Op de automatische piloot als het kan, kritisch alert zijn als het moet.

Interview met Jan Bransen 

Jan Bransen (1958) is filosoof en sinds 2002 hoogleraar Filosofie en geschiedenis van opvoeding, vorming en onderwijs aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Van 1985 tot 2002 was hij werkzaam aan de Universiteit Utrecht en van 2000 tot en met 2003 was hij als bijzonder hoogleraar in de Wijsgerige antropologie in de grondslagen van het humanisme verbonden aan de Universiteit Leiden. Volonté Générale sprak met hem over zijn kijk op filosofie en zijn nieuwe boek Laat je niets wijsmaken (Zoetermeer: Klement, 2013).

Sinds 2002 bent u hoogleraar Filosofie van de Gedragswetenschappen in Nijmegen. Wat betekent filosoferen voor u?
Huidige faculteiten Filosofie zijn vaak in zichzelf gekeerd: ze zijn meestal vrij geïsoleerd van andere vakgebieden en sterk gericht op hun eigen filosofische problematiek. Beroepsfilosofen gaan met elkaar op de hoogste verdieping van een universiteit, afgesloten van de buitenwereld, met elkaar in gesprek over (abstracte) begrippen om op die manier de filosofie naar een hoger plan te tillen. Ik betwijfel echter of dat de juiste plek is voor filosofie.

In de lijn van Wittgenstein stel ik dat begrippen geen abstracte objecten, maar patronen van omgang tussen mensen zijn. Filosofen kunnen de abstracte vorm van zo’n omgangspatroon isoleren van de context waarin het begrip functioneert, maar dan wordt het begrip van ‘gewoon’ begrip, van het begrijpen van het begrip, vervreemd. Om te kunnen filosoferen en begrippen te begrijpen, is het noodzakelijk om in gesprek te gaan met wetenschappers die menselijk gedrag bestuderen. Een voorbeeld is het begrip koffiekopje. Een filosoof zou zich af kunnen vragen, koffiekopje, wat is dat voor een begrip? Het is ook van belang om te kijken naar de context en het gesprek waarin het begrip wordt gebruikt. Wetenschap is niet het achterhalen wat dat kopje nu echt is, maar hoe wij omgaan met dat kopje. Daarnaast is het interessant om aan de hand van het begrip kopje te kijken hoe wij met elkaar omgaan. Wij denken immers dat er een bepaald type benadering (een wetenschappelijke) van het kopje is, dat een apart soort status heeft.

In de praktijk betekent dit het volgende: ik geef het vak philosophy of statistics. De statistiek staat bol van de begrippen: normaalverdeling, standaarddeviatie, et cetera. Dat zijn begrippen die studenten leren te gebruiken en vervolgens daadwerkelijk gebruiken. Ik wil snappen wat een begrip als standaarddeviatie doet met de data en hoe een onderzoeker met die data omgaat. 

U pleit voor meer gezond verstand zowel buiten als binnen de wetenschap. Kunt u uitleggen wat u onder gezond verstand verstaat?
Tegenwoordig gebruik ik een zin die niet in mijn boek staat, maar die eigenlijk heel goed is. Gezond verstand is: op de automatische piloot als het kan en kritisch alert zijn als het moet. Dat is heel kort, maar het werkt altijd en overal. ‘Op de automatische piloot’ is onnadenkend instemmen met hetgeen dat stilzwijgend vanzelfsprekend is. Als jij ’s ochtends je boterham moet smeren, kun je dat op de automatische piloot. Als je leert autorijden, dan gaat het in het begin niet op de automatische piloot, maar na verloop van tijd kan dat wel.

Die automatische piloot kan altijd vastlopen. Dan is het van uiterst groot belang dat je terug kunt schakelen. Dan moet je, wat ik wel in mijn boek noem, een onderzoekende houding innemen. Op het moment van vastlopen, of het moment dat je vermoedt dat je vastloopt of dat iemand verteld dat je vastloopt, moet je jezelf uit die automatische piloot tillen en het vastlopen kritisch reflecteren. Waarom loop ik vast? Waarom zegt iemand dat ik vastloop? Waarom zit ik niet meer in the flow? Het vermogen om te reflecteren is wat gezond verstand is.

Wat is op dit moment het probleem met het gezond verstand?
Het gezond verstand is op de achtergrond geraakt. Het cruciale onderdeel van gezond verstand is het vermogen om uit de automatische piloot te stappen en een onderzoekende houding aan te nemen. Een deel van het probleem is dat we die onderzoekende houding in een arbeidsverdelingsproces aan ‘de wetenschap’ hebben uitbesteed. Een universiteit is de plek waar mensen de hele dag een onderzoekende houding aannemen. Daar gaat het mis, want hun onderzoekende houding verandert in een automatische piloot. In de plaats van een echte onderzoekende houding aan te nemen, beginnen zij een vraag en antwoord spelletje.

