Een weg uit de crisis? Of een weg naar de volgende crisis?

Zowi Milanovi

Als we de berichten mogen geloven, begint de Nederlandse economie eindelijk uit de crisis te raken. De economie vertoont positieve cijfers, de situatie op de aandelenbeurzen ziet er goed uit en de voor Nederland zeer belangrijke huizenmarkt trekt weer aan. De bezuinigingen van de afgelopen jaren hebben hun werk gedaan. Nog eventjes en het is allemaal weer business as usual.

Echter, is dat wel zo? Hoe ziet het hele plaatje er uit? Allereerst is het belangrijk om op te merken dat, hoewel men nu lijkt te accepteren dat het ergste van de crisis voorbij is, men nergens leest wat de oorzaak van het herstel zou zijn. De cijfers worden als zeer positief voor bedrijven en consumenten gepresenteerd. Vervolgens schrijven economieredacteuren dat de doemdenkers ongelijk hadden en we weer naar betere tijden gaan. We zien over het algemeen veel wishful thinking, maar weinig serieuze analyses.

Om de huidige situatie te begrijpen, is het nodig om te begrijpen hoe de kapitalistische productiewijze werkt en hoe het komt dat het kapitalistische systeemproductiewijze periodieke crises kent. Karl Marx heeft in de drie boeken van Das Kapital een analyse gemaakt van het kapitalistische systeem, waarin hij het ontstaan, de bewegingswetten en de interne tegenstellingen heeft beschreven.[i]

Belangrijk is dat Marx en zijn opvolgers economische crises als een periodiek terugkerend fenomeen beschouwden. Dit leidde ertoe dat zij de oorzaak ervan in de verschillende tegenstellingen binnen het systeem zelf zochten. Bij de mainstream-economen zien we echter vaak dat de oorzaak van een crisis in één factor wordt gezocht. Zo zou de crisis in 1973 het gevolg zijn van een verhoging van de olieprijs, terwijl de huidige crisis nog steeds het gevolg is van een ongereguleerde financiële sector. Uiteraard is iedere crisis anders en hebben de olieprijsverhogingen in 1973 en de financiële speculatie tot 2008 sterke effecten gehad. De directe aanleiding is echter niet hetzelfde als de onderliggende oorzaak.

Marxisme en de oorzaak van de crisis
Het marxisme analyseert het kapitalisme als een socio-economisch systeem met interne tegenstellingen. Net als andere klassensamenlevingen wordt het kapitalisme gekenmerkt door de aanwezigheid van een bezittende klasse (de kapitalisten) en een uitgebuite klasse (de arbeiders). Hoewel het populair is om te stellen dat de arbeidersklasse gekrompen is, is dit op niets gebaseerd. Volgens de Wereldbank bedraagt het aantal wage and salaried workers in 2012 in Nederland ongeveer 85% van de beroepsbevolking.[ii]

De kracht van het kapitalisme schuilt in de concurrentie tussen verschillende kapitalistische bedrijven, die productief investeren om goedkoper te kunnen produceren dan de concurrent. De geproduceerde meerwaarde wordt op die manier geherinvesteerd, wat tot toegenomen productie en rijkdom leidt. Door mechanisering en automatisering zijn er steeds minder mensen nodig om het werk te doen. Dit leidt tot eliminatie van de minst efficiënte bedrijven en de concentratie van kapitaal in steeds minder handen. Steeds meer sectoren (bijvoorbeeld auto’s, bananen, films, bier, telefoons) komen in de handen van enkele enorme corporaties terecht. Deze ontwikkeling tot monopoliekapitalisme ondermijnt tevens de dynamiek van het systeem: het wordt steeds minder efficiënt en leidt niet tot oplossingen voor maatschappelijke problemen zoals hongersnood en klimaatverandering, hoewel deze in potentie met de huidige middelen opgelost zouden kunnen worden.

