De werkelijkheid op zijn beloop laten

Interview met Emma Westermann

Emma Westermann is regisseur en scenarist. Ze maakte onder andere de documentaires Jan Mesdag zingt Brel (2008) en Generatie Nooitgenoeg (2011). Volonté Générale sprak haar over haar werk en in het bijzonder over de laatstgenoemde documentaire.

Wist je al vroeg dat je filmmaker wilde worden?
Het is begonnen met schrijven. Ik wilde creëren, verhalen vertellen. Na mijn middelbare school heb ik een jaar lang een schrijfopleiding gedaan. Ik wilde het liefst theatermaker worden.  Mijn mentor op de middelbare school stimuleerde mij hier in. Pas tijdens de opleiding Theater-, Film- en Televisiewetenschap kwam ik erachter hoe veel ik van film en televisie hield. Ik had echter nooit de link gelegd dat ik een film of documentaire zou kunnen maken. Tijdens mijn studie volgde ik workshops film maken en toen merkte ik hoe leuk het is om én te schrijven én met beelden te werken. Je kunt het publiek echt een gevoel meegeven of juist om de tuin leiden.

Hoe is je eerste documentaire ontstaan?
Toen ik jong was hoorde ik van mijn vader over zijn vriend Jan Mesdag. Mijn vader had een afscheidsbrief van hem boven zijn bureau hangen. Ik was hierdoor geïntrigeerd en ik werd nieuwsgierig naar die vriend die heel jong was overleden. Door mijn nieuwsgierigheid kwam ik erachter dat het een zanger was met een hele mooie stem, maar niemand kende hem. Ik wilde zijn verhaal leren kennen en zijn verhaal vertellen. Eerst dacht ik aan een boek, maar dan hoor je de stem niet. Maar ook geen radio, want ik wilde hem ook zien. Het moest dus een film worden, een documentaire want ik wilde hem zelf laten zien en niet nagespeeld. In de tijd dat dit speelde had ik een interessant college over documentaire. Het hele blok ging daarover. Hierna kreeg ik de kans om stage te lopen bij een documentairemaker, waardoor ik merkte: dit is was ik wil doen! Samen met twee studievrienden die net een productiebedrijf waren begonnen heb ik na mijn studie de documentaire gemaakt. Met hen als producent heb ik ook Generatie Nooitgenoeg gemaakt.

De documentaire Generatie Nooitgenoeg is in opdracht van de Dr. Anna Terruwe Stichting gemaakt. Waarom heeft deze stichting je benaderd en wat sprak je aan in het project?
Mensen van de stichting benaderden mij als filmmaker, omdat zij mijn documentaire over Jan Mesdag hadden gezien. Zij vonden de documentaire mooi en zochten iemand die in een film het gedachtegoed van Anna Terruwe kon verwerken. In principe zijn haar ideeën heel eenvoudig en logisch. Terruwe gaat vooral in op het belang van het gevoel dat de mensen om je heen jou in je waarde laten. Dat je door je omgeving wordt gestimuleerd je eigen talent en persoonlijkheid te ontdekken. Maar de boeken zijn geschreven in de jaren 1960 en 1970. Ze zijn best wel braaf voor moderne maatstaven en geschreven in wollige taal. Eigenlijk moet je het werk meerdere malen lezen voordat je er echt in zit. Daarnaast moet je de tekst in zijn context plaatsen. De opdracht van de stichting was heel helder: vertel een verhaal waardoor het gedachtegoed van Anna Terruwe in relatie tot het nu wordt gebracht.

In de documentaire leg je de link met de generatie die is opgegroeid in de jaren 1980 en 1990. Welke link ligt er tussen het werk van Terruwe en deze generatie?
In een van haar boeken schreef Terruwe over mensen die eind jaren 1960, begin jaren 1970 – dus na de ontzuiling – naar haar praktijk kwamen. Inmiddels was er veel vrijheid ontstaan en jonge mensen konden eigen keuzes  maken. Die mensen zeiden: ‘We mogen nu alles en we kunnen nu alles. We hebben drank, we hebben drugs en we mogen seks hebben. Alles kan. Kunt u ons vertellen hoe we gelukkig kunnen worden, want dat lukt nog steeds niet.’ Toen ik dat las dacht ik: ‘Hé, dat is grappig. Daar hadden we het gisteren in de kroeg ook over.’ Ik vond het interessant omdat veel mensen, waaronder ikzelf, er vanuit gaan dat jouw generatie als eerste iets beleeft.

