Jezelf ter discussie stellen en iemand anders worden

Interview met Luca Consoli

 Luca Consoli (1971) studeerde en promoveerde in de theoretische fysica, maar is tegenwoordig werkzaam als universitair docent Wetenschap en Samenleving aan de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Radboud Universiteit (RU) in Nijmegen. Volonté Générale sprak met hem over wetenschappelijke ethiek en de vormende rol die de universiteit zou moeten vervullen.

U studeerde en bent gepromoveerd in de natuurkunde. Nu doceert u filosofie en bent u een specialist in de wetenschapsethiek. Hoe en waarom heeft die overgang plaatsgevonden?
In mijn master en promotie heb ik me op theoretische fysica gericht. Ik denk dat theoretische fysica een vak is dat vele filosofische elementen bevat. Je probeert uit te zoeken hoe de boel in elkaar steekt. Dat is precies hetzelfde wat de filosofie beoogt. Ik heb nooit gedacht dat er een groot verschil tussen beide velden was. Echter, er is sprake van een methodologisch verschil. Toen ik mijn VWO had afgerond, twijfelde ik tussen filosofie en natuurkunde. Toen dacht ik, als ik filosofie doe, heb ik later geen zin meer om wiskunde en de hele technische kant van een bètavak te leren. Als ik met natuurkunde zou starten, zou ik me daarna ook in de filosofie kunnen verdiepen.

Toen ik promoveerde, heb ik mij indirect en direct met filosofie bezig gehouden. Als je de relativiteitstheorie leert, dan ben je vanzelf flabbergasted, want dat zijn natuurlijke dingen die volstrekt contra-intuïtief zijn. Met name kwantummechanica bevat aspecten die je je in feite niet kunt voorstellen. De mens heeft een macroscopische intuïtie en de kwantummechanica toont microscopische fenomenen. Het zijn fenomenen die wij eigenlijk niet kunnen snappen, maar met behulp van wiskunde proberen te begrijpen. Dan word je aan het denken gezet over vragen als ‘Hoe komt deze kennis tot stand?’ en ‘Wat is de waarde van de kennis als deze dermate contra-intuïtief is?’. De filosofische reflectie zit dus bij deze onderwerpen ingebakken.

Daarnaast heb ik mij ‘direct’ in de filosofie verdiept. Toen ik promoveerde, moest ik een aantal cursussen volgen voor de opleiding tot wetenschapper. Eén van die cursussen was filosofie. In die tijd ben ik in contact gekomen met professor Hub Zwart, (Professor Wetenschapsfilosofie aan de RU, red.). Hij heeft mij gevraagd of ik bij hem als postdoc verder zou willen werken. Er was geld voor wetenschapsethiek, dus daar ben ik begonnen. Ik zie de overgang van natuurkunde naar filosofie niet als een wende in mijn onderzoek. Het is een geleidelijke overgang van wetenschap bedrijven naar over wetenschap reflecteren.

 Is er sprake van een speciale wetenschapsethiek van de natuurwetenschappen?
Wetenschapsethiek gaat in op de vraag hoe wetenschappers met hun vak, met elkaar en met de samenleving omgaan. Ik ben een bèta en ik ben dagelijks op de bètafaculteit. In de bètawetenschappen leeft er een ontzag voor de natuur. Zeker de fysici beschouwen zichzelf als ‘het dichtste bij de natuur’. De empirie is bij bètastudies allesbepalend. Je moet niet durven om aan die gegevens te komen. Als je dat wel doet, dan doe je de natuur opzettelijk geweld aan. Doordat de bètavakken zijn gericht op het verzamelen en analyseren van data, ontstaan er specifieke ethische vraagstukken die gefocust zijn op het omgaan met die data.

Voor de sociale wetenschappen zijn er vergelijkbare vraagstukken als in de natuurkunde, maar die vraagstukken zijn van een net een andere soort, omdat de empirie net wat anders in elkaar steekt. Ik kan me voorstellen dat in vakgebieden waar interpretatie als vanzelfsprekend een andere rol speelt, de grens tussen harde feiten en interpretatie vervaagd. Daarom is in sociaalwetenschappelijk onderzoek de methodologie zo belangrijk. De methodologie moet ervoor zorgen dat wetenschappers geen onwerkelijke dingen gaan doen met de gegevens. Het is de aard van de praktijk die wetenschappers ertoe dwingt om heel goed na te denken en te reflecteren. Wanneer doe je iets wat niet mag?

