Het maximale uit mijzelf halen

Interview met Dirk Cornelissen 

Dirk Cornelissen (1988) volgt de master Politiek & Parlement aan de Radboud Universiteit Nijmegen (RU) en is vice-voorzitter van de Universitaire Studentenraad (USR). Daarnaast is hij op meerdere fronten actief binnen het CDA. De redactie van Volonté Générale sprak met hem over zijn studie, zijn rol binnen de USR en de motivatie achter zijn politieke activiteit.

In september 2006 bent u begonnen met de studie Geschiedenis aan de RU. Drie jaar later koos u voor de masteropleiding Politiek & Parlement aan dezelfde universiteit. Waarop waren deze keuzes gebaseerd?
Mijn interesse voor geschiedenis is ontstaan in de periode dat ik als klein kind om half negen naar bed moest. We hadden thuis één televisie en mijn ouders wilden iedere dag het achtuurjournaal zien. Op die manier was ik op de hoogte van belangrijke gebeurtenissen in Nederland en de wereld daarbuiten. Met de jaren groeide mijn interesse voor de politiek en deze werd versterkt door de lessen staatsinrichting en maatschappijleer op de middelbare school. Ik werd mij ervan bewust dat de conflicten in de wereld niet op zichzelf staan, maar een historische dimensie hebben. Het fascineerde mij meer en meer hoe men in het verleden met soortgelijke problemen was omgegaan.

Gedurende de bachelorfase van mijn opleiding Geschiedenis merkte ik dat ik naast militaire geschiedenis vooral belangstelling had voor politieke aspecten van geschiedenis in het algemeen. Achter de politiek schuilt een historische dimensie en juist de master Politiek & Parlement gaat in op de huidige spanningen binnen het politieke krachtenveld, maar doet dat vanuit een historisch perspectief. Het is mooi om onderwerpen in de hedendaagse politiek te kunnen relativeren door te laten zien dat soortgelijke problemen ook in het verleden speelden. Een goed voorbeeld hiervan is het thema migratie. Je ziet vergelijkbare aspecten tussen integratie en migratie nu en in het verleden. Ook in het verleden zijn er spanningen geweest tussen bevolkingsgroepen en hebben mensen tijd nodig gehad om te integreren. Uiteindelijk zijn deze mensen geïntegreerd of geassimileerd in de samenleving. Ook nu zal dat waarschijnlijk het geval zijn, maar zoiets heeft tijd nodig. Mensen krijgen deze tijd niet meer. De meerderheid van de Nederlandse bevolking wil dat de problemen morgen al opgelost zijn, maar soms is dat niet mogelijk.

Politici doen hier zelf ook aan mee, want ze proberen hun eigen positie te handhaven en indien mogelijk te versterken. Ze gebruiken loze kreten omdat ze de volgende ochtend in de krant willen staan. Wat dat betreft zou een meer elitaire politieke stijl niet per sé slecht zijn: wat meer doordacht, wat minder naar de waan van de dag. Het verleden hoeft niet leidend te zijn, maar zou in de analyses van problemen meer meegenomen moeten worden dan nu het geval is.

Tijdens uw studie heeft u twee keer de overstap van wetenschap naar politieke praktijk mogen maken door middel van een stage. Hoe heeft u deze overstap ervaren?
In de bachelorfase heb ik een stageminor gedaan. Ik heb CDA-Europarlementariër Maria Martens geholpen bij de politieke campagne voor de verkiezingen van het Europees parlement in 2009. Ik heb onderzoek gedaan voor werkbezoeken en bijvoorbeeld uitgezocht welke Europese subsidies in de bezochte regio waren verstrekt. Ik heb geprobeerd om haar in campagnetijd zo goed mogelijk te ondersteunen. De relativerende kracht van de geschiedenis heb ik hierbij niet echt in kunnen zetten.

Gedurende de master Politiek & Parlement heb ik stage gelopen bij het Parlementair Documentatie Centrum (PDC) te Den Haag, maar het PDC is verbonden aan de Universiteit Leiden. Zij maken websites en onderhouden deze. De winst die gemaakt wordt, investeren zij in eigen wetenschappelijk onderzoek naar het Nederlandse parlement in de brede zin. De wetenschappers die er werken, worden dagelijks gebeld door de grote dagbladen in verband met hun expertise op het gebied van de Nederlandse politiek. Daar zie je dus dat je als historicus wel richting kunt geven aan de dagelijkse ontwikkelingen in Den Haag. Ik heb voornamelijk meegewerkt aan onderzoek voor de gezaghebbende website www.parlement.com. Deze website bevat een schat aan informatie ten aanzien van de huidige parlementaire wereld en die van het verleden. Er staan veel biografieën van politici, zetelverdelingen en verkiezingsuitslagen vanaf 1918 op. Voor deze website heb ik onderzoek gedaan naar afsplitsingen bij partijen in de Tweede Kamer. Dit was mede in het kader van het grotere onderzoeksproject ‘Tijdlijnen’ waarbij allerlei grote gebeurtenissen uit de Nederlandse politiek in een tijdlijn worden beschreven. Het doel van dit project is om wetenschappers en journalisten een handvat te bieden bij hun werk. Men hoopt dat door het verstrekken van gedegen informatie de kwaliteit van de journalistiek wordt verbeterd. Met deze feitelijke informatie kan een onjuist verhaal of vals argument snel worden ontmaskerd.