Herkende je dat gevoel bij jezelf?
Nee, niet echt. Ik hoorde er wel over in mijn omgeving, maar zelf had ik er geen last van. Er was weinig twijfel. Ik was midden twintig. Afgestudeerd, ik had toen een relatie en een leuk huis. Ik wist wat ik wilde qua werk en ik was daar druk mee bezig.

Het was bij het maken van Generatie Nooitgenoeg ook wel fijn dat het niet vanuit een eigen zoektocht begon. Ik wilde het vooral begrijpen. Pas later, door het maken van de film, durfde ik kwetsbaarder naar mijzelf te kijken en te denken: ‘Eigenlijk heb ik er wel last van, alleen op een andere manier.’ Ik had last van het idee dat ik alles binnen vijf jaar bereikt wilde hebben. Dat zorgde voor veel druk. Daarnaast zorgde het feit dat het mijn tweede film was voor druk. De eerste was goed ontvangen, dus de tweede moest perfect zijn. Dat verwachtten mensen – althans, dat gevoel had ik. Ik begon te merken dat ik wel heel veel wilde. In die zin was de film ook voor mij een eyeopener.

In de documentaire stel je twee professionals en twee ervaringsdeskundigen centraal. Waarom heb je voor deze opzet gekozen?
In het begin van de film wilde ik eerst het probleem poneren en dan daar op doorgaan om te zien of we tot een soort conclusie of oplossing konden komen. Vanuit die gedachte ben ik op zoek gegaan naar sprekers. Ik ging met iedereen praten, los van het feit of ze wel of niet in de film kwamen. Twintigers en dertiger die last hadden van quarterlife crisis of dertigersdilemma’s. Maar ook psychologen, wetenschappers en economen. Ik wilde veel informatie vergaren en dat werkte inspirerend. Gaandeweg kwam ik tot het idee om twee professionals en twee ervaringsdeskundigen aan het woord te laten. De acteur Jochum ten Haaf en schrijfster/theatermaker Nazmiye Oral in het laatste geval. Zij spraken over hun eigen ervaringen. Bob Goudzwaard duidde het probleem als historicus en econoom: hoe is het dertigersdilemma ontstaan en in welk historisch en economisch perspectief moeten wij dit zien? Nienke Wijnants is de auteur van het boek Het Dertigersdilemma. Bij haar had ik meteen een goed gevoel. Zij kon goed vertellen over het ontstaan van het probleem en haar ideeën erover. Zelf had zij ook last gehad van facetten van het dilemma, maar zij wilde niet over haar eigen ervaringen spreken. Toch proef je het wel door haar verhaal heen. Je ziet niet alleen de professional, maar ook af en toe een glimp van haarzelf als persoon.

Hoe zou jij het dertigersdilemma definiëren?
Je zou het het best kunnen beschrijven als een combinatie van keuzestress, prestatiedruk en niet precies weten wat je wil of wie je bent. Dit alles opgewekt doordat je op die leeftijd zo veel keuzes moet maken die aanvoelen als onomkeerbaar. En die dat in sommige gevallen, zoals de beslissing of je kinderen zou willen krijgen, ook zijn. Het woord dertigersdilemma vind ik daarbij wel verwarrend, omdat het meer een levensfase beschrijft dan een kalenderleeftijd.

De termen lopen allemaal door elkaar. Je hebt ook de quarterlife crisis. Zijn er verschillen of zijn het termen voor hetzelfde gevoel?
Qua wat mensen ervaren raakt het elkaar heel erg. Toch, twintigers en dertigers beleven echt andere levensfasen. Er zijn subtiele verschillen. Praktisch gezien, de dertigers van nu zitten al in het werkende bestaan. Zij hebben daar stress over. Twintigers van nu studeren bijvoorbeeld nog of zijn net afgestudeerd. Zij hebben weer andere problemen, namelijk: ‘Kan ik überhaupt wel een baan krijgen?’ De reality check van de crisis kregen zij tijdens hun opleiding. Dertigers zijn opgeleid met het idee van ‘alles kan en ik kan alles worden.’ De crisis, de klap van de realiteit, kwam pas toen ze al aan het werk waren. Daarnaast zit bij het dertigersdilemma ook veel meer het hele aspect van relaties en kinderen krijgen.

Echter, in principe zijn quarterlife crisis, het dertigersdilemma en ook de midlife crisis dezelfde soort dingen. De nuance ligt in de vragen die je jezelf stelt afhankelijk van de situatie en levensfase waarin je verkeert. In wezen komen al deze crises neer op de vragen: ‘Is dit alles? Wil ik dit echt? En wil ik dit zelf of wil mijn omgeving dat?’