 Waar houdt u zich op het moment mee bezig?
De drijfveer van mijn onderzoek is de vraag: ‘Wat is een goede wetenschapper?’ Mijn onderzoek focust zich op wetenschappelijke praktijken. Hoe positioneren en functioneren wetenschappers als gemeenschap in de praktijk? Het ‘goed’ in mijn onderzoeksvraag heeft een dubbel karakter. Ten eerste refereert ‘goed’ naar de methodologie, want een goede wetenschapper is een wetenschapper die de methoden goed kent. Ten tweede heeft ‘goed’ een morele lading. Een goede wetenschapper is iemand die strijd voor een betere wereld.

Het is mijn doel om met behulp van de deugdethiek deze met elkaar verweven betekenissen van ‘goed’ te verduidelijken. In de deugdethiek staat een aantal vragen centraal: Wat is het goede leven? Hoe leef je het goede leven? Hoe ben je een goed mens? Op deze manier kan er een sprong naar de wetenschap worden gemaakt: wat is een goede wetenschapper? De deugdethiek is ooit door Aristoteles bedacht en is de oudste vorm van ethiek in het Westen. Mensen als Alasdair MacIntyre hebben het gedachtegoed van Aristoteles geconcretiseerd en vooral gemoderniseerd. MacIntyre stelt practice en institution centraal en dat vormt voor mij een hele mooie ingang om de wetenschap te analyseren. Hoe balanceert de wetenschapper tussen deze twee?

 Bedoelt u met ‘een betere wereld creëren’ dat een wetenschapper maatschappelijk geëngageerd behoort te zijn?
Ziet zozeer. Ik denk dat wetenschappers maatschappelijk geëngageerd kunnen zijn, maar engagementen moeten zich altijd in een bepaalde afstand tot het object verhouden. Mijn publiek bestaat niet alleen uit filosofen en ethici, maar de werkende wetenschap als geheel. Ik wil dat fysici en mathematici zich kunnen herkennen in mijn analyses en er iets mee kunnen doen. Het is mijn doel om nuttige kennis te produceren voor de werkende wetenschapper – kennis die voor wetenschappers en studenten herkenbaar is.

 Je publiek bestaat vooral uit wetenschappers. Als je ziet wat Diederik Stapel losmaakt in de maatschappij, zou je dan een groter publiek willen bereiken en laten zien dat er specialisten zijn die zich met dit soort problemen bezighouden?

Als de pers mij vraagt een artikel te schrijven of interview te geven, dan doe ik dat natuurlijk. Echter, het is heel ingewikkeld om dat op een voor het publiek begrijpelijke manier te doen. Niemand zal over Stapel of Hwang Woo-Suk (een Zuid-Koreaanse wetenschapper die in 2006 werd veroordeeld voor wetenschapsfraude, Red.) zeggen ‘eigenlijk was het best goed wat hij heeft gedaan’. Het probleem is echter dat er in de praktijk een enorm grijs gebied is van wat wel en wat niet acceptabel is. De belangrijkste en moeilijkste vraagstukken zijn juist daar aanwezig!

Op het moment dat je die moeilijkste vraagstukken naar buiten toe probeert te vertalen, wordt het ingewikkeld, want het medium leent zich niet altijd voor de nuanceringen die nodig zijn om het debat op een bepaalde manier op gang te brengen. Het maatschappelijk debat blijft steken op extreme gevallen. Dat is niet verrassend, want het maakt goede krantenkoppen. Ik ben niet een van die wetenschappers die zich altijd negatief uitlaten over de media wat betreft de ongenuanceerde houding van journalisten. Ik weet immers goed dat het om de logica van de media gaat. Niemand zit op een krantenkop van zes regels te wachten.

Het heeft ook te maken met het feit dat de samenleving van de wetenschap een soort absolute standaard vereist. Als een bankier graait, dan zegt iedereen: ‘natuurlijk, het is een bankier. Het is zijn doel om te graaien.’ Als een politicus graait, dan zegt iedereen: ‘natuurlijk, zij kunnen niets en zij willen zich op die manier verrijken.’ Echter, als een wetenschapper iets verkeerd doet, dan zeggen we: ‘maar dát kan niet!’ Volgens de maatschappij hebben wetenschappers immers de waarheid met hoofdletter W als doel. Je zou kunnen zeggen dat wetenschappers ook mensen zijn die met hun menselijkheid wetenschap bedrijven. Daarnaast zou je kunnen stellen dat het vinden van waarheid helemaal niet het doel is van de wetenschap, het gaat om kennis vergaren. Naar aanleiding van deze twee uitspraken is het mogelijk om binnen de academie al twintig uur te discussiëren. Probeer die discussie maar eens naar een maatschappelijk debat te vertalen.

