Ik wil de wereld beïnvloeden

Interview met Maaike Kroon 

In december 2010 werd Maaike Kroon op 29-jarige leeftijd aangesteld als hoogleraar scheidingstechnologie aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Zij is de jongste vrouwelijke hoogleraar in Nederland en lid van de Jonge Academie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van de Wetenschappen. Volonté Générale sprak met haar over haar specialisme scheidingstechnologie, de positie en rol van deze expertise in de maatschappij en haar visie op de universitaire wereld .

Waarom heeft u gekozen om scheidingstechnologie te gaan studeren?
In eerste instantie wilde ik de wereld op grote schaal leren kennen of astronaut worden. Tijdens mijn middelbare schooltijd ging mijn belangstelling steeds sterker uit naar de kleinere schaal, de moleculen. Ik wilde weten hoe het in elkaar zat, maar daar hield mijn interesse niet op: ik wilde iets met deze kennis doen en het liefste de wereld beïnvloeden. Na een dag proef-studeren koos ik voor de opleiding Chemische Technologie & Bioprocestechnologie. Het was een combinatie van de exacte vakken die ik leuk vond. Ik wist nog niet precies welke kant ik op wilde en daardoor koos ik voor een brede studie

Zou u kunnen verduidelijken wat scheidingstechnologie inhoudt?
Het is een combinatie van scheikunde en technologie. Scheikunde kent iedereen wel van de middelbare school. Deze wetenschap houdt zich bezig met de vraag ‘hoe werkt iets chemisch gezien?’. Bijvoorbeeld, hoeveel koffiebonen en hoeveel water heb ik nodig voor een kopje koffie? Hoe lang moet het contact tussen beide duren? Hoe grof moeten de bonen gemalen zijn? Door middel van antwoorden op deze vragen kunnen wij een perfecte kop koffie creëren.

Een chemisch technoloog gaat met deze kennis aan de slag en past deze kennis toe op grotere schaal. Chemische technologie is in feite het ontwerpen van fabrieken op basis van chemische processen. Een ondernemer benadert een chemisch technoloog en zegt: ‘Ik wil een miljoen kopjes koffie per uur produceren, ontwerp de fabriek er maar voor!’ Het gaat dan niet alleen om die chemische processen, maar om het gehele proces van grondstoffen tot het eindproduct, van water en bonen tot het kopje koffie.

Dit grotere proces bevat veel scheidingstechnologie, mijn specialisatie. Ik focus mij op het scheiden van verschillende stofjes. Scheidingsprocessen komen overal voor: in plastic bekertjes of koffie, maar het bekendste voorbeeld is toch wel benzine. Er zijn verschillende technieken voor het scheiden van stoffen, zoals verwarmen waarbij het ene stofje eerder verdampt dan de ander (destillatie) of het toevoegen van een hulpstof die een bepaald stofje aantrekt. In mijn onderzoek richt ik mij op hulpstoffen die heel selectief één stofje uit een mengsel kunnen pakken. Ik ontwerp die nieuwe hulpstoffen.

U heeft bij verschillende bedrijven in binnen- en buitenland stage gelopen. Wat is de reden hiervoor?
Na een jaar studeren kwam ik erachter dat ik de technologische vakken, waar je fabrieken en reactoren ontwerpt, interessanter vond dat de puur scheikundige vakken. Dat is toch minder mijn ding. Ik heb mijn vakken in deze richting gekozen en tijdens mijn vierde jaar heb ik drie vakken gevolgd buiten de universiteit bij verschillende bedrijfstakken. Conceptual Process Design, het ontwerpen van een fabriek, deed ik bij Shell in Amsterdam en een research-practicum bij een voedingsmiddelen bedrijf in Gorinchem, Purac Biochem. Ten slotte liep ik stage in Tokio bij Toshiba, een elektronicabedrijf.