In een laboratorium kan gemeten worden hoe warm een stof is of in CERN kunnen de allerkleinste deeltjes gevonden worden. Omdat de wetenschapper bepaalde apparatuur tot zijn beschikking heeft die ontzettend veel geld gekost heeft, moet die machine de hele dag draaiende worden gehouden. Er moet de hele dag nieuwe input zijn. Vragen worden gevormd naar de mal van de machine en de methodologie. En of het vragen zijn waar de samenleving wat mee kan, doet er niet toe. Het zijn vragen die door de wetenschap, de methodologie en de setup van een laboratorium gegenereerd worden. Die manier van wetenschap bedrijven is verworden tot een automatische piloot. De onderzoekende houding, de eigenlijke kern van de wetenschap, is naar de achtergrond verdrongen. De wetenschap is verworden tot een soort kennisfabriek. Wij maken antwoorden en we verzinnen zelf ook de vragen erbij, want we hebben hier nu eenmaal dat antwoord zo klaar staan.

Is dit probleem alleen van toepassing op de wetenschap?
Er zijn mensen die in het dagelijkse leven vastlopen. Omdat we dat maatschappelijk verdeeld hebben, switchen mensen die in het dagelijks leven vastlopen niet van hun vastgelopen automatische piloot naar de onderzoekende houding, maar naar de vragende houding: ‘Help! Ik weet het niet meer!’ Men belt dan de helpdesk of raadpleegt direct een ‘expert’. Je kan natuurlijk zelf gaan dokteren, op internet gaan zoeken en jezelf afvragen: wat zou verstandig zijn? Maar dat is dan ook het wiel opnieuw gaan uitvinden en een inspanning voor niets. Hij, de expert, weet wel hoe het moet, dus ik kan die onderzoekend houding ook overslaan. Bovendien, als ik moet gaan onderzoeken hoe dat moet, vind ik het misschien niet, terwijl de deskundige het al weet. Dus in plaats van dat ik een onderzoekende houding ga aannemen, ga ik alleen maar een vragende houding aannemen. In de vragende houding draait het om ‘geef mij de antwoorden’, en als reactie daarop komt er een antwoordenfabriek op gang. Daardoor verdwijnt aan zowel de kant van het probleem als de ‘expert’ de onderzoekende houding.

Steeds meer kinderen hebben ADHD. Dat betekent dat er kinderen in de klas zijn die niet stil kunnen zitten. De klassen zijn niet per se groter geworden, maar de interactie is heel anders geworden. Er zijn allemaal noodzakelijk geachte groeicurven waar een kind aan moet voldoen: ze moeten dit kunnen als ze naar groep 3 gaan en ze moeten dat kunnen als ze naar groep vier gaan. Dat zijn allemaal dingen die geleerd moeten worden en dan is er een kind met ADHD dat daar onhandig tussendoor stuitert. Dit is een probleem. Vanuit een onderzoekende houding, vraag ik me af: wat is nu eigenlijk het probleem? Kan de juf hem niet aan? Is hij te druk? Het stellen van dit soort vragen, gebeurt veel te weinig. Er komt meestal simpelweg een ‘deskundige langs’ die een antwoord heeft op de hulpvraag.

Hulpvragen in het algemeen hebben een vorm gekregen die past bij het vocabulaire van de wetenschappen die het antwoord moeten leveren. Nu kan het zijn dat de wetenschap al mijn vragen kan beantwoorden en glashelder kan uitleggen wat er mis is. Maar een bevestiging of het probleem dat door de wetenschap gesignaleerd was, ook het probleem van de persoon/personen in kwestie was, wordt vaak overgeslagen.

Waar komt die heiligverklaring van de ‘deskundige’ vandaan?
Men redeneert vaak dat het slim is om de vragende houding aan te nemen, omdat al zoveel mensen voor mij in dezelfde val getrapt zijn. Er zijn zelfs mensen die nooit in een specifieke val getrapt zijn, maar onderzoeken hoe anderen in die val getrapt zijn. Er is een belangrijk verschil tussen mening en kennis. Je kunt iets toevallig vinden of je kunt iets weten. Als je iets weet, dan kun je het onderbouwen en kun je het verantwoorden. Als er een tegenstelling is tussen iemand die ergens kennis van heeft en iemand die iets vindt, dan beschouwen we sinds de oude Grieken dat degene die het weet, meer zeggingskracht heeft. Kennis is beter dan illusie. Kennis is beter dan mening.