Is er werkelijk een dergelijk grote rol weggelegd voor de economische crisis?
De crisis is tekenend geweest voor iedereen. Het is een omstandigheid waarmee wij, twintigers en dertigers, moeten leren leven. Dit zorg volgens mij ook voor een hele interessante generaties. Wij, de kinderen die in de jaren 1980 zijn geboren, worden de eerste generatie die – als je dat zo kan afbakenen – weten dat ze het niet beter zullen hebben dan hun ouders. Sinds de Tweede Wereldoorlog deed iedere generatie het een stap beter, maar dat is nu niet meer zo. Dat is iets waar wij mee moeten leren omgaan en wat een plek moet vinden. Alles waarvan wij vroeger hebben geleerd dat het ons zekerheid zou bieden in het leven, is totaal verouderd.

Is de crisis dan juist niet iets goeds? Je kunt minder lang studeren en  de banen liggen niet langer voor het oprapen. Het aantal keuzes wordt dus beperkter. Is het niet goed dat je minder keuzestress hebt?
Ik hoop dat mensen er creatiever van worden. Ik ben heel erg benieuwd. Bij de workshops rondom Generatie Nooitgenoeg ontmoet ik studenten, maar wat ik daar merk is dat er vaak een soort verlamming is, een soort angst. Ze zeggen niet: ‘Ik ga het gewoon anders doen en ik kom er sowieso wel.’ Het is meer van: ‘Ok, maar ik moet een plek bemachtigen en anders weet ik het niet.’ Bij dertigers zie ik meer de gedachte: ‘Dit gaat niet meer. Ik ga het anders doen op eigen kracht.’

Is dat voor hen niet makkelijk gezegd? Zij hebben meer middelen, meer ruimte en meer zekerheid.
Er zijn ook veel dertigers die nu in angst zitten met het gevoel ‘houd ik deze baan nog wel?’ Dat is ook verlammend. Zij hebben al een keus gemaakt, een weg gekozen. Die wordt van buiten afgekapt. Er zijn veel mensen die daar in vast zitten.

De prestatiedruk is nog steeds erg hoog. Komt deze uit onszelf, vanuit onze ouders of uit onze omgeving?
Ik vind het lastig om voor iedereen te spreken, maar als ik naar mijzelf kijk komt de prestatiedruk uit mijzelf. Echter, ik heb het mijzelf opgelegd omdat ik dacht dat het was wat mijn ouders en de maatschappij van mij verwachtten. Van mijn ouders dacht ik dat zij wilden dat ik een vaste baan had. Op een gegeven moment heb ik daar met ze over gesproken en mijn vader, zelf ook freelancer, zei: ‘Het is meer dat ik weet hoe zwaar het is om het op deze manier te doen en dat ik me daar zorgen over maak.’

In de documentaire komt de onderlinge concurrentie ook naar voren. Mensen vergelijken zich telkens met elkaar. Waarom hebben mensen volgens jou die neiging?
Mensen zijn per definitie groepsdieren. Het is fijn om bij een groep te horen, maar in de groep moet je je plek vinden. Daarnaast heerst er in de Westerse cultuur sterk de gedachte dat je uit prestaties eigenwaarde kan halen. Dat wordt al geleerd op school: je moet goede cijfers halen. Daar word je op beoordeeld. Niet op het feit of jij het leukst omgaat met mensen of dat je een fijn karakter hebt. Dat staat slechts in de kantlijn.

Op scholen wordt ook direct een schifting gemaakt tussen zorgenkindjes en kinderen die er zo door heen fietsen. Dit onderscheid zet zich door op de middelbare school. De concurrentiestrijd begint vervolgens pas echt bij het studeren. Je voelt dan de gedachte: ‘Ik ben aan het studeren en over drie jaar ben ik klaar, en dan wil iedereen om mij heen dezelfde baan.’ Dit gevoel kwam ter sprake bij gastcolleges die ik gaf aan een groep studenten, die qua achtergrond varieerden van creatieve studies tot rechten en economie.

