Het in stand houden van de menselijke waardigheid: een pleidooi voor het basisinkomen

Interview met Rutger Bregman

Rutger Bregman (1988) is historicus en publicist. Onlangs publiceerde hij het boek Gratis geld voor iedereen. En nog vijf grote ideeën die de wereld kunnen veranderen (De Correspondent: Amsterdam 2014).  Volonté Générale sprak met hem over het basisinkomen.

Het idee van basisinkomen is al oud. Wat houdt het volgens u in?
Ik denk dat je de eerste goede verdediging van het basisinkomen vindt bij Thomas  Paine, een van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Hij was fervent voorvechter van de vrijheid van meningsuiting, anti-slavernij en de eerste die pleitte voor een progressief belastingstelsel. Het is wonderlijk dat we alle dingen die we nu ‘beschaving’ noemen, terug vinden bij Paine. Alleen het basisinkomen missen we nog. De redenering van Paine was betrekkelijk eenvoudig: het grootste deel van onze welvaart hebben we dankzij het gezwoeg van onze voorouders of door het simpele feit dat we in deze samenleving mogen leven.    Mensen die leven aan het begin van de eenentwintigste  eeuw in een rijk land als Nederland zijn door en door incompetent. Wij kunnen zelf in principe bijna niets. Bijna geen van de dagelijkse producten die we gebruiken kunnen we zelf maken. Toch zijn we ontzettend rijk. Dat komt dus eigenlijk vooral doordat we teren op alle uitvindingen die al zijn gedaan, alle welvaart die al is gecreëerd, het gezwoeg van onze voorouders en de welvaart die op collectief niveau ontstaat.

De vraag van Paine die goed bij deze constatering aansluit is dan ook of het niet rechtvaardig zou zijn om iedereen een ‘dividend van vooruitgang’ te geven. Dit is geen herverdeling tussen arm en rijk, maar een herverdeling tussen generaties. Daaruit vloeide voort dat het dividend eigenlijk onvoorwaardelijk moest zijn, omdat we het simpelweg gekregen hebben van onze voorouders. Dit staat in contrast met de moderne sociale zekerheid waarin ‘tegenprestaties’ centraal staan.

Dit idee van Paine keert in de loop van de Westerse geschiedenis voortdurend terug. Ik merk dat onze generatie er vooral pragmatisch en nieuwsgierig op reageert: ‘Wat gebeurt er in de praktijk als we met het basisinkomen experimenteren?’ Laten we een sociale zekerheid ontwikkelen die niet betuttelend is en die geen voorwaarden stelt. Het hele bureaucratische complex schaf je af. Je geeft gewoon geld en kijkt – met je beste wetenschappers – wat er vervolgens gebeurt. Dat is de lijn waar ik ook op zit.

Waarom werkt het basisinkomen?
Laat ik voorop stellen dat hét basisinkomen niet bestaat. Er is geen variant die ik propageer die dé waarheid is, het is meer een denkrichting. Een utopische denkrichting, waar je stap voor stap mee kan experimenteren. Verschillende experimenten wereldwijd laten zien dat er talloze varianten zijn waaruit hoopvolle resultaten voortkomen. Het succes hangt af van hoe je het precies inkleedt, hoe je het financiert, wie het krijgt, hoe hoog het is et cetera. Telkens blijkt dat armoede geen karaktergebrek is, maar een geldgebrek. Door dat laatste probleem op te lossen, pak je ook veel van de achterliggende problemen als depressie, overgewicht of schuldenproblematiek aan.

Welke aspecten van het basisinkomen maken het zo succesvol?
Het basisinkomen is erg aantrekkelijk omdat het de menselijke waardigheid in stand houdt. Veel mensen die geen bijstandsuitkering ontvangen, beseffen niet hoe vernederend en repressief de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia is geworden. Het gaat steeds meer om het dresseren en betuttelen van de armen. Zij moeten bijvoorbeeld cursussen volgen, waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat het de werkloosheid eerder zal verlengen. Bij het basisinkomen is dit het tegenovergestelde. In dit idee bestaat er een fundamenteel geloof in de mens als individu, waarbij hem de middelen worden gegeven om een bijdrage aan de samenleving te kunnen leveren.