Het wordt interessant als iemand zegt dat hij iets weet dat gaat over hoe mensen met elkaar omgaan. Door te claimen dat je kennis hebt van menselijk sociaal gedrag zet je jezelf als onderzoeker buiten dat spel. Je verandert de dynamiek van dat spel door te stellen dat je er kennis over hebt. Als je een (natuurwetenschappelijk) model, waarin door middel van experimenten gezocht wordt naar oorzaak-gevolg relaties, gaat plakken op hoe mensen met elkaar omgaan, dan legitimeer je een kennispositie die niet meer is gebaseerd op kennis, maar op het gezag van de ‘deskundige’. De deskundigheid is ogenschijnlijk op kennis gebaseerd, maar is in feite een interventie in onze interactie. Het doorzien van die rol van de deskundige is van groot belang.

Ik beweer dat gedragswetenschap als wetenschap intern inconsistent is. Wetenschap heeft een taal, procedures, meetinstrumenten enzovoorts. De set die de gedragswetenschap nodig heeft om een wetenschap te zijn, is inconsistent. Menselijke interactie wordt niet gereguleerd aan de hand van oorzaak-gevolg relaties, maar aan de hand van normatieve relaties van instellingen, afkeuringen, bevoegdheden geven en verplichtingen op je nemen. Dat kun je niet onderzoeken door te gaan kijken of je co-variaties vindt en de co-variatie te vervangen door causaliteit. Dan doe je als onderzoeker een interventie in het spel.

Daarnaast zijn kennisclaims altijd talig: iedere kennisvorm moet in de vorm van taal uitgedrukt worden. De hoop van de natuurwetenschap is dat die taal volledig transparant is, zodat iedere kennisclaim niet gedragen wordt door de taal waarin die geformuleerd wordt, maar alleen in de taal gerepresenteerd wordt en verankerd is in de wereld die echt is. Menselijke interactie is talige interactie. Dus als je als gedragswetenschapper kennisclaims wil verankeren in de werkelijkheid, dan veranker je hem in de taal, in de wijze waarop wij met elkaar omgaan. Je grijpt als deskundige in de taalgemeenschap in en verandert die taalgemeenschap. Ik denk dat er zelfdeceptie zit in het beeld dat de gedragswetenschappen van zichzelf hebben.

Hoe ziet de ‘ideale wereld’, gebaseerd op uw kritiek, eruit?
Idealiter betekent mens zijn ploeteren. De ideale situatie is niet dat je de hele dag op het strand ligt, de ideale situatie is een situatie waarin we op de automatische piloot kunnen als het kan en de onderzoekende houding aannemen als het moet. Het verschil met nu is dat we, als we een onderzoekende houding aannemen, snappen wat we aan het doen zijn. In de huidige wetenschap wordt vaak gedacht dat we een probleem hebben, omdat we nog niet alles weten. Wetenschappers zijn hard op zoek naar ‘alles’. Dat is het probleem: wetenschappers proberen alles te weten te komen door met empirisch verkregen data theorieën op te stellen. Dat er in het formuleren van theorieën veel onbegrip schuilgaat, wordt vaak vergeten. In plaats van alles te weten te komen, is het volgens mij beter om een onderzoekende houding aan te nemen en op die manier proberen te begrijpen waarom je niet alles kúnt weten.

Wat is de plek voor de ‘deskundige’ in deze ideale, onderzoekende samenleving?
Er is zeker een plaats voor deskundigen in de ideale samenleving. Het is helemaal niet erg om bij een deskundige uit te komen, als je een probleem hebt. De weg naar een deskundige is een weg die je alleen met gezond verstand kunt overbruggen en dat geldt ook voor de weg van de deskundige terug naar het gewone leven. Jij bent waarschijnlijk als deskundige thuis in je eigen keukenkastje. Als ik iets moet zoeken, en jij zegt ‘ga maar halen in de keuken’, dan is het handig dat ik de vertaalslag van je deskundigheid en weer terug kan maken. Dus als er deelgebiedjes zijn waarop deskundigheid bestaat, dan is het prima als die er zijn. Echter, een samenleving met alleen maar, of te veel deskundigheid lost niets op. Als de één ergens deskundig in is, dan zijn de anderen dat niet. Dus hoe meer deskundigen je maakt, hoe meer leken er zijn: deskundigheid creëert leken.

Maar dat gezond verstand, is iets dat zich bij iedereen ontwikkelt, of zijn er ook mensen die het niet hebben?
Gezond verstand hebben bestaat uit drie onderdelen: het vermogen op de automatische piloot te gaan als het kan, het vermogen om te switchen naar de onderzoekende houding als het nodig is en te weten wanneer het nodig is om die onderzoekende houding aan te nemen. Voor mensen die geen gezond verstand hebben, is iedere dag een grote chaos. Als baby krijg je al enorm veel patronen aangeleerd.

