Net een spade dieper graven

Interview met Elianne Keulemans

Elianne Keulemans (1959) is theologe en sinds 2010 hoofd van het Soeterbeeck Programma aan de Radboud Universiteit Nijmegen. De rode draad in haar leven wordt gevormd door vragen over de relatie tussen religie, filosofie, ethiek, levensbeschouwing en maatschappij. Keulemans nam het initiatief voor het project Heilig, een samenwerking van het Soeterbeeck Programma met Trouw, IKON en NieuwWij waarin de vraag ‘Wat is ons heilig?’ centraal stond. Volonté Générale interviewde haar over haar activiteiten en de relatie tussen wetenschap, levensbeschouwing en maatschappij.

Centraal in uw werk staat de relatie tussen theologie, wetenschap en de samenleving. Is dit een interesse die u al van jongs af aan had?
Vanwege mijn katholieke opvoeding was ik als tiener al geïnteresseerd in kwesties van geloof en samenleving. Mijn keuze voor de studie Theologie van het Maatschappelijk Handelen werd dan ook deels ingegeven vanuit persoonlijke interesse. Echter, gedurende mijn studie in Nijmegen werd mijn interesse niet alleen academischer,  maar veranderde ook van aard: ik was niet meer zozeer bezig met mijn eigen geloof, maar veel meer met de kwesties die in de grote religies spelen. Daarnaast raakte ik steeds meer geboeid door de verhouding tussen religie en moraal.

En toen was u midden in de jaren 1980 afgestudeerd Theologe. De banenmarkt was ook in die tijd niet rooskleurig, dus het zal niet gemakkelijk zijn geweest om een baan te vinden?
Dat klopt, toen na een heel kort baantje bleek dat ik daar helemaal niet uit de verf kon komen, heb ik me laten omscholen bij een van de grote omscholingsprojecten die in die tijd georganiseerd werden voor werk in de computerwereld. In een half jaar durende stoomcursus ben ik met allerlei andere academici omgeschoold tot programmeur en systeemontwerper en ik heb vervolgens vijf jaar lang als programmeur gewerkt. Dat was in de tijd dat de pc’s beschikbaar kwamen voor particulier gebruik. Ik ben vijf jaar gedetacheerd geweest vanuit een Arnhems bedrijf en heb ik het hele land doorgereisd naar allerlei bedrijven en allerlei gekke projecten. Ik ben bij Volvo in dienst geweest, heb de hondenbelasting van de gemeente Arnhem geautomatiseerd en heb bij een producent van tapijttegels gewerkt.

In die tijd heb ik niet bijzonder veel vaardigheden geleerd die me nu nog van pas komen. Er gebeurt in de ICT zo gigantisch veel, dat mijn kennis van 20 jaar geleden niet meer actueel is. Wat ik wel prettig vind, is dat ik begrijp hoe programma’s ongeveer in elkaar steken. Hoewel ik het zelf niet meer zou kunnen, heb ik wel een idee van wat er in zo’n programma gebeurt. Ik heb die kennis nog wel, maar tegelijkertijd zit ik net zo te klungelen met deze pc hier als mijn andere collega’s hoor!

U heeft uw carrière in de computerbranche op een gegeven moment achter u gelaten, en u heeft een baan gevonden die beter aansloot op uw studierichting.
Ja, ik was blij dat ik van het programmeerwerk af was. Gelukkig kon ik aan de slag als adjunct-secretaris van de Nederlandse Missieraad in ‘s Hertogenbosch. Dat was een koepelorganisatie van katholieke organisaties die met ontwikkelingssamenwerking bezig zijn. Er werden gemeenschappelijke activiteiten voorbereid, gemeenschappelijk beleid, en daar heb ik een aantal jaren met heel veel plezier gewerkt. Ik was heel erg geïnteresseerd in kwesties rond ontwikkelingssamenwerking, mede vanuit de ervaringen die ik in Chili had opgedaan. De interactie tussen ontwikkeling, maatschappij en religie interesseerde mij ontzettend.

Mogen wij daaruit afleiden dat u zichzelf beschouwt als gelovige?
Ik noem mezelf katholiek. Ik ben opgevoed in de katholieke traditie en voel me daar ook in thuis, maar hoewel ik me geëngageerd voel met deze traditie, ben ik bijvoorbeeld geen kerkganger.