Binnen de creatieve studies waren de mensen zich er continu van bewust dat ze elkaars concurrenten zijn. Je concurreert telkens om een plek. Hierdoor voelden zij zich niet vrij om gek te doen, los te gaan of dingen te proberen, uit angst dat anderen je voorbijstreven en beter zijn waardoor jij jouw plek verliest. Hetzelfde geldt voor opdrachten voor docenten. Er wordt niet iets experimenteels gedaan, maar ze willen iets maken dat de docent waarschijnlijk mooi vindt want dan is de beoordeling over het algemeen hoger. Eigenlijk is dat heel jammer, maar wel begrijpelijk. Sommige studenten hebben al te maken met opdrachtgevers. Zij gaan dan op zoek naar wat goed in de markt ligt, wat de opdrachtgever verwacht. Terwijl de creatieve sector juist zou moeten denken: ‘Okay, wat is er al? Dan ga ik iets anders doen. Mensen weten nog niet dat ze hier behoefte aan hebben, maar ik zal het ze even laten zien.’

In de documentaire wordt geen oplossing aangereikt voor het dertigersdilemma. Die bestaat waarschijnlijk ook niet. Kun je het wel voorkomen?
Voorkomen, dan klinkt het meteen alsof het een ziekte is. Het wordt als iets slechts ervaren. En daar ben ik het niet helemaal mee eens. Ik denk dat het een soort checkpoint voor je kan zijn. Als je er niet helemaal door verlamd raakt, je hebt natuurlijk meerdere gradaties erin, kan het ook een moment zijn waarop je denkt: ‘Wat wil ik nou echt?’ Het is een periode waarin je veel over jezelf ontdekt. Ik heb dat zelf ook ervaren tijdens het maken van de documentaire. Je leert veel over jezelf als je er voor openstaat en je bewust wordt van wat je allemaal meemaakt. Dan kun je uitzoeken waar de stress vandaan komt.

Voor mij persoonlijk helpt het al heel erg door te denken: ‘Waar komt het gevoel van onrust vandaan? Komt uit mijzelf of komt het uit de omgeving? Wat kan de reden zijn dat ik druk voel?’ Daarnaast hebben veel mensen er last van. Je vindt al snel een reden waarom je er last van hebt door er met anderen over te praten.

Veel mensen ervaren het dertigersdilemma als een nederlaag: je mag je niet kwetsbaar opstellen. Onzin! Ik vond het lastig om te laten weten hoe het met me ging en om te laten weten dat ik me onzeker voelde. Ik heb zelf ook door omstandigheden een moeilijke periode meegemaakt, waarin alles wat ik dacht te weten over mijzelf op losse schroeven kwam te staan. Ik was toen wel gedwongen om mensen te vertellen: ‘Het gaat niet, ik zit even helemaal in de knoop.’ Toen merkte ik dat mensen het helemaal niet erg vinden om te horen dat het niet goed met je gaat, maar dat ze juist willen helpen. Het levert hele mooie gesprekken op als je je eigen kwetsbaarheid laat zien. Sinds die periode heb ik dat idee van ‘alles moet in vijf jaar zijn bereikt’ ook losgelaten.

Het dertigersdilemma wordt een probleem op het moment dat je er niet meer uit kunt komen. Er zijn mensen die soms een beetje twijfelen en een beetje stress hebben, maar er zijn genoeg mensen die écht zijn vastgelopen en écht niet meer weten wat ze moeten. Zij zitten met een burn-out thuis. Dat is heel heftig. Voor de omgeving, de oudere generaties, is het vaak niet te begrijpen. Zij zien het als een luxeprobleem en denken: ‘Hè, waarom heb je het zo moeilijk? Je hebt toch alles? Waarom heb je een burn-out van een geweldige baan? Hoezo prestatiedruk? Dat is het volwassen bestaan, wen eraan!’ Dit onbegrip is een echt probleem.

Jullie bieden Generatie Nooitgenoeg ook als concept aan. Wat houdt dat precies in? En hangt dit samen met Generation Why waar je ook aan bent verbonden?
Over de thema’s uit de documentaire geef ik workshops, debatten en lezingen, samen met Thijs Launspach en Aik Kramer, de auteurs van het boek  Quarterlife. We kennen elkaar via het Haarlemse Generation Why, maar dit staat er wel los van. Ik ben als freelancer verbonden aan Generation Why.

Generation Why is een mediation platform, opgericht door Aik Kramer. Zijn doel is om jongeren en jonge mensen met elkaar in contact te brengen, naar elkaar te laten luisteren en vooral om onbesproken of gevoelige onderwerpen te bespreken. Het platform evolueert heel erg. Het wordt steeds meer praktisch gericht op jeugdzorg en welzijn – en dan vooral in preventieve zin. Wij werken bijvoorbeeld samen met het Centrum voor jongeren en gezondheid (CJG). GenerationWhy organiseert workshops, lezingen en events voor scholieren en studenten. Onderwerpen die aan bod komen zijn bijvoorbeeld examenstress, omgaan met agressie, keuzestress, prestatiedruk. We combineren dit ook vaak met kunst. In mei organiseren we bijvoorbeeld bij 37PK in Haarlem een kunstevent over concurrentie, waarbij we battles tussen kunstenaars combineren met paneldebatten over dat thema.