Daarnaast is er niet alleen bewijs dat het basisinkomen werkt, maar ook dat het goedkoper is. Een veelgehoord geluid ter rechter of ter conservatieve zijde van het politieke spectrum is: ‘Ja, dat is allemaal wel leuk en idealistisch, maar dat gaat natuurlijk niet werken want we kunnen het niet betalen.’ Echter, het huidige systeem is pas echt verspillend en duur. Het kost ons zelfs zo veel dat wij het niet kunnen betalen. Als je kijkt naar alle maatschappelijke kosten – zorg, politie, justitie et cetera –, kan een dakloze zo de Balkenende-norm toucheren. Qua maatschappelijke kosten natuurlijk. Het is veel goedkoper om een gratis huis te geven samen met begeleiding van een hulpverlener en een cashtransfer. In Nederland leven 1,2 miljoen mensen onder de armoedegrens. De kosten die daarmee gepaard gaan zijn immens, denk aan hoger zorgverbruik, meer criminaliteit, lagere productiviteit en een lagere belastingopbrengst. De kosten om armoede uit te roeien zijn betrekkelijk triviaal, namelijk 2,1 miljard euro, 0,3% van ons nationaal inkomen.  Daar gaat een land niet aan failliet.

In uw boek Gratis geld voor iedereen (2014) spreekt u ook over het feit dat er in de toekomst, maar nu eigenlijk ook, te weinig werk is. Is het basisinkomen ook interessant als antwoord op dit probleem?
Er zijn op dit moment sterke aanwijzingen dat we in een tijdperk van een versnellende technologische vooruitgang zitten. Er staan veel banen op de tocht, voornamelijk in de middenklasse. Dat is niet iets wat ik voor de komende tien jaar hoef te voorspellen; dat is in de afgelopen tien jaar al gebeurd.

Neem bijvoorbeeld het minimumloon, een echte twintigste-eeuwse oplossing met de dubieuze gedachte dat je een betaalde baan moet hebben. Ik vind dat er in de eenentwintigste eeuw ruimte moet zijn voor onbetaald werk: zorg voor kinderen, opvoeding en mantelzorg. We zouden de totale betaalde werkweek moeten inkrimpen.

Bovendien, het minimumloon heeft als nadeel een fenomeen dat wat we de armoedeval noemen. Sommige mensen hebben zo een lage productiviteit dat werkgevers zeggen ‘ik wil je zelfs voor het minimumloon niet in dienst nemen’. Het basisinkomen lost dat op, omdat er dan sowieso een minimum bedrag binnenkomt. Het minimumloon kan dan afgeschaft worden en de lonen kunnen omlaag. Hierdoor ontstaat er veel meer werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daarnaast gaan de lonen voor onpopulaire banen weer omhoog. Een vuilnisman die een basisloon krijgt zal zeggen ‘ik heb al een basisinkomen, ik ga dit werk alleen doen als je me beter betaalt.’

U noemt het basisinkomen een utopie. Is de onhaalbaarheid ervan niet inherent verbonden aan een utopie?
Een utopie lijkt onhaalbaar van te voren. Veel dingen die we nu volstrekt vanzelfsprekende beschaving noemen – het einde van de slavernij of het vrouwenkiesrecht bijvoorbeeld – werden eerder ook als onhaalbaar, bizar of zelf immoreel beschouwd. We leven nu in een tijd waarin het besef van wat we als samenleving zouden kunnen veranderen heel beperkt is geworden. Maar de wereld kan er in 2060 heel anders uit zien. Mensen moeten deze wereld zelf veranderen en de kracht van ideeën speelt hier een belangrijke rol in. Daarom is het belangrijk om een soort utopische horizon open te houden.

Het is ook een reactie op een generatie van denkers die de utopie min of meer heeft vermoord. In Nederland heeft bijvoorbeeld de oud-denker des vaderlands Hans Achterhuis verschillende kritische boeken geschreven over utopisch denken. Het gaat daarin echter om maar één variant, namelijk de ‘utopie van de blauwdruk’. In deze utopie heeft de ideoloog al helemaal helder over hoe de wereld er over een paar decennia in werkelijkheid uit moet zien en wat daarvoor het stappenplan is. Dit gaat vaak met geweld gepaard, denk aan de utopieën van de twintigste eeuw zoals het communisme en het fascisme. Ik wil mensen er aan herinneren dat er ook een andere vorm van utopisch denken is. Een bescheidener, abstractere vorm, maar die daarom niet minder hoopvol of gedurfd is.

Is deze vorm van utopisch denken gevrijwaard van een gevaarlijke kant?
Nee, deze zou natuurlijk kunnen bestaan als iemand zegt: ‘Het basisinkomen moet er door  en onder de guillotine als je het niet met mij eens bent.’ Om de gevaarlijke kant tegen te gaan moet je ook een fikse dosis zelfspot hebben. Humor is trouwens ook van enorm belang om te laten zien dat de wereld die we nu hebben niet vanzelfsprekend is.

Als ik iets heb meegenomen uit mijn studie geschiedenis, dan is het in de eerste plaats een enorme dosis relativeringskracht – zo slecht hebben we het niet – en ten tweede het voortdurende besef dat het anders kan. Dat het niet zo vanzelfsprekend is zoals we het nu hebben gedaan. Het is jammer dat zoveel historici zoveel onderzoek doen naar, ik noem maar wat, dertiende-eeuwse kloosterordes in Zuidwest Friesland. Juist nu we in fascinerende tijden leven in bijvoorbeeld Europa horen we voornamelijk economen en veel te weinig historici in het debat over de toekomst van Europa.