Mijn religiositeit heeft in de loop der jaren op verschillende manieren vorm gekregen. De tijden zijn natuurlijk ook veranderd. Ik ben indertijd theologie gaan studeren vanuit een opvoeding met grote kerkelijke verbondenheid. In de loop der tijd heb ik in zekere zin afstand genomen – ik ben geen kerkganger meer – terwijl ik ook verbonden bleef met de traditie. Ik vind het wel een gemis dat opvattingen individueler zijn geworden en dat ik moeilijk een vorm vind om gestalte te geven aan de verbondenheid met de katholieke traditie.

Na een uitstapje bij de afdeling Levensbeschouwing van het Brabants Steunpunt Jeugdwelzijn bent u aan het werk gegaan voor de voorloper van het Soeterbeeck Programma, de Thomas More Academie.
Ik kon aan de slag als programmamaker en dat vond ik geweldig. Het was heel goed om een tijdje van de universiteit te zijn weggeweest, maar het was ook heel fijn om er terug te komen. Met het Soeterbeeck Programma willen we wetenschappelijke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke zaken met elkaar in verbinding te brengen. We proberen een breed publiek te laten zien wat die relevantie is van denken vanuit een levensbeschouwelijk en filosofisch, ethisch kader. Dat hebben we, dat heb ik, in de loop der jaren geprobeerd en dat doen we nu nog steeds. Ik vind het tot op de dag van vandaag fantastisch werk.

Is dit streven om de relevantie van filosofisch denken aan een breed publiek kenbaar te maken vooral uw eigen streven of is dat ook iets dat het Soeterbeeck Programma in het algemeen als doelstelling ziet?
Het is inderdaad de missie van het Soeterbeeck Programma om voor een breed publiek dit type activiteiten te organiseren. Ik denk dat je met die invalshoeken van filosofie en levensbeschouwing vaak net een spade dieper graaft of nieuwe perspectieven inbrengt die in het maatschappelijk debat of in het wetenschappelijk debat naar de achtergrond geraken.

Waar het gaat om wetenschappelijke vragen is het belangrijk ook de vraag te stellen naar de betekenis en de ethische implicaties van het onderzoek. Wat heeft het onderzoek bijvoorbeeld te maken met de betekenis die mensen aan hun leven geven? Verandert dat door jouw onderzoek? Dat type vragen vind ik van groot belang. Het is dan ook waardevol dat deze universiteit een organisatie in het leven heeft geroepen die dit soort vragen aan de orde stelt en deelt met een breed publiek van studenten, wetenschappers en andere geïnteresseerden.

 Deze universiteit is de enige die heel uitdrukkelijk een programma heeft met deze invalshoek: filosofie, ethiek, levensbeschouwing. Andere universiteiten hebben wel programma’s die het contact met een breder publiek zoeken, maar geen programma dat de relatie tussen wetenschap en maatschappij wil bekijken vanuit dat perspectief van filosofie en levensbeschouwing. Daarin toont zich de bijzondere identiteit van de Radboud Universiteit.

Het Soeterbeeck Programma probeert een breed publiek aan te spreken, maar tegelijkertijd valt op dat de bèta- en gammawetenschappen wat buiten het programma lijken te vallen. Is het lastig om die wetenschapsvelden bij het programma te betrekken?
We willen dat wel doen. Het Soeterbeeck Programma is gesitueerd binnen de faculteit filosofie, theologie en religiewetenschappen. In ons werk verhouden wij ons tot alles wat binnen die faculteit gebeurt. Maar dat wil niet zeggen dat we niet graag ook over de grens van de faculteit heenkijken of dat wij interdisciplinair werken niet belangrijk vinden. Ik vind het zelf heel erg belangrijk om juist verbindingen te zoeken met het onderzoek dat binnen andere faculteiten plaatsvindt.  Inhoudelijk is dat ook mogelijk. We hebben bijvoorbeeld binnenkort een activiteit waarin we samen met Heino Falke – als astroloog verbonden aan de Radboud Universiteit – het gesprek aangaan over de vraag ‘de grootheid van het heelal, wat betekent dat voor de plaats die mensen voor zichzelf zien? Wat betekent dat voor mensbeeld, wereldbeeld, als je werkelijk tot je door laat dringen in wat voor een enorme kosmische constellatie wij ons bevinden?’

