Architectuur en geluk

Sabine Meier

De relatie tussen welzijn en de manier waarop gebouwen zijn vormgegeven, houdt de gemoederen van zowel filosofen als architecten en stedenbouwkundigen al decennia – zo niet eeuwen lang – bezig. In het boek De architectuur van het geluk probeert Alain de Botton grip te krijgen op deze complexe relatie. Hij wandelt in dat boek door de architectuurgeschiedenis om antwoord te vinden op de vraag ‘hoe een mooi gebouw er eigenlijk uitziet.’[1] Echter, hoe interessant deze vraag ook is, het antwoord daarop is mijns inziens niet geheeld overtuigend. De Botton laat in de formulering de sociale acteurs achterwege terwijl juist zij degenen zijn die beoordelen of een gebouw er wel of niet ‘mooi uit ziet’. De auteur verricht weliswaar inspirerend werk om het dynamisch begrip van schoonheid, ‘schone’ architectuur en stedenbouw door de eeuwen heen te verhelderen. Maar de sociale acteurs die schoonheid ondervinden en de manier waarop verschillende sociale groepen ‘schone’ architectuur definiëren komen niet aan de orde. Bezien vanuit mijn sociologisch perspectief op architectuur zijn de herhaaldelijk opgeschreven ‘wij-zinnen’ dan ook niet overtuigend. Een voorbeeld: ‘[O]ns gevoel voor schoonheid en ons idee van wat een goed leven behelst zijn met elkaar verstrengeld. We willen dat onze slaapkamers associaties met sereniteit oproepen, onze stoelen metaforen zijn voor gulheid en harmonie, en onze waterkranen een air hebben van eerlijkheid en vastberadenheid.’[2] Wie bedoelt De Botton precies met wij? Klopt het wel dat ‘wij’ allemaal willen dat ‘onze’ slaapkamers dit soort associaties oproepen? Al lezende bekruipt me het gevoel dat De Botton er een clichématig, al dan niet vrij burgerlijke, blik op het stadsontwerp, de woning en de woninginrichting op na houdt.

Het is de afwezigheid van het perspectief van sociale acteurs op gebouwen die maakt dat de relatie tussen geluk en architectuur ook in andere publicaties onduidelijk blijft. Boudewijn Wijnacker bijvoorbeeld geeft in zijn artikel ‘Ruimte voor discussie’ in dit tijdschrift tevens de voorkeur aan het historisch perspectief geïnspireerd door De Botton.[3] Daarbij focust hij echter niet op de relatie tussen geluk en ‘schone’ architectuur, maar bespreekt veeleer de relatie tussen het begrip van ‘ruimte’ in het modernistische en postmodernistische (stads)ontwerp en de manier waarop de behoeften van mensen daarin werden gekend. In Nederland werd het postmodernistische perspectief in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw opgevolgd door de behoefte van zowel planmakers als bewoners aan herkenbare plekken. Middel om zulke plekken te handhaven dan wel opnieuw te creëren, is de referentie aan het verleden en aan cultureel erfgoed.

Terwijl het historisch perspectief op het (stads)ontwerp van Wijnacker zeker uitsluitsel geeft over de relatie tussen welzijn en (Nederlandse) stadsplanning, biedt het artikel geen nieuwe inzichten wat betreft de relatie tussen het gevoel van geluk en ‘schone’ architectuur. Om dit wel te doen, zijn mijn inziens studies nodig die enkele cases op concrete locaties belichten binnen een bepaalde, afgebakende periode. Bovendien stel ik een multidisciplinaire zienswijze voor vanuit de architectuur enerzijds en sociologie anderzijds. De laatste aanpak betekent echter niet dat architecten sociologen moeten worden of sociologen architecten. Het betekent ook niet dat de architectuur een zekere autonomie moet worden ontzegd (want ik ben het met De Botton eens dat architectuur maatschappelijke waarden kan representeren en in staat is om tot op bepaalde hoogte sociale interactie te faciliteren). Maar het betekent wel dat sociale acteurs een plek krijgen in de discussie over ‘schone’ architectuur en de veelbesproken waarden die architectuur representeert.

