Inkomstenbelasting: het zal toch schipperen blijven

Jan Bouwman

Belasting betalen is niet populair. Aan de andere kant weet iedereen dat een moderne samenleving niet zonder overheid kan en dat het financieren van die overheid evenmin zonder belastingen kan. Belasting betalen is dus onvermijdelijk en in de meeste ontwikkelde economieën heeft de inkomstenbelasting – waaronder in Nederland ook de loonbelasting valt – een fors aandeel in de belastingopbrengst. Het is dan ook geen wonder dat er wordt gediscussieerd over de inkomstenbelasting. In Nederland doen we dat al sinds het midden van de negentiende eeuw.

Recent is de discussie over de invoering van een ‘vlaktaks’ voor inkomen uit arbeid weer opgerakeld. Dat wil zeggen: de invoering van eenzelfde inkomstenbelastingtarief voor iedereen, al dan niet met de variant waarbij de hoogste inkomens over een deel van hun inkomen toch nog een hoger tarief betalen. Aan zo’n vlaktaks kleven voor- en nadelen die afhankelijk van de politieke overtuiging van de deelnemers aan de discussie anders worden gewaardeerd.

Een punt dat in de discussie vaak over het hoofd wordt gezien is dat onze huidige inkomstenbelasting al een aardig eind is opgeschoven in de richting van een vlaktaks (met een bijzonder tarief voor de hoogste arbeidsinkomens). Verreweg de meeste belastingbetalers worden namelijk belast in de eerste drie schijven van de inkomstenbelasting en het tarief van deze schijven ligt in de buurt van de 40%. De discussie over de vlaktaks lijkt zo bezien een achterhoedegevecht.

Toch is dit niet het volledige verhaal. Voor de burgers telt namelijk wat ze netto in handen hebben en dat wordt ook beïnvloed door subsidies die burgers ontvangen. Voor deze subsidies kent de inkomstenbelasting een uitgebreid systeem van heffingskortingen en draait in Nederland verder de toeslagencarrousel. Voor de burgers maken de heffingskortingen en toeslagen het zicht op wat ze te besteden hebben een stuk onduidelijker, zorgen ze voor administratieve rompslomp en leiden ze tot het rondpompen van geld. Met andere woorden: ze creëren complexiteit. Voor de politiek zijn deze instrumenten echter onmisbaar om de koopkracht van burgers te kunnen sturen. Er gaan dan ook miljarden in om.

Hoewel ik niet met verwijten wil strooien, vind ik de discussie in de politiek over de complexiteit van de inkomstenbelasting en de toeslagen wat hol klinken. Het is juist de politiek die het systeem telkens weer compliceert. Een recent voorbeeld daarvan is het inkomensafhankelijk maken van enkele heffingskortingen in de plaats van een inkomensafhankelijke zorgpremie. Het daarover gesloten politieke compromis is moeilijk uit te leggen en naar blijkt complex in de uitvoering. Bovendien tast het de geloofwaardigheid van politici aan omdat het een verhoging van de inkomstenbelastingtarieven voor de hogere inkomens moet versluieren.

De einduitkomst van de discussie zal vermoedelijk toch weer zijn dat een echte vereenvoudiging van de inkomstenbelasting binnen de Nederlandse politieke marges niet haalbaar is. Het is aan het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw al eens geprobeerd (de Oort-operatie) en in 2001 bij de invoering van de Wet IB 2001, maar daarna liep het telkens weer uit de hand…

 Prof. dr. Jan Bouwman (1959) is hoogleraar belastingrecht en voorzitter  van de vakgroep belastingrecht en rechtseconomie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>