Een eigen pad kiezen, of ook kijken welke nieuwe er nog gebouwd kunnen worden?

Anneke Comello

‘Women still can’t have it all. […] not today, not with the way America’s economy and society are currently structured’, stelt de Amerikaanse professor en moeder Anne-Marie Slaughter in een essay dat in juli jongstleden verscheen in The Atlantic.[1] Dit artikel deed in Amerika, maar ook in Nederland (waar bijvoorbeeld een verkorte vertaalde versie verscheen in NRC Handelsblad, gevolgd door diverse opiniestukken en ingezonden brieven) veel stof opwaaien.[2] In deze bijdrage wil ik enkele punten uit Slaughter’s essay in verband brengen met de discussie geïnitieerd door Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke met het artikel ‘Wat is feminisme 3.0’ in het eerste nummer van Volonté Générale van dit jaar.[3] In dit artikel, en ook in de reactie van Eva Hage hierop in het tweede nummer van VG,[4] wordt gesproken over een individuele reflectieve mindset, die kenmerkend kan zijn voor een ‘feminisme 3.0’ (wat door de auteurs terecht net zo goed van toepassing wordt geacht op mannen als op vrouwen). Echter, de manier waarop deze mindset uiteen wordt gezet gaat mijns inziens voorbij aan het feit dat jezelf een positie geven in de samenleving en je eigen pad kiezen niet alleen een kwestie is van (zelf)bewustzijn en individuele keuzes, maar ook een bredere reflectie vereist op bestaande handelingsruimte in de maatschappij en wat daarin nog te veranderen valt.

Als ik voor mezelf spreek, heeft het artikel wel bereikt wat De Beer en Ten Brinke in de eerste plaats stellen te willen bereiken: bewustwording en aan het denken zetten over ‘je identiteit, ambities en positie in je sociale omgeving.’[5] Ik heb in de maanden volgende op het lezen van hun artikel met een nieuwe blik gekeken naar mijn eigen worstelingen met hoe ik mijn toekomst voor me zie als jonge hoogopgeleide vrouw, op een nieuwe manier stukken gelezen in kranten en tijdschriften, en verhalen aangehoord en discussies gevoerd met leeftijdsgenoten en mensen van andere generaties. Maar als er iets is dat mijn studie als historica-in-spé mij tot nu toe heeft doen inzien, is dat de loop van de geschiedenis in zijn geheel alsmede die van individuele levens niet alleen wordt bepaald door individuele agency – hoe graag bepaalde emancipatoire groepen soms ook hun eigen rol in de geschiedenis naar voren willen brengen –, maar dat deze verweven is in een warrig en vaak complex geheel van grotere culturele en structurele invloeden. Ik denk dat dit allesbehalve een excuus is om niks te doen (ik ondersteun van harte het idee van een ‘begin bij jezelf’)[6] of om individuele agency in het algemeen te ontkennen. Echter, ik zou wel willen stellen dat dit een essentiële gewaarwording is om te begrijpen dat alleen zelf kiezen en het ontwikkelen van een eigen mindset niet voldoende is.

Als we deze beide zijden van de munt niet volledig tot hun recht laten komen in discussies over wat er nog in de samenleving te emanciperen valt, dreigen er volgens mij twee gevaren. Enerzijds, zoals ook Anne-Marie Slaughter in haar artikel opmerkt, het gevaar dat zij die er niet in slagen hun individuele keuzes (bijvoorbeeld een combinatie van werk en gezinsleven) tot een succesvol einde te brengen hiervoor alleen zelf verantwoordelijk worden geacht. Anderzijds het gevaar dat er onvoldoende respect is voor het recht om je leven in te vullen zoals jij dat zelf goed acht, dus om niet per se een hoogste carrière na te streven of om juist geen gezin te hebben of wat anders dan ook bij jouw eigen levensinvulling past. Of, zoals Renée ten Cate het scherp verwoordt in een tweede reactie op De Beer en Ten Brinke’s artikel, dat, buiten situaties waarin ‘de vrijheid om te kiezen [in het geding komt] door een structureel en bovendien bewijsbaar gebrek aan gelijke kansen […] het recht van vrouwen op een “pluizig leven” er ook mag zijn.’[7] Ik meen echter dat als het gaat om individuele keuzes en vrijheden in de maatschappij (zowel voor vrouwen als voor mannen), er niet alleen aandacht moet worden besteed aan structurele ongelijkheid, maar ook aan het faciliteren van individuele handelingsruimte, wat eveneens maar wellicht op andere wijze samenhangt met grotere sociale invloeden. Hoewel ik erken dat de tweede feministische golf voor vrouwen op institutioneel gebied in grote mate gelijke rechten en kansen heeft opgeleverd, blijken de keuzemogelijkheden die vrouwen (en mannen) in staat zouden stellen om hun leven zo in te richten als zij het zouden wensen en zoals het bij deze huidige tijd zou passen niet altijd realistisch te zijn.