Dit soort vragen naar betekenis kun je bij allerlei wetenschappen stellen. Er is allerlei bètaonderzoek dat verschrikkelijk interessant is en gevolgen heeft voor hoe wij naar de wereld kijken. Het programma is dus niet beperkt tot onderzoek dat binnen de faculteit FTR gebeurt: zo’n blikrichting heeft betekenis voor veel breder onderzoek en maatschappelijke kwesties.

In het organiseren van de activiteiten van uw programma zit een spanningsveld tussen actuele onderwerpen en het vooruit plannen om een gestructureerd programma te kunnen ontwikkelen. De organisatie moet ver van tevoren worden gedaan, maar de thema’s moeten actueel zijn om een groter publiek aan te spreken. Hoe gaat het Soeterbeeck Programma met deze spanningsveld om?
Voor een deel werken we inderdaad vooruit. Dan gaat het bijvoorbeeld om grote internationale sprekers die we naar Nijmegen halen. Daar ben je vaak al een jaar van tevoren mee bezig. Het andere uiterste vormen de actualiteitencolleges die we organiseren. Dat is echt naar aanleiding van wat er op dat moment gebeurt. En dat zijn vaak programma’s die we in drie à vier dagen bedenken en uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan de lunchcolleges die we organiseren. Die gaan over de actualiteit van de dag: de opstanden in Syrië en Egypte, of de economische crisis, of de nieuwe paus. Dat zijn  thema’s waarvan we op maandag bedenken dat we er een actualiteitencollege aan willen wijden,  en dat hebben we op donderdag dan al georganiseerd. Dan moet je als een haas een spreker gaan vinden binnen de universiteit die daar iets over kan vertellen, je moet de discussie inhoudelijk voorbereiden, de praktische kanten van zo’n bijeenkomst regelen, en er moeten onmiddellijk publiciteitsteksten geschreven worden.

Dat is voor onze communicatiemedewerker een hele opgave. Die moet razendsnel zowel een flyer laten ontwerpen als facebooken, twitteren enzovoorts en dan heb je binnen drie dagen toch vaak zo’n honderd tot honderdtwintig mensen bij elkaar. Maar dat zijn de activiteiten op de hele korte termijn. De meeste programma’s en activiteiten worden in een maand of drie à vier voorbereid. En de grote sprekers een jaar van tevoren.

We werken aan de hand van een jaarplan. Dus nu zijn we al aan het bedenken wat we in 2014 gaan doen. Daar kunnen we al behoorlijk wat van vastleggen, maar tegelijkertijd houden we ook altijd een flinke ruimte open om gaande dit jaar te kunnen inspelen op wat maatschappelijk actueel is of wat er in de wetenschap speelt. Dat er bijvoorbeeld boeken verschijnen van wetenschappers verbonden aan de RU, waarvan wij denken: ‘het zou heel mooi zijn als deze in een wat groter verband besproken worden’.

Dus we proberen tegelijkertijd planmatig te werken en ruimte te houden om te improviseren en dan ook nog eens een keer rekening te houden met dat we de verschillende doelgroepen voldoende bereiken. Studenten, medewerkers, mensen van buiten de universiteit. We willen een evenwicht in programma’s die meer de wetenschappelijke kant op gaan en die meer de maatschappelijke kant op gaan. We willen een evenwicht tussen de levensbeschouwelijke kant en de filosofische kant. We zijn een goed op elkaar ingespeeld team dat heel snel kan schakelen en handelen, en zo krijgen we het vaak voor elkaar om in de periodes dat er college wordt gegeven, twee à drie keer per week een activiteit te organiseren.