Om de onderzoekende houding aan te kunnen nemen, heb je het vermogen nodig om aan jezelf vragen te kunnen stellen. En het is van belang dat je zelf dat antwoord op deze vraag niet hebt maar wel moet geven. Je hebt een ontwikkeling nodig om de vraag die je aan jezelf stelt, te kunnen beantwoorden. Als je die vraag niet serieus neemt, dan vind je geen antwoord, maar blijf je rondzingen. Als je echter in beweging komt, als je leert denken en die onderzoekende houding aanneemt, dan kun je groeien naar een antwoord op de vraag die je jezelf stelt. Dat groeiproces is een belangrijk onderdeel van gezond verstand.

De roep om meer gezond verstand en minder experts kan ook populistisch worden uitgelegd. Eeuwenlang werd slavernij vanuit common sense goed gepraat. Hoe ziet u dit gevaar?
Mijn oproep kan inderdaad uitgelegd worden als: ‘Doe de onderzoekende houding weg. Al die kritische intellectuele nadenkers, doe maar niet. Doe alleen maar de automatische piloot.’ Dat is een risico. Ik noem het ‘het risico van het populisme’. Echter, dan vergeet je de belangrijke scheiding die ook maatschappelijk van belang is: ‘automatische piloot als het kan, kritische reflectie als het nodig is.’ Dat tweede gedeelte hoort er bij en iedereen weet dat. Ieder mens heeft kritische alertheid in zich.

Populisten moeten hierop gewezen worden. Het is de truc om ze in de kritische houding te laten schieten door ze te wijzen op een paradox in hun denken. Als populisme betekent ‘alleen maar automatische piloot’, dan heeft het niets met gezond verstand te maken. Echter, als het betekent dat leken zelf kunnen zorgen voor hun eigen kritische distantie, dan is het niet zo erg. Zorg dat kritische reflectie mogelijk is op het moment dat deze nodig is.

Op sommige momenten duurt het even voordat zich die noodzaak manifesteert. Je kunt op de automatische piloot ergens in denken te gaan, maar eigenlijk in een andere situatie zitten en dan toch reageren als zijnde in de situatie waarin je denkt dat je zit. Een voorbeeld, toen ik in een studentenflat woonde was er bij ons in de buurt een chinees en daarnaast een café. Een meisje dat bij mij in huis woonde wilde een keer nasi halen, maar liep per ongeluk het café binnen en had dat niet in de gaten. Ze bestelde nasi, maar de barman zei: ‘Dat hebben we niet.’ ‘Oh, is het op? Doe dan maar bami’, reageerde ze. De wereld probeert je wakker te schudden, jij blijft echter volhouden en vult aan vanuit de situatie waarin jij denkt te zitten. Als iemand zegt ‘nasi hebben we niet’, is het ook de bedoeling dat je jezelf direct corrigeert. Dat gebeurt ook, ook al duurt het soms even.

U treedt zelf als filosoof op in het publieke debat onder de naam ‘Een avondje uit denken met Jan Bransen’. Zit hier een diepere gedachte achter, vindt u dat u als filosoof naar buiten moet treden?
Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, ik houd niet van publieke intellectuelen die vaak zo tevreden zijn met zichzelf als publiek figuur. Drie jaar geleden riep ik in mijn boek Word zelf filosoof op tot meer filosofie in het publieke debat. Hiermee bedoelde ik niet ‘meer beroepsfilosofen op televisie’, maar dat degenen die op televisie zijn hun eigen filosoof op tijd wakker moeten hebben. Op het goede moment naar de kritische houding.

Aan de andere kant, een van de dingen die ik altijd heb beweerd is: ‘Als iets goed is voor een discipline, voor een vak, voor een wetenschap, dan is het ook maatschappelijk goed.’ Hier op de universiteit werp ik een kritisch oog op alle onderzoeken die hier gedaan worden en probeer ik studenten kritisch te laten kijken naar hun discipline. Dat is belangrijk voor het vakgebied en de houding van de (aankomende) wetenschappers. Waarom zou ik dit niet doortrekken naar de maatschappij? Als ik dat zou doen bij Albert Heijn en bij de klanten die in die winkels op de automatische piloot bezig zijn, is dat ook belangrijk. Ik probeer gezond verstand aan te wakkeren op allerlei plekken. Het is niet zo dat het hier op de universiteit meer of minder waardevol is. Voordeel is dat ik hier meer toekomstige generaties bereik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>