Naast uw studie bent u ook actief geweest binnen enkele besturen en momenteel heeft u zitting in de USR. Wat beweegt u om deze extracurriculaire activiteiten te ondernemen?
Er zijn verschillende dingen die mij drijven. Allereerst ben ik op zoek naar het maximale dat ik uit mijzelf kan halen. Daarnaast wil ik zaken oppakken en veranderen. Vanuit deze twee aspecten ben ik begonnen met commissiewerk, rolde ik verder naar bestuursfuncties en nu zit ik in de USR. Bovendien is het ontzettend uitdagend om dingen te doen je nog nooit eerder hebt gedaan. Dat je daarbij iets kunt bereiken dat voor veel mensen ook daadwerkelijk iets betekent, maakt het extra de moeite waard. Een goed voorbeeld is dat wij met de USR middels één schriftelijke rondvraag hebben kunnen regelen dat de bibliotheken op zondag langer open zijn.

Wat is de functie van de USR en welke rol vervult u hierin?
De USR heeft een adviserende rol en vormt samen met de Ondernemingsraad het medezeggenschap. Dit betekent dat we kunnen meesturen, maar dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij het College van Bestuur (CvB) blijft liggen. Dit geldt voornamelijk bij financiële aangelegenheden. Op sommige punten kunnen wij randvoorwaarden scheppen of onderdelen op het plan wijzigen, maar er zijn maar weinig punten waar je echt instemmingsrecht hebt. Een goed voorbeeld hiervan is het debat omtrent de financiering van een tweede studie. Deze kwestie is ontzettend ingewikkeld, maar de uitkomsten zijn erg belangrijk voor veel studenten. De maatregel is vanuit Den Haag opgelegd en houdt in dat er geen geld meer beschikbaar is voor de financiering van een tweede studie. Er moest iets gedaan worden om dit inkomensverlies voor de universiteiten te compenseren. Idealiter zou iedereen voor 1700 euro een tweede studie moeten kunnen volgen, maar je moet ook reëel zijn en inzien dat wanneer het geld niet uit Den Haag komt, het ergens anders vandaan moet komen. Ik denk dat het op de RU voor eigen studenten goed geregeld is. Wij hebben een overgangsregeling geïntroduceerd voor maar liefst ‘veertig’ categorieën studenten die dreigden hoge bedragen te moeten betalen voor het vervolg van hun studie. Het CvB is akkoord gaan met ons voorstel, waardoor deze studenten er financieel goed vanaf gekomen zijn.

Binnen de USR ben ik vice-voorzitter. Dit houdt in dat ik USR-leden aanstuur, vergaderingen voorzit en de rechterhand van de voorzitter ben. Ik zit in veel overlegorganen en in de praktijk betekent dat onder meer dat ik mensen adviseer wanneer er sprake is van media-aandacht, zoals ook bij de overgangsregeling waar ik het zojuist over had. Ook ben ik woordvoerder bij bepaalde onderwerpen, zoals destijds bij het VOX-debat. Hierbij wilde de universiteit de onafhankelijkheid van het universiteitsblad aantasten. Wij hebben toen onder andere een handtekeningen actie gehouden, maar het plan is niet van tafel gegaan. Dit heeft mij ontzettend veel energie gekost, maar soms moet je accepteren dat je het maximale hebt gedaan, ook al heeft het niet tot succes geleid.

Wat vindt u van de langstudeerboete die dit kabinet heeft voorgesteld?
Ik kan begrijpen dat men wil dat studenten niet meer dan een jaar extra over hun studie doen. Wanneer dit echter wordt ingevoerd voor mensen die al bezig zijn – wat het kabinet voornemens is – is dat een brug te ver. Dat kan gewoon niet!

Uw standpunt komt niet geheel overeen met dat van de Tweede Kamerfractie van uw partij, het CDA. Hoe gaat u om met deze discrepantie?
Binnen het CDA is het bij velen al genoegzaam bekend dat ik dit standpunt niet deel, wat leidt tot interessante discussies met partijgenoten. Ik heb zo’n discussie eens gevoerd met een Kamerlid. Op een gegeven moment voerde hij het argument aan dat er bezuinigd moest worden en dat dit overal pijn zou doen. Wanneer iemand met zulke argumenten komt, weet je dat de feitelijke discussie afgelopen is. Tijdens mijn campagne voor de Provinciale Statenverkiezingen heb ik dit in mindere mate meegemaakt. Ik heb op straat met mensen gesprekken gevoerd over onder meer het regeringsbeleid aangaande het bijzonder onderwijs. Dan zeg ik wel wat ik vind, ook wanneer dit afwijkt van het standpunt van de Tweede Kamerfractie. Ik vertel wat het standpunt is van de Tweede Kamerfractie en dat ik probeer daar invloed op uit te oefenen. Toch vermeld ik ook dat het om deze discussie niet primair gaat bij de Provinciale Statenverkiezingen.