Van de stage wordt wel gezegd: ‘Doe dat in een bedrijf.’ Het andere wordt meestal op de universiteit gedaan. Ik wilde alle drie de vakken bij bedrijven doen omdat ik wilde weten bij welke verschillende bedrijven ik zou kunnen gaan werken. Echter, ik kwam er achter dat ik liever mijn eigen ding deed dan in een bedrijf werken. Het doen van onderzoek vind ik leuker dan het runnen van een fabriek. Hoe krijgen we processen schoner, efficiënter, duurzamer? Ik heb ervaren dat bedrijven toch heel economisch gericht zijn en dat werknemers een richting in worden gestuurd. Er was niet altijd de ruimte om je eigen ideeën uit te denken, maar daar is gelukkig op de universiteit wel ruimte voor. Hier kan ik met mijn eigen ideeën aan de slag en met een onderzoeksgroep een stempel drukken op het onderzoek. De functie van hoogleraar past daar uistekend bij. Rond mijn 21ste of 22ste werd dat mijn doel. Het was een hele bewuste keus, want ik had de andere opties al getest.

Toch, de weg naar het hoogleraarschap is dan normaal gesproken nog lang.
Voor mijn afstuderen ben ik met mijn eigen idee naar een hoogleraar gestapt. Hij vond mijn project interessant en zei: ‘Voer het maar uit.’ Het bleek te werken en daaruit ontstond een patent. Vanuit dit onderzoek is mijn PhD-traject ontstaan. Op deze manier kreeg mijn PhD-project een vliegende start en daardoor heb ik het traject in twee jaar kunnen afronden. Veel mensen hebben een jaar nodig om zich in te lezen, een jaar om alle apparatuur bij elkaar te zoeken en dan gaan ze een jaar onderzoek doen. Pas na drie jaar komen ze aan het schrijven toe. Omdat ik deze stappen al tijdens mijn master had gedaan en geen bijzondere apparatuur nodig had, kon ik sneller promoveren. Het is geen noodzaak om er vier jaar over te doen, zolang er maar een bepaalde wetenschappelijke output ligt. Na mijn promotie heb ik een aantal jaar als universitair docent gewerkt en in de Verenigde Staten als visiting professor aan Stanford University onderzoek en onderwijs kunnen combineren. Vervolgens heb ik gesolliciteerd op een vacature voor het hoogleraarschap.

Zat u dan alleen met uw hoofd in de boeken of in het laboratorium?
Ik vind mijn werk hartstikke leuk, maar ik heb daarnaast ook een heel leuk leven. Veel mensen denken vaak: ‘Doe je nooit iets anders dan werken?’ Ik ben een jaar bestuurslid van de studievereniging geweest, ik heb ook gewoon gefeest tijdens mijn studententijd en ik heb nu een leuk gezinsleven, want ik ben getrouwd en ik heb een zoon. Ik heb het geluk dat ik niet veel slaap nodig heb en snel onderzoeksvoorstellen en publicaties kan schrijven. Daardoor is het voor mij geen enkel probleem om ’s avonds tot laat door te gaan en de volgende ochtend weer college te geven.

De hoofdfunctie van een hoogleraar is in de eerste plaats het opleiden van jonge mensen op een bepaald vakgebied. Natuurlijk moet er ook onderzoek gedaan worden, dat door bedrijven gesponsord moet worden en waarvoor het noodzakelijk is geld binnen te halen, maar uiteindelijk is het goed opleiden van mensen wel de hoofdtaak van het hoogleraarschap. Ik vind dat een hoogleraar goed bereikbaar moet zijn voor studenten. Als er een tentamen is gemaakt en er zijn mensen die het niet gehaald hebben, dan vind ik het dan niet meer dan logisch dat ik dan aangeef wanneer ik aanwezig ben en wanneer zij het kunnen inzien.

Heeft u als jonge hoogleraar een bijzondere band met uw studenten? Zit u meer in de belevingswereld van studenten?
Dat denk ik wel. Ik ben ook opgegroeid met laptops en mobiele telefoons en hierdoor sta ik dichter bij de studenten. Het feit dat je relatief jong bent, werkt in je voordeel als je met jongeren moet werken, want de kloof tussen docent en student is minder groot. Het is ook heel motiverend om met jongeren te werken, want het houdt me jong.