Op dit moment ben je met name bezig met opdrachtfilms. Heb je ook ideeën voor een groter project?
Ik maak op dit moment veel opdrachtfilms voor bedrijven. Daarnaast ben ik bezig met een documentaire over talentshows, die in het najaar 2014 door de NTR als 3Doc wordt uitgezonden. Dat is een langer project, waar ik nog niet veel over mag zeggen, maar wat volgens mij echt te gek wordt.

Je gaf aan dat eigenlijk schrijver wilde worden. Schrijf je nog?
Het grootste deel van filmen is eigenlijk schrijven. Heel jammer, want je hebt als regisseur eigenlijk maar een paar filmdagen per jaar. Ik heb ongeveer veertig verschillende versies van een documentaire op papier: van het oorspronkelijke idee tot het idee van nu. Hierin staat het onderwerp en de thematiek beschreven. Het is eigenlijk een soort onderzoeksvoorstel. Hoe zie ik het verhaal? Hoe wil ik het filmen? Welke personen komen er in voor? Op basis hiervan wordt er ‘ja’ of ‘nee’ gezegd door een producent of een omroep. Daarna ga je door met denken, onderzoeken, associëren en schrijven om te kijken hoe het verhaal eruit moet zien. Dat zijn veel puzzelstukjes. In de loop der jaren heb ik geleerd dingen los te laten en minder controle te willen houden op het verhaal. Documentaire is een vorm van werkelijkheid en dat moet je in zekere zin op zijn beloop laten.

Wat wil je nog maken in de toekomst? Wat wil je bereiken?
Op dit moment heb ik geen specifiek onderwerp dat ik in de toekomst. Ik ben nu bezig met alles dat ik wil vertellen. Ik heb wel een doel: ik wil steeds opener zijn als filmmaker. Over mijn eerste film had ik veel controle. Ik wilde alles van te voren weten en durfde weinig aan toeval over te laten. Maar dat kon ook. Jan Mesdag was al overleden en er werd op hem teruggeblikt, dus ik kon bijna alles plannen. Bij Generatie Nooitgenoeg was ik al wat meer aan het loslaten, terwijl de film heel theoretisch is en een sterke structuur heeft.

In 2012 kwam ik op het pad van de animator Gerrit van Dijk. Hij had net gehoord dat hij longkanker had en ernstig ziek was. Door een vriend van hem werd ik gevraagd om twee dagen te gaan filmen. Het begon echt als een vriendendienst. We gingen met Gerrit naar zijn geboortedorp en de dorpskerk waar hij van zijn geloof was gevallen. ’s Middags gingen we op zijn verzoek naar de begraafplaats van zijn ouders. Daar kregen we een heel open gesprek over ziek zijn, het leven, de dood, werk, familie. Over alles. Het was een heel mooi gesprek. Op de terugweg zeiden mijn cameraman en ik tegen elkaar: ‘Dit is een film.’ Daarna kwam ik per toeval op het pad van een producent, die in dit verhaal ook een documentaire zag. Pas toen ben ik er helemaal in gedoken. Voordat ik ging filmen die dag kende ik Gerrit helemaal niet. Ik had geen script voorbereid. Sterker nog, tijdens het filmen in dat halfjaar dat volgde schreef ik het filmplan en het voorstel. Dat was heel bevrijdend: vertrouwen op je instinct. Er was door de gezondheid van Gerrit geen tijd voor een lange voorbereiding. Het is heel leerzaam en inspirerend geweest. Maar ook iets waarvan ik na zijn dood een paar maanden helemaal moest bijkomen, omdat het zo intensief was.

Er moet natuurlijk altijd wel wat structuur zijn. Als je iemand gaat volgen moet je niet alles meenemen, ook al is alles interessant. De thematiek moet centraal staan. Alle informatie die ik kreeg, moest ik omzetten. ‘Past dit in het verhaal dat ik wil vertellen?’ en dan heel instinctief denken ‘ja’ of ‘nee’. Ik hoop dat ik dat steeds meer kan doen. Meer ruimte nemen binnen het plan.

En persoonlijk? Ik heb heel veel dromen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>