Marx legt in het eerste hoofdstuk van Das Kapital uit dat het enkel menselijke arbeid is dat waarde (en dus meerwaarde/winsten) creëert. Machines vergroten de output van de werknemers, maar produceren zelf geen waarde. Zij brengen geleidelijk hun eigen waarde over op de producten. Met de structurele toename over tijd van ‘constant kapitaal’ (machines, gebouwen, grondstoffen) tegenover ‘variabel kapitaal’ (arbeidskracht), is er op die manier een tendens tot daling van de winstvoet. Deze werd in de decennia van opbouw van na de Tweede Wereldoorlog steeds duidelijker zichtbaar. In de jaren 1970 was de winstvoet zeer laag. De kapitalisten gaven toen echter (zoals altijd) de hoge loonkosten de schuld.

Sinds de jaren 1980 zien we verschillende wijzen waarop het kapitalisme opnieuw gestimuleerd wordt. Om de lage winstvoet aan te pakken, is er een aanval op de positie van de vakbeweging geweest. In de VS en Groot-Brittannië voerden respectievelijk Reagan en Thatcher een repressief beleid van confrontatie en beperkingen van het stakingsrecht. In Nederland gebeurde dit op zachtere wijze, door middel van het Akkoord van Wassenaar in 1983. Sinds dat akkoord is loonmatiging in Nederland zo’n beetje heilig. In de jaren 1980 begon ook de afbouw van de in de voorgaande decennia opgebouwde verzorgingsstaat, een proces dat op de dag van vandaag doorgaat. De sanering zou nodig zijn om de staatsuitgaven in bedwang te houden en zou ertoe leiden dat de verzorgingsstaat in de toekomst behouden kan worden. Markant is echter dat de staatsschulden in de geïndustrialiseerde landen als percentage van het BBP zijn blijven stijgen (zie de grafiek),[iii] terwijl het-zelfde verhaal van politici over de noodzaak tot sanering continu wordt herhaald.

Grafiek ZM

Het eerste land waarin een belangrijk publiek persoon openlijk sprak over de afschaffing van de verzorgingsstaat, was Nederland. Het is bij ons misschien niet zo doorgedrongen, maar de toespraak van koning Willem-Alexander, waarin hij sprak over de participatiesamenleving als nieuwe realiteit, werd door de buitenlandse pers als zeer groot nieuws gekenmerkt.

Een belangrijke tegenstelling binnen het kapitalisme is dat het de arbeiders zijn die de winsten produceren, terwijl zij tegelijkertijd ook een belangrijk deel van de consumenten zijn die de producten moeten kopen om zo de winsten van de kapitalisten te kunnen realiseren. Ieder bedrijf probeert zoveel mogelijk op loonkosten te besparen, terwijl het het liefst ziet dat andere bedrijven hun werknemers zoveel mogelijk betalen. Op dezelfde wijze heeft het aanpakken van de arbeidersklasse als geheel, via loonmatiging en snijden in de verzorgingsstaat, tot gevolg dat er minder mogelijkheden zijn om de winsten te realiseren. Is het met deze tegenstelling in het achterhoofd niet beter om de vraag te stellen waarom het zolang geduurd heeft voordat de crisis begonnen is? Eind jaren 1980 en begin jaren 1990 leek het tot een crisis te komen in het Westen. In Azië was er een crisis in 1997, die gevolgen had in Rusland en Latijns-Amerika, maar niet in Amerika en Europa. Verder zagen we de Dotcom-crisis en de crisis als gevolg van 9/11, maar een crisis zoals in 2008 bleef uit.

De bovenstaande tegenstelling binnen het kapitalisme is hoofdzakelijk op twee manieren aangepakt: globalisering en krediet. Sinds de schuldencrises van de onderontwikkelde landen in de jaren 1970 en 1980, is er getracht om in ruil voor leningen van het International Monetair Fonds en de Wereldbank de markten van de zogenaamde derde wereldlanden te openen voor goederen en kapitaal uit ‘de eerste wereld’. De val van de Muur en het ineenstorten van de Sovjet-Unie, leidden tot een toename van miljoenen mensen op de wereldmarkt. India opende zich ook meer voor buitenlands kapitaal en goederen, maar het allerbelangrijkst is de integratie van China in de wereldmarkt geweest. De komst van een miljard Chinezen op de wereldmarkt, met lage lonen (dus hogere winstgevendheid voor Westers kapitaal) en veel mogelijkheden voor afzet, gaf het wereldkapitalisme een enorme boost. Tevens leidden de lage productiekosten ertoe dat de levensstandaard en de koopkracht van de arbeidersklasse in Amerika en Europa relatief konden stijgen, doordat zij nu de beschikking hadden over vele goedkope Chinese producten. Het nadeel van de globalisering van het kapitalisme (een ontwikkeling die door Karl Marx en Friedrich Engels reeds in 1847 werd voorspeld), is dat het de wederzijdse afhankelijkheid van alle economieën zodanig heeft versterkt, dat het nu tot een globale crisis heeft geleid.

