Technisch inzicht, gezond verstand en hart voor de wereld

Interview met Lizette van der Kamp

Lizette van der Kamp (1978) is biomedisch werktuigbouwkundige en werkt bij Artsen zonder Grenzen. Volonté Générale sprak met haar over haar technische opleiding, ontwikkelingshulp en de overstap van het bedrijfsleven naar een NGO.

Vanwaar de keuze voor een studie Werktuigbouwkunde aan de Technische Universiteit Delft?
Op de middelbare school had ik een technisch profiel met onder andere wiskunde B en natuurkunde. Ik dacht: als ik voor een alfastudie kies, dan kan ik alleen maar denken. Als bèta probeer je om echt iets tastbaars te maken. Ik wilde graag iets creëren. Dat was de belangrijkste reden voor mijn keuze om de techniek in te gaan. Daarnaast is ‘de techniek’ in het algemeen en werktuigbouwkunde in het bijzonder zo ontzettend breed, je kunt er alle kanten op.

Vrouwen zijn in de minderheid op de technische universiteiten in Nederland. Hoe heb je het ervaren om als vrouw een technische studie te volgen?
Ik vind het van belang om zelf keuzes te maken. Hoewel vrouwen op de TU in de minderheid zijn, was er een docente die mij sterk inspireerde om juist als vrouw een technische studie te voltooien. Ik heb er over het algemeen absoluut geen nadeel aan ondervonden; het is echt hoe je er zelf mee om gaat. Het is bovendien goed samenwerken met mannen. Af en toe moest ik er misschien wel iets meer voor waken dat ik geen taken uit handen liet nemen: het ‘grote –broer-syndroom’ lag op de loer.

Van studie naar baan: moest jij op zoek naar een baan of kwam de baan naar jou toe?
Je hoort wel eens dat in de techniek de banen voor het oprapen liggen, maar ik moest wel degelijk op zoek naar een baan. Bovendien had ik de wens om in het buitenland te gaan werken. In 2007 deed zich de mogelijkheid voor om als trainee bij een bedrijf in de VS aan de slag te gaan. Die kans heb ik met beide handen gegrepen. Het bedrijf waar ik toen werkzaam was, maakte protheses voor bijvoorbeeld soldaten die gehandicapt uit Irak terugkwamen.

Er was echter geen mogelijkheid om na het traineeship bij het bedrijf te blijven. Om die reden moest ik op zoek naar iets anders. Ik ben vervolgens naar Nederland teruggekeerd en heb een baan gevonden bij een bedrijf dat offshore olie- en gaspijpleidingen aanlegt. Dit bedrijf heeft bijvoorbeeld meegewerkt aan de (omstreden) Nord Stream-pijpleiding. Het werk was enerzijds totaal anders, want ik moest schakelen naar het rekenen met grote krachten. Anderzijds was door de brede technische opleiding aan de TU de stap ook weer niet zo groot. Het was een ontzettend leuke baan, omdat ik snel grote verantwoordelijkheid kreeg voor grote projecten en we overal ter wereld werkzaam waren. Daarnaast is er veel geld  in die sector, waardoor er veel mogelijkheden waren voor onderzoek en innovatie. Tegelijkertijd was het erg intensief: tachtig procent van een dag ben je met je werk bezig.

In januari 2011 heb je je baan in de offshore-industrie verruild voor een baan bij Artsen zonder Grenzen. Vanwaar deze sprong van het bedrijfsleven naar de wereld van de NGO?
Daarvoor moeten we een stukje terug in de tijd. Voordat ik aan mijn studie begon, heb ik lang getwijfeld om ontwikkelingswerk te gaan doen. Ik heb er toen voor gekozen om te gaan studeren, maar de wens om in het buitenland mensen te helpen heb ik altijd gekoesterd. Tijdens mijn werk in de offshore heb ik de website van Artsen zonder Grenzen goed in de gaten gehouden. Ik had namelijk gezien dat zij ook op zoek waren naar projectmanagers met een technische achtergrond. Uiteindelijk is het me inderdaad gelukt een baan bij Artsen zonder Grenzen te krijgen.

Hoe ziet dat werk bij Artsen zonder Grenzen er uit voor een biomedisch technicus?
Mijn baan bestaat voor ongeveer veertig procent uit het reizen naar gebieden waar Artsen zonder Grenzen actief is. Ik word niet voor negen of tien maanden naar het buitenland uitgezonden, maar verblijf meestal voor een periode van twee tot zes weken op een locatie in het buitenland.