In de Tegenlicht documentaire stelt u dat het realiseren van het basisinkomen vanuit de samenleving moet komen. Op welke manier wilt u dit aan de man brengen?
Ik ben geen revolutionair. Ik geloof in stap voor stap een beetje aanmodderen naar een betere wereld. Op dit moment ontstaan er allerlei initiatieven. In Leeuwarden is de burgemeester enthousiast. In Groningen staat een experiment op het punt te beginnen. In Nijmegen gaan er stemmen op in de gemeenteraad. In Wageningen wil D66 met het basisinkomen experimenteren. Op het nationale toneel hebben zowel de PvdA als D66 een motie aangenomen voor een onderzoek. Dat is volgens mij de way to go. We hebben straks een sterk gedecentraliseerde sociale zekerheid. Gemeenten kunnen gaan proberen. Zet de beste wetenschappers erop en kijk maar eens wat er dan uitkomt.

Welke rol speelt u bij de lokale initiatieven?
Ik ben daar meer een aanjager: ik spreek op dat soort evenementen. Mensen vragen me weleens: ‘Rutger, wanneer ga je de politiek in?’ ‘Rutger, wanneer ga je zelf wat doen met je ideeën?’ Dan zeg ik: ‘Ik zit al in de politiek.’ Uiteindelijk stuurt de tijdsgeest hetgeen dat in Den Haag wordt gedaan. Hoe wordt die tijdsgeest gevormd? Het is belangrijk dat je een beweging creëert en dat er zich steeds meer mensen mee bezig gaan houden. Denken is doen. Schrijven is doen. Dat is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het probleem in Nederland is niet dat we een gebrek hebben aan doe-kracht, het is vooral die denkkracht die hier mist. We hebben geen ideeën meer over hoe het nog beter zou kunnen dan dit. We hebben eerder meer mensen nodig die op hun eigen manier proberen utopisch te denken dan dat we mensen nodig hebben die alleen iets gaan organiseren. Dus ik denk dat ik hier wel op mijn plek zit.

Wanneer hebben we in Nederland een basisinkomen?
Geen idee. Niemand heeft een flauw benul van wat er komen gaat. Er gebeuren altijd weer onverwachte dingen, crises bijvoorbeeld. Wat we vaak hebben gezien in het verleden is dat juist dat soort momenten van crisis hebben gezorgd voor ideologische veranderingen In het Grieks betekent crisis ‘scheiden’  of ‘schiften’, het moment van de waarheid of het moment van de beslissing –. De Grote Depressie heeft het Keynesianisme gelanceerd. De oliecrisis van de jaren 1970 heeft geleid tot het neoliberalisme. De vraag is dan natuurlijk: wat heeft de crisis van 2008 ons opgeleverd in termen van ideeën? Tot dusverre niet zo veel.

Dat komt ten dele omdat we er nog niet klaar voor waren. We hadden net een golf van postmodernistische relativering achter ons. Het einde van de grote verhalen was in zicht. De ideologische veren waren afgeschud. We konden deconstrueren wat we wilden, maar zelf hadden we geen ideeën meer. Daarnaast was er de professionalisering van de universiteit. Iets dat in wetenschappelijk opzicht een aantal mooie dingen heeft opgeleverd, maar ook veel wetenschappers heel ver heeft verwijderd van het publieke debat. Aan de moderne universiteit lopen heel veel mensen rond met enorm veel specialistische kennis waar niemand wat aan heeft.

Deze factoren hebben er aan bijgedragen dat we in 2008 geen idee hadden hoe het anders kon toen een bank omviel in de VS. Als er op dit moment mensen roepen dat het anders kan, is heel vaak de reactie: ‘Dat kan toch niet? Dat is toch gek? Dat is toch raar?’ Daarom is het denk ik des te belangrijker dat we opnieuw utopisch leren denken. Niet zozeer om de utopieën die ik aanhaal in mijn boek  heilig te verklaren, maar om te laten zien dat er ook alternatieven zijn.  Daar zou democratie over moeten gaan. Er moet iets wezenlijks te kiezen zijn. In het Nederlandse stelsel valt maar weinig te kiezen. Dat ligt niet eens zozeer aan de politici zelf, maar ook aan de tijdsgeest waarin zij leven. De tijdsgeest die sterk is beïnvloed door ondernemers, wetenschappers en journalisten. Zij zijn ook politici, alleen ontkennen zij dat steeds.

Wat gaat u doen met het basisinkomen?
Ik? Ach, niet zoveel hoor. Mijn hobby is nu al mijn werk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>