De andere belangrijke wijze om de crisis uit te stellen, is het verlenen van krediet geweest. Vooral in de VS werd de creditcard gestimuleerd om aankopen te doen die men (nog) niet kon betalen. In Nederland is de hypotheek de belangrijkste vorm van krediet. Lage rentes in combinatie met hypotheekrenteaftrek, in een tijd dat de huizenprijzen bleven stijgen, betekende dat men steeds rijker leek te worden en zich daarnaar ging gedragen. In de jaren 1990 en vooral de jaren na 2000 voltrok zich een explosie van verstrekte kredieten. Daardoor namen de private schulden sterk toe. Er werd echter gesteld dat door onder andere globalisering en liberaal beleid de economieën zouden blijven groeien, zodat alle schulden terugbetaald zouden worden. ‘The sky is the limit’ was het heersende idee na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Het kapitalisme had gewonnen en zou uiteindelijk voor iedereen continue vooruitgang blijven betekenen.

Er is echter een groot probleem inherent aan krediet: het moet terugbetaald worden, vaak met rente. Krediet is vergelijkbaar met een elastiek: het kan de vraag kunstmatig oprekken, maar zorgt er wel voor dat de samentrekking veel harder en pijnlijker verloopt. Dat is precies wat er gebeurde  met de zogenaamde kredietcrisis in 2008. Het krediet zelf was niet de dieperliggende oorzaak van de crisis, maar heeft deze wel verhevigd en geglobaliseerd. De crisis is uiteindelijk veroorzaakt doordat er sprake was van een grote overproductie en de consumenten zonder krediet de goederen niet meer konden betalen.[iv] Daarom zijn er nu nog steeds relatief weinig productieve investeringen. Grote bedrijven zitten wereldwijd op een recordbedrag van 7.000 miljard euro (het dubbele van 2003), wat niet geïnvesteerd wordt[v], terwijl de winstvoet hoog is en er genoeg mensen zijn die wel aan de slag  willen.

Maatregelen tegen de crisis
Ondanks alle berichten over lessen die uit de crisis zouden zijn getrokken, is er fundamenteel weinig veranderd. De bail-outs van de banken en de ‘steunpakketten’ aan de zwakke EU-lidstaten hebben de publieke schulden en overheidstekorten flink doen oplopen, terwijl de vraag is geslonken door de vermindering van krediet in combinatie met de bezuinigingen en lastenverzwaringen voor de arbeiders- en middenklasse.

Marxisten en keynesianen zijn het erover eens dat de vraag beperken tijdens een crisis, de crisis enkel versterkt. De keynesianen hebben zelf echter geen oplossingen. Een klassieke oplossing is het verlagen van de rentes, om zo investeringen aan te jagen. Met rentes die al tegen de 0% zitten, is hier momenteel geen ruimte voor. Een andere optie is het aanjagen van de investeringen door middel van het uitgeven van publiek geld. In een kapitalistische economie moet dit geld of uit de zakken van de kapitalistische klasse, of uit de zakken van de arbeiders- en middenklasse komen. In het eerste geval betekent het dat de winsten beperkt worden. In het tweede geval dat de reële inkomens (en dus koopkracht) van de massa beperkt wordt. Beide opties werken nieuwe investeringen tegen.