U geeft aan een breed publiek te willen bedienen van studenten, wetenschappers en mensen van buiten de universiteit. In de lezing die Martha Nussbaum voor uw programma gaf, stelde zij dat het van groot belang is om niet alleen studenten, maar ook leerlingen van basis- en middelbare scholen filosofisch te onderwijzen. Ook in de media duiken er regelmatig soortgelijke betogen op. Heeft u plannen en mogelijkheden om vanuit het Soeterbeeck Programma scholieren bekend te maken met, en te interesseren voor wetenschappelijk-filosofisch nadenken over de maatschappij?
Wij nodigen middelbare scholieren wel uit voor onze programma’s, maar wij maken geen programma’s speciaal voor middelbare scholieren. Dat heeft simpelweg te maken met onze missie, die bepaalt dat wij ons richten op studenten, medewerkers en het algemeen hoger opgeleide publiek, en dus niet op scholen en scholieren. Ik steun van harte het pleidooi van Nussbaum, maar ik denk niet dat het op onze weg ligt.

En hoe passen de kunsten, zoals dans, muziek, theater en beeldende kunst binnen de missie van het Soeterbeeck Programma?
Wij verwerken met grote regelmaat kunstuitingen in ons programma. Dat gebeurt soms door de kunst als uitgangspunt te kiezen voor reflectie, zoals in onze filmdebatten. Films zijn heel vaak een hele vruchtbare aanleiding om te praten over maatschappelijke, filosofische vragen of vragen rond betekenis. Onze ervaring is dat wanneer je kunst als uitgangspunt neemt, mensen op de een of andere manier losser of vrijer zijn om te denken. Het nodigt mensen uit om buiten kaders te treden en op een andere manier aan te kijken tegen de vragen waarmee ze worden geconfronteerd.

De discussies naar aanleiding van films zijn anders van aard. Ze zijn ‘losser’ dan wanneer er een lezing wordt georganiseerd: mensen krijgen hele nieuwe associaties die veel verder af liggen dan strikte redeneringen. En wat we belangrijk vinden, is dat wanneer we in programma’s een bepaald thema aan de orde stellen, dat daar bijvoorbeeld een video, een schilderij of muziek bij wordt gebruikt, want  die verwerken en verrijken op hun eigen manier zo’n thema. Die ervaring zet op een andere manier aan tot denken.

Daarnaast werken we samen met museum het Valkhof. Gemiddeld twee keer per jaar organiseren we in het museum, naar aanleiding van een expositie die daar plaatsvindt, een klein symposium waarin we een filosofische verdieping geven aan het thema dat in die expositie aan de orde wordt gesteld. En dat werkt heel erg goed. Zo hebben we een aantal samenwerkingsverbanden in de stad. We werken samen met museum het Valkhof, de Wintertuin, het Boekenfeest en dat is wederzijds heel prettig. Wij vinden het heel fijn om een plek te hebben binnen de activiteiten die deze organisaties laten plaatsvinden. Dat geldt overigens ook omgekeerd: die organisaties vinden het mooi om in hun programma extra filosofie, extra verdieping aan te brengen. Het zijn hele vruchtbare samenwerkingen.

Dat is inderdaad de ene kant van uw programma, maar anderzijds heeft uw programma ook een wetenschappelijke kant. Hoe verleidt u wetenschappers om zich te mengen in maatschappelijke debatten?
Ik vind het heel erg belangrijk dat dat gebeurt: dat wetenschappers zich bereid verklaren om ten eerste hun kennis naar buiten te brengen en om ten tweede te duiden en mee te discussiëren. Het is wel precair, want het is lang niet zo dat alle wetenschappers dat ook graag doen. Soms ook omdat zij vinden dat dat niet hoort bij hun taken. Dat heeft met taakopvatting te maken. Sommige wetenschappers zeggen: wij zijn alleen bezig met feiten, en meningen hoef je van mij niet te verwachten.

Ik heb gelukkig wel het idee dat er onder wetenschappers juist meer interesse ontstaan is om zich te mengen in het debat. Officiële beleidslijnen laten nu ook zien dat dat gewenst is, dat wetenschappers hun kennis delen en naar buiten brengen. Maar hoe ver wetenschappers moeten gaan met opiniëren, discussiëren, daar kun je moeilijk normen voor opleggen. Ik ben blij met de ontwikkeling dat steeds meer wetenschappers daartoe bereid zijn.

Het is natuurlijk goed dat er vanuit de universiteit enerzijds mensen zijn die heel gortdroog op een rijtje kunnen zetten wat de stand van zaken is, wat er vanuit de wetenschap over een bepaald thema gezegd kan worden. En het is anderzijds goed dat er mensen zijn die discussie aangaan, die uitdagen. En het is goed dat er mensen zijn zoals Jan Bransen, die laagdrempelig mensen proberen uit te dagen om zelf na te denken en te filosoferen, en dat dan ook ter plekke prikkelen en oefenen. En dat mag heel lollig zijn. Hoe beter dit spectrum bestreken wordt, hoe beter het is.

