geraadpleegd op 28 juli 2011).

[7] K. Marx, Das Kapital (Washington 1996).

[8] F. Nietzsche, ‘On the Use and Abuse of History for Life’ (1874, herz. 2010), beschikbaar via: http://records.viu.ca/~johnstoi/Nietzsche/history.htm (geraadpleegd op 2 september).

[9] Geerlings, ‘Het einde van het postmodernisme’, 14.

[10] Ibidem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>