In haar recente essay in The Athlantic doet Anne-Marie Slaugther, professor aan Princeton en moeder van twee puberkinderen, openhartig uit de doeken hoe zij tijdens een tweejarig dienstverband als de eerste vrouwelijke voorzitter van de interne beleids-denktank van het Amerikaanse State Department tot de conclusie kwam dat het voor haar onmogelijk was om twee veeleisende levenstaken – gezin en een topbaan – tot een werkzame balans te brengen. Zij beschrijft eveneens hoe, wanneer zij hierover vertelde, andere Amerikaanse carrièrevrouwen geschokt waren te horen dat Slaughter de ‘droom’ van het gelijkheidsfeminisme – vrouwen kunnen toegang krijgen tot wat voor functie dan ook en bovendien, als ze maar gedreven en ambitieus genoeg zijn, zowel een gezin als een glanzende carrière hebben – botweg met de grond gelijk maakte. De lastige balans tussen gezin en werk, vooral in topfuncties, is een punt dat – in vele vormen en wellicht voor sommigen tot vervelens toe – centraal staat in veel discussies over vrouwen en participatie op de betaalde arbeidsmarkt. Maar wat mij bijzonder raakte was Slaughter’s opmerking dat ze tot het besef kwam dat:

I’d been the woman smiling the faintly superior smile while another woman told me she had decided to take some time out or pursue a less competitive career track so that she could spend more time with her family […] I’d been the one telling young women at my lectures that you can have it all and do it all, regardless of what field you are in. Which means I’d been part, albeit unwittingly, of making millions of women feel that they are to blame if they cannot manage to rise up the ladder as fast as men and also have a family and an active home life (and be thin and beautiful to boot).[8]

Het is exact dit punt waarmee Slaughter’s artikel mij opnieuw en kritisch deed kijken naar het artikel van De Beer en Ten Brinke. Voor mijn gevoel wordt een vergelijkbaar standpunt ook duidelijk in De Beer en Ten Brinke’s stuk ‘Wat is feminisme 3.0?’ en zeker in het artikel ‘Het academische slagveld’ op hun blog Bitches and Barnicles.[9] In beide ligt de nadruk op het activeren van bewustzijn onder hoogopgeleide jongeren. Zo stellen zij in ‘Wat is feminisme 3.0?’ – onder meer in reactie op vragen als ‘Hoe kunnen vrouwen doorstoten in het wetenschappelijke bedrijf?’, ‘Hoe zorgen we dat hoogopgeleide vrouwen hun opgedane talenten niet verspelen?, en ‘Hoe veranderen we het beeld van de ambitieloze, hoogopgeleide thuismoeder?’ – dat:

Gewoontes en natuurlijk gedrag zijn echter door en door constructies van onszelf en vaak van zeer recente aard. In Nederland zouden vrouwen minder vaak kiezen voor een bètastudie, een andere manier van werken hebben, een neiging om het liefst thuis bij de kinderen te blijven, minder competitief te zijn. Arme man, arme kindjes en arme perfecte vrouw. Eenmaal een identiteitsbewuste vrouw is het moeilijk om je ogen te sluiten voor deze zaken. […] Belangrijker dan het doorwerken van de tweede feministische golf is dat het nadenken over de eigen identiteit, sociale positie en ambitie – wat dit ook mag zijn – een vast gegeven moet zijn voor jonge, en zeker hoogopgeleide, mensen.[10]

In ‘Het academische slagveld’ schrijven zij over het ontbreken van doorgroei van vrouwen op de wetenschappelijke carrièreladder:

Laten we realistisch zijn. Een succesvolle carriere [sic] is moeilijk voor mannen en vrouwen. Slechts een zeer klein percentage van de studenten zal ooit hoogleraar worden. Elke academicus in spe wordt continue [sic] geplaagd door een grote onzekerheid. Kan ik dit wel? Ben ik niet een fake? De academische loopbaan voor vrouwen is daarbij nog wat harder. Het is een slagveld waar de meest getalenteerde vrouwen uitkomen maar dit zijn ook degenen die de regels van het slagveld snappen. Het werkt ontmoedigend: Ben ik de pluis die het niet gaat redden? Een mindset die kan veranderen door te beginnen bij het individu. Fase één is bewustwording van het probleem. Fase twee is een harde 3.0 attitude. Vrouwelijke studenten en promovendi de straat op om te verklaren: Ja wij kunnen dit en wij hebben de ambitie.[11]

Maar ik vraag me af of het werkelijk de enige of voornaamste kwestie is of vrouwen al dan niet mee kunnen komen in de ‘regels van het slagveld’ en of zij al dan niet sterk genoeg zijn om de eigen onzekerheden – ‘ben ik de pluis die het niet gaat redden?’ – te overwinnen? En, in navolging daarvan, vraag ik me af of het voldoende is om ernaar te streven zoveel mogelijk vrouwen te laten nadenken over hun eigen identiteit om structurele veranderingen te bewerkstelligen, bijvoorbeeld op het gebied van het ‘doorstoten’ van vrouwen in de top van het wetenschappelijk bedrijf. Hoewel ik hier niet genoeg vanaf weet om exacte uitspraken te doen, durf ik desondanks te suggereren dat ik denk dat er meer in het debat gebracht moet worden, willen we niet het risico lopen dat individuen – en vooral vrouwen – alleen zelf de ‘schuld’ krijgen toegespeeld. Er wordt in veel discussies over geringe arbeidsparticipatie van vrouwen in de (wetenschappelijke) top bijvoorbeeld gesproken over het lastige feit dat bestaande onbewuste invloeden bij benoemingen en eisen voor functies mannen prevaleren over vrouwen. Ik denk echter dat een discussie over keuzemogelijkheden van vrouwen evenmin voorbij kan gaan aan – vaak beperkte, of in ieder geval niet altijd toereikende – mogelijkheden om privé en werk op een nieuwe manier te combineren. Ik denk dat het duidelijk moge zijn, zoals ook opgemerkt wordt in de eerdere artikelen in Volonté Générale over feminisme 3.0, dat dit niet alleen is iets voor vrouwen, maar evengoed voor mannen. De balans tussen werk en privé, waaronder zorg voor kinderen, maar ook andere manieren om op een waardevolle manier te participeren in de samenleving, bijvoorbeeld door zorg voor anderen of vrijwilligerswerk, lijkt niet altijd te stroken met een ’succesvolle carrière’.

Naar mijn mening is het noodzakelijk om juist dit laatste onder de loep te nemen en ons af te vragen of dat werkelijk alleen een kwestie van individuele invulling en een gedreven, zo niet harde, attitude betreft, of dat ook bestaande maatschappelijke structuren hiertoe onvoldoende ruimte geven? Slaughter stelt dat ‘I believe that we [women] “can have it all at the same time”. But not today, not with the way America’s economy and society are currently structured’. Ik denk dat zij daarin in grote mate gelijk heeft en dat we ook na zouden moeten denken over de situatie in Nederland. Slaughter geeft aan dat er meer carrières alsmede andere maatschappelijke functies gefaciliteerd zou worden als een betere balans tussen werk en thuis vereenvoudigd wordt door flexibeler werken en aanpassing van schooltijden. Bovendien stelt zij dat er veel gewonnen kan worden door op een nieuwe manier na te denken over hoe ‘carrière’ en ‘ambitie’ in de bedrijven opgevat en ingevuld worden. Ook – en vooral, zou ik willen stellen – op dit vlak lijken individuele behoeftes en bestaande structuren lang niet altijd bij elkaar aan te sluiten. Dat iemand part-time werkt hoeft volgens mij inderdaad niet te betekenen dat diegene geen bereidheid of ‘ambitie’ heeft om iets te betekenen voor een bedrijf of instelling en voor de samenleving als groter geheel, noch dat binnen een part-time functie niet de wens en mogelijkheid kan bestaan om toch verder op de carrièreladder te klimmen, zij het wellicht op een niet-lineaire of wat langzamere manier.