Zojuist spraken we al over het plannen van grote namen binnen uw programma. Hoe krijgt u die mensen eigenlijk naar Nijmegen?
Dat gaat eigenlijk op verschillende manieren. Vaak benaderen we zo iemand zelf rechtstreeks. Soms gaat het bijvoorbeeld via een uitgever. We hebben bijvoorbeeld goede banden met de uitgever van Peter Sloterdijk. En die uitgever weet dan wanneer Sloterdijk in Nederland is voor de presentatie van een nieuw boek. En dan krijgen wij gelegenheid om hem een van die dagen te vragen hier te gast te zijn. Soms is het ook zo dat we met een paar universiteiten samen een uitnodiging sturen om een buitenlandse spreker naar Nederland te halen.

Ongetwijfeld zullen goede honoraria hierin ook een rol spelen?
Dat is echt heel verschillend. De ene spreker vraagt geen honorarium, een ander vraagt een paar honderd euro, weer een ander wil veel meer. Er zijnsprekers waarvan wij zeggen: zij willen wel komen, maar we gaan er niet op in want we kunnen en willen geen hele hoge honoraria betalen. Je moet vaak ook nog eens vliegreizen en verblijfkosten betalen. Dus uiteindelijk is het beperkt.

U werkt inmiddels al lange tijd voor het Soeterbeeck Programma, kunt u aangeven wat volgens u de belangrijkste ontwikkelingen zijn die het programma afgelopen tijd heeft doorgemaakt?
Tot een jaar of zes geleden organiseerden we lezingenreeksen in ongeveer acht of negen verschillende plaatsen in Nederland. Die lezingenreeksen boden we dan aan in Nijmegen uiteraard, maar ook in Zwolle, Utrecht, ‘s Hertogenbosch, Heerlen. De sprekers gingen als een soort van reizend theater – zo noemden sommigen van hen het wel eens – door het land.

Het was een grote stap om te zeggen ‘daar houden we mee op’. Het is natuurlijk jammer om zo’n netwerk te verliezen. Aan de andere kant zijn we ons sindsdien uitsluitend op Nijmegen gaan richten en dat is een heel positieve ontwikkeling geweest omdat we daarmee ook veel meer ons werk hebben kunnen concentreren op deze universiteit. We hebben daarmee de universiteit beter zichtbaar gemaakt en ons zelf meer bekendheid gegeven op de campus.  Een andere belangrijke ontwikkeling is natuurlijk het culturele aspect van het programma dat we meer vorm hebben gegeven en waar we net al over spraken. Verder zijn er wel geleidelijke verschuivingen geweest van allerlei aard, waarbij een van de belangrijke dingen is dat we meer en meer in staat zijn om studenten te bereiken. Tenslotte is het belangrijk dat we steeds meer in staat zijn om de maatschappelijk en wetenschappelijke actualiteit aan de orde te stellen en te duiden.

U bereikt inderdaad steeds meer studenten in het publiek, maar er worden nauwelijks studenten als sprekers gevraagd. Is dat niet iets waar misschien meer aandacht voor zou kunnen zijn vanuit het Soeterbeeck Programma?
Ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de Radboud Universiteit is er een hele grote TEDx-conferentie met als centraal thema ‘vertrouwen’ georganiseerd. Ik was een van de mensen die inhoudelijk verantwoordelijk waren voor het ontwikkelen van het programma. Wij hebben in het programma vier studentsprekers gehad en die waren geweldig. Heel inspirerend. Die hebben hun korte TEDtalks opvallend enthousiast en kundig neergezet. Dat was indrukwekkend en het zette mij aan het denken. We hebben het intern besproken. Je zou op die manier kunnen proberen om studenten vaker een bijdrage te laten leveren aan het programma. Ik weet niet of we een student een hoofdlezing zouden laten houden, maar er zijn vaak programma’s waar allerlei mensen een bijdrage leveren. Studenten zouden daar ook een rol kunnen spelen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>