Welke rol ziet u voor jongeren binnen het CDA weggelegd?
Binnen de confessionele politiek beland je in een situatie waarin mensen vanuit een traditie lid werden van een politieke partij. Dat zijn veel van de huidige leden van 65 jaar en ouder. Daarnaast is er een grote groep die heel bewust voor het CDA gekozen heeft. Binnen die groep ervaar ik dat je als jongere een netwerk op kunt bouwen, je wordt serieus genomen in debatten en er is een mogelijkheid om op de kieslijst te komen. Op dit moment wordt binnen het CDA ook serieus naar voorstellen van het CDJA geluisterd. Ik denk dat circa vijftig jaar geleden de gedachte overheerste: ‘We moeten ook nog een jongere op de lijst zetten en daarom kiezen we iemand uit “onze” vijver.’ Jongeren waren wel aanwezig, maar meer omdat het gunstig was voor het imago van de partij.

Je ziet wel dat jongeren zichzelf ook te serieus kunnen nemen. Een goed voorbeeld is de grote vergaderdrang bij alle politieke jongerenorganisaties. Je hoeft niet elke keer te vergaderen over het nieuwste kabinetstandpunt over Europa of over de situatie in Ethiopië. Je schrijft een resolutie over dit onderwerp, deze dien je in op een CDJA-congres en dan vinden wij als CDJA iets over de situatie in Ethiopië. Echter, het doel wordt voorbij geschoten, wanneer er te veel vergaderd wordt. Er moet ook ruimte zijn voor informele bijeenkomsten. Je kunt tijdens deze bijeenkomsten over politiek praten, maar daar hoeft het niet altijd over te gaan.

Ik zie ook wat in andere soort verbanden waarin jongeren elkaar opzoeken. Een voorbeeld hiervan is het netwerk voor jonge Brabantse mensen die samenkomen voor lezingen, discussie en een borrel. Het CD(J)A is hier niet direct bij betrokken, maar je hebt het wel als jongeren over politieke zaken. Als je elkaar daarna op een congres weer eens tegenkomt, dan spreek je elkaar aan.

Bij het CDJA heeft u bij de werkgroep Europa gewerkt. Welke rol ziet u voor Europa in de toekomst weggelegd?
Nederland heeft de Europese Unie (EU) nodig. Het is ongeloofwaardig om te zeggen: ‘We moeten uit de EU stappen.’ Idealiter komt er zelfs meer samenwerking zoals op het gebied van defensie en buitenlandse zaken. Iedereen weet dat er echter nationale sentimenten meespelen waardoor het ontzettend moeilijk wordt om dat ideaal op de middellange termijn mogelijk te maken. Ik denk dat mensen dat gewoon niet durven. Terwijl juist op deze terreinen efficiënt samen kunt werken. Echter, bij intensieve samenwerking is waakzaamheid geboden. Een systeem van checks and balances moet ervoor zorgen dat problemen worden voorkomen.

Het huidige kabinet wil veel bezuinigen, zo ook op wetenschap. Waar de overheid zich terugtrekt, kan worden gesneden, maar dit ‘gat’ kan ook worden opgevuld met geld van andere partijen. Hoe denkt u hierover?
Er wordt voornamelijk geïnvesteerd in kernpunten, welke vooral in de medische sector en toegepaste natuurwetenschappen liggen. Als je dat enkel als speerpunt van wetenschap ziet, dan doe je volgens mij iets verkeerd. Er wordt dan alleen naar directe successen gekeken. Fundamentele wetenschap, meer theoretisch van aard, wordt een ondergeschoven kind. De Nobelprijswinnaar André Geim heeft aan de RU fundamenteel onderzoek gedaan naar grafeen. Zijn onderzoek ligt aan de basis van toegepaste wetenschap. Als de stap van fundamentele wetenschap wordt overgeslagen dan kunnen we met de bestaande kennis van alles doen, maar op de lange termijn was er met fundamenteel onderzoek meer mogelijk geweest.

Laatste vraag: hoe ziet u uzelf over tien jaar? Politiek of wetenschap?
Het liefste zou ik een managementfunctie willen binnen een bedrijf. Vijf dagen in de week zou ik niet op een kantoor willen zitten. Ik wil actief bezig zijn met dingen te organiseren. Daarnaast ben ik, waarschijnlijk, zeer betrokken in de lokale politiek. Misschien dat ik over tien jaar Tweede Kamerlid zou willen zijn, maar of dat überhaupt wenselijk is…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>