Zijn technische studies echte ‘jongens-studies’?
Er is een stijgende lijn wat betreft het aantal vrouwelijke studenten dat met deze studie begint. Toen ik begon met mijn studie in 1999 zaten er in het eerste jaar 44 mensen: 38 mannen en zes vrouwen. Dit jaar zijn er 60 begonnen, waarvan vijftien vrouw zijn. Toch, techniek is in Nederland nog steeds een mannenbolwerk, want veel vrouwen die hier in Eindhoven in de master instromen komen uit het buitenland. In het buitenland is die verhouding anders. Zo was in Stanford bij de studie werktuigbouwkunde ongeveer 40 procent vrouw terwijl dat in Nederland 5-10 procent is.

Dat is opvallend. Hoe is dit verschil te verklaren?
Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat allereerst de economische situatie in Nederland zo is geweest dat vrouwen heel lang niet hoefden te werken, omdat er gewoon voldoende inkomen was met één salaris. In de Verenigde Staten is dat niet zo, want daar heb je twee salarissen nodig om een gezin ‘draaiende’ te kunnen houden. Het minimuminkomen is daar bijvoorbeeld 1.200 dollar en het huis waarin wij woonden, niet eens zo heel groot, kostte al 2.300 dollar per maand. De studiekeuze wordt daar veel meer vanuit een economische gedachte gemaakt en met een technische studie krijg je een beter salaris dan met andere studies. In Nederland wordt vaak gezegd: ‘Doe maar wat je leuk vindt.’

Daarnaast is Nederland van oorsprong een calvinistisch land en door deze invloeden zijn traditionele rolpatronen van man en vrouw weinig veranderd. In Spanje bijvoorbeeld, een katholiek land, werken veel meer vrouwen en zijn er ook veel meer vrouwen in de techniek.

Werkt het feit dat u vrouw bent in uw voordeel of nadeel aan de TU/e?
Het brengt zowel voor- als nadelen met zich mee. Aan de ene kant wordt je overal voor gevraagd, want in elke commissie moet een vrouw zitten en die lopen hier niet veel rond. De kans dat je gevraagd wordt is daardoor groter. Ook wordt je vaker uitgenodigd op congressen. Een nadeel is dat je niet op alle uitnodigingen in kunt gaan en zo nu en dan ook nee moet kunnen zeggen.

In de Volkskrant zei u dat er binnen uw vakgebied een snelle roulatie is van hoogleraren. Kunt u ons verduidelijken hoe dit mogelijk is?
Er zijn veel grote spelers in de Nederlandse chemische industrie: DSM, Shell, Akzo-Nobel en Unilever. Zij nemen veel studenten af. Er zijn ongeveer 200 chemisch technologen nodig per jaar en er studeren rond de 80 studenten per jaar af. Het is geen enkel probleem om een baan te vinden en hetzelfde geldt voor hoogleraren. Na een tijdje willen zij soms wat anders gaan doen en het salaris in het bedrijfsleven is gewoonweg beter. Hoogleraarschap is een uitdagende functie, met veel vrijheid om je eigen onderzoek te doen. Echter, voor sommigen is de financiële motivatie heel sterk en zij beginnen daardoor niet eens aan een academische carrière, maar gaan direct het bedrijfsleven in. Ik ben wel een universitaire loopbaan gestart, maar ook al zet ik met veel plezier mijn onderzoeksgroep op, ik wil helemaal niet zeggen dat ik mijn huidige functie tot mijn 65ste of 67ste houd. Dat geloof ik helemaal niet. Ik kan me goed voorstellen dat er op termijn wat anders in mijn leven komt.

Merkt u ook aan de studenten dat zij minder warmlopen voor een PhD bijvoorbeeld?
Slechts één op de vier of vijf Nederlandse studenten gaat door als promovendus. Vaak gaan ze direct na hun studie aan de slag als chemisch ingenieur, de best betaalde ingenieur van Nederland. Na vier jaar werken op een booreiland of in Abu Dhabi kun je een eigen huis afbetalen. Veel van onze promovendi zijn niet Nederlands, maar deze buitenlandse studenten hebben een uitstekende motivatie en leveren op die manier een waardevolle bijdrage aan ons land. Nederland heeft deze mensen gewoon nodig. Zonder hen kunnen we de fabrieken die een belangrijke rol in onze economie spelen niet draaiende houden. Ik vind het schrijnend dat deze briljante mensen met goede oplossingen en ideeën voor de toekomst lastig aan een verblijfsvergunning komen.