Keynes’ oplossing was dan ook deficit financing, wat in principe neerkomt op het bijdrukken van geld. Deze oplossing is gevaarlijk, aangezien deze tot grote inflatie kan leiden, zoals gebeurde met de stagflatie in de jaren 1970. Een variant hiervan zien we nu in het Amerikaanse quantitative easing (QE), waarbij de Federal Reserve (de centrale bank van de VS) de monetaire basis van de Amerikaanse economie uitbreidt. Binnen de EU is er een conflict over de vraag of de ECB een soortgelijk monetair beleid zou mogen hebben. Het Amerikaanse QE is echter alweer op z’n retour, vanwege gebrek aan effectiviteit en de angst voor inflatie. Het zogenaamde herstel dat QE veroorzaakt zou hebben, is geheel speculatief en gebaseerd op het opnieuw opblazen van de kredietzeepbel. Het Amerikaanse kapitalisme is ervan afhankelijk geraakt als een drugsverslaafde afhankelijk is van zijn shot heroïne. Het afbouwen van QE (het zogenaamde tapering) heeft al tot een massale kapitaalvlucht uit de BRICS-landen geleid, wat laat zien dat hun recente groei ook grotendeels speculatief was. Op deze manier blijven er weinig beleidsopties over.

Nederland
Gezien Nederland in grote mate afhankelijk is van de export, wordt het economisch vooruitzicht grotendeels bepaald door de internationale situatie. De afbouw van QE, de vertraagde groei van de BRICS-landen en het probleem van hoge publieke schulden in de VS brengen veel instabiliteit voor de wereldeconomie met zich mee. De problemen in de EU zijn ook nog niet opgelost, terwijl deze de belangrijkste markt is voor de Nederlandse export.

Nederland heeft enkele vo[vi]ordelen: zeer lage rentes over de publieke schuld, de verhuizing van een paar buitenlandse hoofdkantoren van bedrijven naar het land toe (bedrijven die ook eens daadwerkelijk werknemers nodig hebben, in plaats van brievenbusfirma’s) bovendien heeft Nederland een handelsoverschot. Deze kunnen op de korte termijn een licht positief effect hebben.

In Nederland is  echter ook 8,7% van de beroepsbevolking werkloos. Dit treft vooral de jonge generatie hard. Daarnaast drukt de private schuld op veel huishoudens. Dit is het voelbare aspect van de crisis. Zolang er geen grote investeringsgolf aankomt (wat wegens de overproductie niet erg waarschijnlijk is), zullen structureel veel jongeren werkloos blijven. Mensen zullen niet uit de armoede klimmen. Zeker als men bedenkt dat er door automatisering ook nog veel banen zullen verdwijnen in de komende decennia.

De wereldwijde crisis is nog niet over. Er zullen periodes van licht herstel zijn, maar niets wijst erop dat er een nieuwe periode van groei aankomt. Dit is wat het herstel van Nederland op lange termijn zal beperken.

De marxistische oplossing
Met een aanhoudende crisis van het kapitalisme, is het nodig dat men naar de alternatieven gaat kijken. Alle ‘realistische’ oplossingen hebben tot nu toe niets bereikt. Het onvermogen van de grote bedrijven om te investeren, betekent dat die taak beter overgenomen kan worden kan worden door de gemeenschap. Het geld is er. Het is echter in handen van de grote banken en bedrijven. Die zouden genationaliseerd moeten worden onder democratische controle van de werknemers, vakbonden en consumentenorganisaties. Dan kan er op duurzame wijze geïnvesteerd worden in de toekomst, terwijl democratische controle een tegenwicht biedt tegen bureaucratische ontaarding.

Zowi Milanovi (1989) is politicoloog en redacteur van het marxistische tijdschrift Vonk.


[i] Das Kapital is online beschikbaar via: http://www.marxists.org (geraadpleegd op 28 mei 2014).

[ii] De dataset voor Nederland is beschikbaar via: http://data.worldbank.org/country/netherlands (geraadpleegd op 28 mei 2014).

[iii] S.G. Cecchetti, M.S. Mohanty en F. Zampolli,‘The future of public debt: prospects and implications’, BIS Working Papers (2010) 4, online beschikbaar via:  http://www.bis.org/publ/work300.pdf (geraadpleegd op 15 mei 2014).

[iv] Zie bijvoorbeeld de gigantische overproductie van auto’s. Het artikel is beschikbaar via: http://www.zerohedge.com/news/2014-05-16/where-worlds-unsold-cars-go-die (geraadpleegd op 15 mei 2014).

[v] CNBC,  Global companies sitting on $7 trillion cash, double 2003 (22 januari, 2014), beschikbaar via:   http://www.cnbc.com/id/101354173 (geraadpleegd op 15 mei 2014).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>