Vaak worden ethici en filosofen aangewezen om als spreekbuis voor de wetenschap te fungeren. Dat vind ik onzin. Wetenschappers moeten geholpen worden om tot inzichten te komen. Hen moet een spiegel voorgehouden worden. Daarna zullen zij zelf als practitioners het debat vorm moeten geven. Dat is de ideale wereld en dat is de reden waarom ik het doe.

In uw hoofdstuk in het boek Denkruimte (2012) noemt u de verschillende rollen die een universiteit kan hebben.[1] Het gaat u vooral om de rollen opleider, vormer of Bilder. Op welke manier kenmerkt zich een Nederlandse universiteit?
Er is in Nederland een duidelijke keuze gemaakt van wat een universiteit behoort te zijn. Wij streven naar een universiteit waarin de wetenschapper een dubbele functie heeft. Wetenschappelijke medewerkers moeten als onderzoeker én onderwijzer functioneren. Dat is niet altijd zo geweest en er zijn universiteiten waar dat niet het geval is. In Amerika zijn er colleges, de plaats waar studenten leren, en de universities, waar voornamelijk onderzoek centraal staat. De echte top, de Ivy League, probeert onderwijs en onderzoek te combineren. Echter, men moet zich wel realiseren dat de begroting van Harvard University groter is dan de begroting van alle Nederlandse universiteiten bij elkaar opgeteld. In Nederland kan die keuze voor een combinatie van onderzoek en onderwijs niet nageleefd worden, want in de praktijk wordt onderzoek veel belangrijker geacht dan onderwijs.

De hele subsidiewereld van universitair onderzoek draait om onderzoeksresultaten. Op dit moment is het kwantificeren van wetenschappelijke output erg belangrijk. Als je veel publiceert, wordt dat zichtbaar en op die manier kun je scoren voor subsidies. Met een subsidie kun je vervolgens verder gaan. Ik vind dat een kwalijke zaak, omdat ik vind dat de vormende functie de hoofdtaak van de universiteit behoort te zijn. Voor onderzoek zijn er immers instituten, zoals het Max Planck instituut. De officiële omschrijving van de Radboud Universiteit is: ‘een op studenten gerichte onderzoeksuniversiteit.’ Ik vind dat een heel mooi streven, maar of dat in de praktijk verwezenlijkt wordt, betwijfel ik. Historisch gezien streeft een universiteit na onderzoek en onderwijs te combineren. Echter, de praktijk is dat onderzoek een grotere rol krijgt toegekend vanwege financiële stromen en wetenschappelijke belangen.

Een universiteit moet studenten vormen tot academici. Het doel van een universiteit is niet om wetenschappers, maar om academici te produceren. Academisch zijn, betekent een bepaalde Weltanschauung hebben. Als een universiteit dit vormende onderdeel te veel links laat liggen, dan gaat de wetenschap er niet op achteruit. Onderzoek kun je immers ook op allerlei instituten doen. Andere hogere onderwijsinstellingen zijn nu heel erg bezig om zich te profileren door het onderzoek te accentueren. Wat is er dan nog eigen aan het instituut universiteit?

Het is één van de belangrijkste onderdelen van een universiteit om zich te onderscheiden van het hoger onderwijs. Het verschil zit hem in de vorming. In deze vorming nemen reflectie en kritisch zijn een belangrijke plaats in. Het reflecteren op ‘de goede wetenschapper’ kan wat mij betreft niet vroeg genoeg beginnen. Alle studenten krijgen iets van filosofie en ethiek in hun studie. Daar ben ik al heel blij om. Wat ik graag zou willen zien, is niet zozeer dat we een hele andere institutionele vorm gaan bedenken, maar dat die reflectieonderdelen ook daadwerkelijk als onderdelen van de studie worden gezien. Reflectie moet geen kunstmatige toevoeging aan een universitaire studie zijn, het vormt de basis van de academische vorming.