Het is niet mijn taak om een (nood)hospitaal op te zetten, maar ik ben wel betrokken bij ‘de inhoud’ van een ziekenhuis of hospitaal. Ik ben verantwoordelijk voor alle medische-technische apparatuur in het veld, functioneert en dat mensen ermee kunnen werken; kortom alles met een stekker dat gebruikt wordt voor diagnose of medische behandeling. Daarnaast moet ik er voor zorgen dat medicijnen voldoende worden gekoeld Dit doe ik in veldhospitalen, maar bijvoorbeeld ook in oude scholen die voor langere perioden tot ziekenhuis zijn omgetoverd. De meeste ziekenhuizen waar Artsen zonder Grenzen werkzaam is, staan niet in vluchtelingenkampen of gebieden waar nog dagelijks sprake is van een conflict; de meeste hospitalen in bijvoorbeeld de Democratische Republiek Congo of Myanmar bestaan minstens vijf jaar. Een ander goed voorbeeld van een langdurig project waar ik bij betrokken ben geweest, is de bestrijding van tuberculose in Oezbekistan. Tuberculosepatiënten hebben minimaal een behandeling van twee jaar nodig, dus ook de voorzieningen ter plaatse worden voor langere tijd opgezet.

Verschillen je taken in binnen- en buitenland?
Ik ben verantwoordelijk voor alle medische apparatuur in de ziekenhuizen. Ik heb een overzicht van 25 landen en in die landen zijn er tussen de twee en tien projecten. Met behulp van dat overzicht, nieuwe informatie en eigen ervaring analyseer ik waar mogelijke problemen zitten. Dan besluit ik samen met mijn baas naar welke locatie ik zal gaan, waar de problemen zich voordoen. In principe moeten alle landen één keer per twee jaar bezocht worden.

Een goed voorbeeld is Congo. Ik had een overzicht gemaakt om bezoeken af te leggen. Eerst neem ik contact op met de ziekenhuizen. Lokale technici brengen mij op de hoogte van de situatie en gaan, wanneer ik het ziekenhuis bezoek, met mij mee. Op basis van de informatie die mij tevoren is verstrekt en de situatie zoals ik die daar aantref, kan ik een training opzetten. Ook besluit ik, na overleg met de medische staf, welke apparatuur eventueel vernieuwd moet worden.

Om alles rondom medisch-technische apparatuur binnen AzG zo efficiënt mogelijk te laten functioneren, heb ik een werkgroep opgericht samen met de andere 4 operationele centra (naast A’dam ook Barcelona, Parijs, Geneve en Brussel), die medische apparatuur selecteert. We maken bijvoorbeeld afspraken met Philips of Siemens om nieuwe apparatuur in te kopen. Mijn werk in Nederland richt zich ook op het ontwikkelen van een strategie die de komende vier jaren gebruikt kan worden. Op die manier houd ik me bezig met het ontwikkelen van een zo efficiënt mogelijk beleid. Ik balanceer tussen de ‘lokale’ vraag naar apparatuur en de overkoepelende strategie van Artsen zonder Grenzen. Het ene moment houd ik me dus bezig met inkoopbeleid voor apparatuur, het andere moment sta ik in een lokaal ziekenhuis uit te leggen hoe de nieuwe medische apparatuur gebruikt moet te worden.

Artsen zonder Grenzen onderscheidt zich onder andere door haar onafhankelijkheid. In hoeverre maakt dit samenwerken met overheden of internationale organisaties lastig?
Artsen zonder Grenzen heeft onafhankelijkheid inderdaad hoog in het vaandel staan. We zijn er sterk op gericht om niet afhankelijk te zijn van enige vorm van overheidsgeld. We willen niet gebonden zijn aan politieke beslissingen en agenda’s van anderen. Echter, in het veld werken we intensief samen met andere organisaties, zoals UNICEF of Save the Children. Denk daarbij aan de vluchtelingenkampen. Ook wordt er samengewerkt met overheden, want organisaties hebben toestemming van de overheid nodig om een land überhaupt binnen te komen. We leggen dan uit dat we een neutrale organisatie zijn en aan alle partijen hulp willen bieden. Overheden zijn ook een belangrijke factor in het garanderen van onze veiligheid.

Artsen zonder Grenzen is in veel gebieden actief en heeft daardoor toegang tot informatie die voor anderen (nog) niet beschikbaar is. Een goed voorbeeld is de situatie in de Centraal Afrikaanse Republiek. Het is voor Nederland lang onduidelijk geweest hoe ernstig de situatie daar was en eigenlijk nog steeds is. Wij zijn onafhankelijk, maar tegelijkertijd ook de ogen en oren van diplomaten en overheden. Het delen van informatie blijft echter wel gevoelig: we hebben toestemming om in die situatie te werken en omdat we een neutrale organisatie zijn, kunnen we niet zomaar alle informatie die we hebben met allerlei partijen delen. Wanneer je in een land zit, maak je als team afspraken over welke informatie er wel en niet naar buiten mag.

Hoe is het nu om als bèta binnen een organisatie te werken die niet primair op technische processen is gericht? Is dat iets dat je meer studenten aan zou raden?
Ik merk dat mensen met een technische achtergrond vaak een heel pragmatische insteek hanteren in het oplossen van problemen. Wanneer je een technische studie volgt, kun je daarna heel veel kanten op. Misschien is er op het moment een te eenzijdig beeld van de technische studie: je gaat erna aan de slag bij een technisch bedrijf. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Je kunt je bijvoorbeeld ook richten op duurzaamheid, beleid of ontwikkelingssamenwerking.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>