Daarnaast kan ervaring vanuit het buitenland een waardevolle bijdrage leveren aan ons onderzoek. Ik denk dat het voor mensen op een universiteit vaak van groot belang is dat je niet altijd op dezelfde plek bent geweest, want uiteindelijk moet je als hoogleraar een goed overzicht hebben van de stand van de zaken en goed overzicht krijg je door op verschillende plekken te zijn geweest.

Hulpstoffen worden met name gebruikt in de industrie. Hoe gaat u om met de spanning tussen innovatie en duurzaamheid enerzijds en de economische belangen anderzijds?
Bedrijven worden gedreven door economische motivatie. Duurzaamheid kan echter ook een economisch voordeel zijn voor een bedrijf. Energie is duur, dus spaarzaam omgaan met energie is een bezuiniging. Hetzelfde geldt voor grondstoffen: als jij minder verspilt en minder afval maakt, ben je minder geld kwijt aan de grondstoffen en zijn er minder afvalverwerkingskosten. In feite gaan economie en duurzaamheid op dat gebied hand in hand.

Daarom voorzie ik een duurzamere toekomst. We zullen energie voornamelijk uit de zon gaan halen, mineralen gaan we recyclen en organische producten zullen we uit biomassa halen. Op dit moment is dat nog niet mogelijk zonder veel concessies te moeten doen op andere gebieden. Enerzijds willen wij een bepaalde welvaartsstandaard behouden; anderzijds willen we dat alles schoner en energiezuiniger gaat gebeuren. De industrie die er nu staat is in de jaren 1970 ontworpen en in de jaren 1980 gebouwd. Deze is in vergelijking met wat we nu ontwikkelen niet echt schoon te noemen. Als de oudere fabrieken aan het einde van hun levenstermijn zijn en vervangen worden door nieuwe, zul je zien dat deze minder vervuilend zijn. Chemische technologie draagt bij aan een schonere wereld, omdat je iets van binnenuit kunt veranderen.

Speelt het bedrijfsleven een grote rol binnen de technische opleidingen?
Nee, ik heb het idee dat bedrijven zich nogal afzijdig houden. Het bedrijfsleven stuurt wel de richting van het onderzoek, maar bedrijven vinden het onderwijs een overheidsverantwoordelijkheid. Het lijkt mij echter goed als bedrijven zich hier meer mee zouden bemoeien en als ze zouden zeggen ‘we gaan studenten steunen met beurzen als ze deze studie gaan doen of als ze iets er naast willen doen, dat vinden wij relevant en daar loven wij beurzen voor uit.’ De Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie wilde dat eerst gaan doen, maar daar lijkt ze jammer genoeg  van teruggekomen te zijn.

U refereerde net al even aan uw eigen toekomst. Treffen de komende bezuinigingen op het onderwijs uw onderzoeksgroep ook?
In vergelijking met de alfawetenschappen heb ik het gevoel dat het bij ons minder is, maar de technische studies worden dan ook veel meer gesponsord vanuit het bedrijfsleven. De toekomst van mijn onderzoeksgroep is rooskleurig: Projecten worden gehonoreerd, studenten komen bij mij afstuderen en we gaan steeds meer leuke nieuwe dingen ontdekken in het lab. Dus ik hoop dat het groeiende en bloeiende groep wordt.

Onze opleiding wordt ook minder hard getroffen: de studentenaantallen stijgen en ondanks de economische crisis hebben mijn afstudeerders zo een baan. Studenten zelf worden wel hard geraakt en dat vind ik schrijnend. De studiekosten worden zo hoog dat studenten genoodzaakt zijn zich in de schulden te steken. Tevens is er nog maar beperkt tijd om een opleiding af te ronden. Onze opleiding is een langere opleiding van vijf jaar, maar je krijgt niet een jaar extra uitloop. De extra-curriculaire activiteiten hebben hier erg onder te lijden, zo heeft de studievereniging bijvoorbeeld steeds meer moeite mensen te vinden voor een jaar bestuur. Hierdoor kan het gebeuren dat mensen niet meer gaan studeren, terwijl deze opgeleide mensen nodig zijn. Ik kan me goed voorstellen dat bezuinigingen nodig zijn, maar het is een doodssteek voor het land als studeren te duur wordt en het voor studenten onaantrekkelijk wordt om een studie te volgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>