Een universiteit produceert academici, mensen met een bijzondere blik op de wereld. Dat klinkt elitair en dat is het ook. Van het idee dat alles voor iedereen mogelijk is, moeten we af. In de politiek zegt men ook altijd: er is een groot verschil tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid. Door gelijke kansen te bieden, heb je gelijkwaardigheid. Echter, je kunt nooit gelijkheid nastreven, want dat zit er gewoon niet in. Wat mij betreft, moet je gelijke kansen creëren en dat is wat anders dan gelijkheid nastreven. Je moet kunnen excelleren. Je moet het geluk hebben dat je in de gelegenheid bent of wordt gebracht waarin je het goede kunt nastreven. Als je voor je brood moet vechten, dan heb je niet zoveel tijd om jezelf te ontwikkelen in de zin dat je na kunt denken over het goede leven. Wij hebben het geluk dat wij in een samenleving leven waarin we ons een vorm van hogere cultuur, hoger onderwijs kunnen permitteren.

 Een klein deel van de studenten gaat aan de slag als wetenschapper. In hoeverre is die academische vorming dan nog nodig?
Die academische vorming is cruciaal. Ik denk dat het juist veel belangrijker is dat je als academicus gevormd bent wanneer je buiten de wetenschap gaat functioneren. Een universiteit levert studenten af, mensen die overal het verschil kunnen maken. Je ziet dat het goed heeft uitgepakt in de programma’s reflections on science én reflections on professions van de Honours Academy in Nijmegen. Je ziet dat dit programma is gericht op mensen die na hun studie buiten de universiteit willen gaan functioneren.

 Hoe is het zichtbaar dat studenten op het moment (te) weinig gevormd worden?
Als docent merk ik dat studenten een gebrek aan kritisch vermogen hebben. Dat vind ik heel ernstig. Kritisch zijn betekent niet dat je alles ter discussie moet stellen, maar dat je reflecteert op de kennis die je voor waar aanneemt. Een voorbeeld is dat studenten door het gebrek aan kritisch vermogen soms het idee hebben dat plagiaat als gezeur van de docent wordt gezien. Dan begrijp je niet dat als je woorden van iemand anders overneemt, je de kennis niet hebt eigengemaakt.

Correct verwijzen is een skill. ‘In welke vorm moeten we citeren?’ ‘Wat moet de afstand tussen de regels zijn?’ ‘Hoe lang moet het stuk überhaupt zijn?’ We zijn niet op school, maar we zijn op een universiteit! Schrijf hoeveel bladzijden je wil. Als regeltjes het belangrijkste zijn, dan gaat een universiteit aan zijn belangrijkste doel voorbij. Dat is precies ook wat de deugdethiek zegt: regels zijn niet om te volgen omdat ze ergens hangen. Regels moet je internaliseren. Je moet snappen waar ze vandaan komen en op die manier kun je er mee leren omgaan en ze ter discussie stellen.

 Draagt u de dialoog over vorming aan als oplossing voor dit probleem?
De dialoog betekent dat je jezelf ter discussie stelt. Je kunt je kwetsbaar opstellen. Je moet ook bereid zijn om je positie te veranderen. Dat kan alleen maar door je open te stellen en de dialoog aan te gaan. Ten tweede, veel kennis wordt voor waar aangenomen. De meeste mensen handelen vanuit aannames en veronderstellingen waarvan ze zich niet bewust zijn. Door de dialoog aan te gaan, maak je deze aannames en veronderstellingen zichtbaar en dat is wat vorming inhoudt. Net als MacIntyre vind ik het van belang om met elkaar in discussie te gaan, ook al zouden we het nooit met elkaar eens worden. Op die manier kun je namelijk de verbindende factor aanwijzen. Het doel van deze discussie is niet om elkaar te overtuigen, maar om te reflecteren en op die manier de zwakheden van je eigen visie te zien. Jezelf ter discussie stellen en daardoor iemand anders worden. Dat is waar vorming over gaat.

De Honours Academy, en zeker de manier waarop wij dat in Nijmegen doen, is een buitengewone excellente manier om dat te bewerkstelligen. Aan andere universiteiten zie je dat een honours-programma nog meer inhoudelijke verdieping biedt. Het interdisciplinaire honoursprogramma in Nijmegen heeft juist veel horizontale kracht. Op die manier wordt de horizontale kracht van een academicus ontwikkeld. Dat is precies wat nodig is om van wetenschapper naar academicus te gaan: de combinatie van een horizontale dimensie op de verticale dimensie.