De multidisciplinaire zienswijze vanuit deze vakgebieden biedt de mogelijkheid om het begrip ‘ruimte’ concreter te maken. Architecten zullen beamen dat ‘ruimte’ altijd is opgebouwd uit verschillende schaalniveaus. Een gebouw staat op een geografische locatie, is deel van een stedenbouwkundig ensemble, wordt gekenmerkt door een bepaalde architectuur (plattegrond, etc.) en bevat een meer of minder eenduidige symboliek in de vorm van ornamenten, versieringen of kleuren. Zodra de ruimtelijke kenmerken van een gebouw zijn onderkend, is het pas mogelijk om te onderzoeken welke onderdelen wel of niet voldoen aan menselijke behoeften – waar het gevoel van geluk er één van is.

Het sociologisch perspectief van het symbolisch interactionsme is, denk ik, bijzonder toepasselijk als het gaat om onderzoek naar de relatie tussen emoties en architectuur. Zij kijken voornamelijk naar de mens en hun dagelijks leven.[4] Simpel gezegd bestaat het dagelijks leven uit wat mensen doen, denken en voelen. Mensen houden een bepaald time-ruimte gedrag op na dat zij wel of niet met anderen delen.[5] De stedenbouwkundige vorm van een woonomgeving is bijvoorbeeld het ruimtelijke kader waarin ontmoeting en sociale interactie plaatsvindt.[6] Daarnaast beoordelen zij voortdurend zichzelf (en anderen) en overwegen of een bepaalde architectuur en symboliek bij hun zelfbeeld past; en tegelijk of deze architectuur de sociale groep representeert waar zij bij willen horen.[7] Beide, het doen en het denken, gaan gepaard met emoties: het meest individuele en vluchtige aspect van het dagelijks leven. De vraag in hoeverre emoties als geluk wel of niet worden beïnvloed door de schoonheid van architectuur en stedenbouw, is dus nog (lang) niet beantwoord.

Sabine Meier (1969) is architectuursocioloog en onlangs gepromoveerd op onderzoek naar de relatie tussen plaatsidentiteit van de middenklasse en gethematiseerde woonomgeving. Zij is tegenwoordig als lector verbonden aan de Academie voor Architectuur, Bouwkunde en Civiele Techniek aan de Hanzehogeschool Groningen.



[1] Alain de Botton, De architectuur van het geluk (Amsterdam/Antwerpen 2006) 10.

[2] Ibidem, 111.

[3] B. Wijnacker, ‘Ruimte voor discussie?’, Volonté Générale n°4 (2013) 40-45, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/37111207351/vg02-4 (geraadpleegd op 19 februari 2013).

[4] Ik verwijs hier naar sociologen die in de traditie staan van de fenomenologie van Alfred Schütz en het interactionisme van Erwing Goffman.

[5] Het onderzoek naar tijd-ruimtelijk gedrag begint zich vanaf ongeveer 1980 af te tekenen in het geografisch en sociologisch onderzoek. Dat onderzoek richt zich op het in kaart brengen van tijdbesteding en ruimtegebruik. Doel van deze methode is bijvoorbeeld om individuele patronen van mensen binnen collectieven, zoals huishoudens, zichtbaar te maken (waardoor wederom ongelijke taakverdeling zichtbaar wordt). Voorbeeld van een studie die deze methode toepast is: J. C. Droogleever Fortuijn, Een druk bestaan : tijdsbesteding en ruimtegebruik van tweeverdieners met kinderen (Amsterdam 1993).

[6] Over de relatie tussen stedenbouwkundige vorm en collectiviteit kijk bijvoorbeeld: I. Nio ‘Woonstad Almere. Collectieve strategieën in een suburbane stad’, in: Berg, J.J., Franke, S. and Reijndorp, A. Adolescent Almere. Hoe een stad wordt gemaakt (Rotterdam 2007), 135-165.

[7] Grondslag van deze gedachte is het concept van sociale distinctie van Pierre Bourdieu. Deze gedachte heb ik uitgewerkt in mijn artikel ‘Living in commodified history. Constructing class identities in neotraditional neighbourhoods’ Social and Cultural Geography 13 (2012) 517-535.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>