Het doet mij er onvermijdelijk aan denken dat de manier waarop in de samenleving gedacht en gehandeld wordt op het gebied van ambitie en carrière maken, nog steeds in te sterke mate lijkt voort te komen uit een systeem waarin er voor één mannelijke kostwinner in het gezin de ruimte was om vanaf het moment waarop de studie afgerond was door middel van een laag beginnende functie en vervolgens in een lineair toenemende lijn carrière te maken. Een manier die volgens mij niet strookt met een leven waarin verschillende taken die voorheen over de seksen verspreid waren, nu in de eerste plaats vanuit het individu bekeken worden, al dan niet in gezinsverband. Misschien past het sommige vrouwen én mannen wel beter om later carrière te maken, af en toe een pas op de plaats te maken en pas op latere leeftijd weer meer op de betaalde arbeidsmarkt te participeren. Enerzijds kun je dan inderdaad zeggen dat het mensen hun eigen keuzes zijn. Maar dat dit wel reële consequenties kan hebben voor carrières, wordt daarbij volgens mij in de discussie tot nu toe onderbelicht gelaten. Om die reden ben ik het ook niet helemaal eens met Eva Hage die stelt dat ‘de kansen [er] liggen voor beide seksen om hun levens naar eigen inzichten vorm te geven’ en dat het vooral neerkomt om ‘moed’ hebben om een levensstijl te hanteren die ‘afwijkt van wat in haar omgeving gemiddeld is.’[12] Naast de mindset om op het eigen leven te reflecteren en eigen keuzes af te wegen, zoals De Beer en Ten Brinke, maar ook Hage en Ten Cate onderstrepen, is het mijns inziens ook belangrijk om te onderzoeken – zoals Slaughter doet in haar essay – wat er in de samenleving gefaciliteerd kan worden om keuzes soms makkelijker, effectiever en breder te maken. Kortom, om niet alleen zelf bewust te kiezen welk pad je wilt bewandelen, maar ook om samen na te denken over welke paden we met elkaar nog kunnen aanleggen. Dit is niet alleen een kwestie van individueel bewustzijn, maar ook van individuele handelingsruimte. Daarbij horen ook reflecties op grotere culturele en sociale structuren die daarop van invloed zijn, en hoe daarin verandering zou kunnen worden aangebracht.

 Anneke Comello (1988) volgt de onderzoeksmaster Historische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en is tevens werkzaam als student-assistent voor Dr. Hilde Bras.


[1] A. Slaughter, ‘Why Women Still Can’t Have It All’, The Atlantic, beschikbaar via http://www.theatlantic.com/magazine/archive/2012/07/why-women-still-can-8217-t-have-it-all/9020/, (geraadpleegd op 9 juli 2012).

[2] Vgl. NRC Handelsblad 9 juli 2012 (ook te raadplegen via http://www.nrc.nl/nieuws/2012/07/09/het-lukt-vrouwen-niet-topcarriere-en-gezin-tegelijk/ ) en de daaropvolgende dagen.

[3] L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, Volonté Générale nº1 (2012) 26-30, beschikbaar via http://www.volontegenerale.nl/post/18791274342/vg02-1 (geraadpleegd op 14 augustus 2012).

[4] E. Hage, ‘Reflectie op Feminisme 3.0’, Volonté Générale nº2 (2012), 7-10.

[5] L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, Volonté Générale nº 1 (2012) 26-30. De Beer en Ten Brinke zetten hier onder meer uiteen dat zij met hun blog Bitches and Barnicles willen bijdragen aan een derde “golf” feminisme waarin ‘je je [niet] aansluit bij een dogma, maar laat zien dat je bewust nadenkt over je identiteit, ambities en positie in je sociale omgeving’ (p. 27).

[6] De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, 27.

[7] R. ten Cate, ‘Antifeministisch feminisme’, Volonté Générale nº 2 (2012), 12. Als voorbeeld van een dergelijke situatie verwijst zij naar het ook door De Beer en Ten Brinke op hun blog aangehaald voorbeeld van academische benoemingscommissie’s die geheel bestaan uit mannen, en voor opvolging hoofdzakelijk in hun eigen netwerk zoeken, daarbij er naar strevend een weerspiegeling van zichzelf te vinden. Zie ook: Bitches and Barnicles, Het academische slagveld (24 oktober 2011), beschikbaar via http://bitchesandbarnicles.wordpress.com/2011/10/24/het-academische-slagveld/ (geraadpleegd op 30 juli 2012).

[8] A. Slaughter, ‘Why Women Still Can’t Have It All’.

[9] Bitches and Barnicles, Het academische slagveld.

[10] De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0’, 29, cursivering door auteur.

[11] Bitches and Barnicles, ‘Het academische slagveld’, cursivering door auteur.

[12] Hage, ‘Reflectie op Feminisme 3.0’, 9.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>