In Denkruimte schrijft u over moreel pluralisme, het idee dat je over moraal, ethiek en deugden eigenlijk niet meer kunt discussiëren. In hoeverre is er dan nog een dialoog mogelijk?
Ik ben geen postmodernist. Mensen snakken nog steeds naar grote verhalen. Echter, we gaan naar een tijdperk waarin we ons realiseren wat de betekenis van deze grote verhalen is. Het bepalen van de betekenis geschiedt vanuit het moreel pluralisme, niet het relativisme. Het relativisme stelt dat alle posities even goed of even fout zijn: er wordt in feite geen waardeoordeel gegeven. Moreel pluralisme erkent dat er verschillende posities zijn, maar stelt ook dat er aan deze posities, vanuit de eigen positie, wel degelijk een waardeoordeel kan worden verleend.

 Als u naar aanleiding van deze ideeën spreekt, nadenkt en erover in discussie gaat, vindt u veel bijval voor dit soort ideeën op de universiteit?
Heel veel mensen vinden het interessant. Ik heb echt enorm interessante discussies met studenten. Kortom, ik merk dat het debatteren over reflectie heel erg leeft. Er zijn echter maar een paar plaatsen waar reflectie ook wordt ‘uitgevoerd’: de Honours Academies en de reflectiecursussen. Dat kan wat mij betreft nog veel meer, nog veel beter. Echter, men loopt ook tegen institutionele en financiële kwesties aan. De dialoog zal nooit de kerntaak van een moderne 21ste eeuwse universiteit zijn, maar wat mij betreft zou het wel een deel van het weefsel van een universiteit moeten én kunnen zijn. Daar valt nog veel te winnen.

Uit het boek van Diederik Stapel en de rapporten die zijn verschenen naar aanleiding van de kwestie Stapel wordt duidelijk dat er een universiteitenoverkoepelende cultuur van publish or perish heerst. Hoe zou Bildung in deze cultuur van pas kunnen komen om fouten en fraude te voorkomen?

De basis van een wetenschappelijke discussie is de publicatie. Zonder publicaties is er geen wetenschap. Op het moment is er echter sprake van een mismatch tussen wat men in de praktijk wil en wat de instituties beogen. Het institutionele gebruik van publicaties is waar de schoen wringt. Ik moet nog een wetenschapper vinden die zegt: ‘Wat prachtig dat ik elk jaar moet tellen hoeveel punten ik dit jaar heb gehaald.’ Tussen de aard van de wetenschappelijke praktijk, waarvan publiceren een onderdeel is, en de manier waarop publicaties gebruikt worden – om te scoren – is een enorme kloof.

Men moet in gedachten houden dat wetenschappers geen heiligen zijn. Voor wetenschappers in het algemeen, en jonge wetenschappers in het bijzonder, is het tegenwoordig heel belangrijk om te scoren, want op die manier kunnen zij in de wetenschappelijke hiërarchie opklimmen. En Stapel is uiteraard niet een geval op zich, hij heeft zo kunnen opereren omdat hij in een omgeving functioneerde waarin fraude mogelijk was.

Ik denk dat hameren op vorming, het hameren op het internaliseren van een bepaalde houding, heel belangrijk is voor een nieuwe generatie wetenschappers. Daar moet in de studiefase mee begonnen worden. Omdat er zoveel aandacht voor deze cultuur en de fouten zijn geweest, denk ik dat de komende generatie een andere academische cultuur zal creëren. We leren van onze fouten, maar het is volkomen irrealistisch om te stellen dat de wetenschap werkelijk zal veranderen in een wereld waarin iedereen alleen naar ‘de  Waarheid’ streeft. Het is veel beter om duidelijk te maken aan studenten dat we methodes hebben en dat die methodes er zijn om gehanteerd te worden. Je moet eerlijk zijn. Negatieve kennis moet publiceerbaar worden. Je moet de discussie aangaan en nadenken over waar we naar toe gaan. Wij zijn met zijn allen onderdeel van de vorming.



[1] W. Sanderse en L. Consoli, ‘De problematische plaats van vorming in universitair onderwijs’, in: W. Sanderse en E. van der Zweerde (red.), Denkruimte. Reflecties op universitaire idealen en praktijken (Nijmegen 2012) 78-94.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>