De mythe van competitiveness als uitweg voor de crisis

Angela Wigger

Nadat ‘kapitalisme’ decennialang nauwelijks een thema is geweest, lijkt met de komst van de crisis het debat over (de bestendigheid van) het kapitalisme weer te zijn teruggekeerd. Maar zoals Nancy Fraser onlangs al observeerde, de renaissance van het woord kapitalisme is vaak slechts retorisch van aard en meer een teken van een verlangen naar systeemkritiek dan het verwoorden van een werkelijke substantiële kritische bijdrage.[i] De navolgende stukken van Zowi Milanovi en Matthias van Trigt zijn hierop duidelijk een uitzondering doordat ze stapsgewijs het (dis)functioneren van het kapitalisme blootleggen. Hun verkenning van de interne tegenstellingen binnen het kapitalistische systeem en haar inherente neiging tot crisis legt de vinger op de zere plek, namelijk op het structurele probleem van ‘overaccumulatie’. Dit is de (tijdelijke) afwezigheid van rendabele herinvesteringsmogelijkheden voor het overschot aan kapitaal in de reële productie. Beide auteurs noemen intense concurrentiedruk en de daarmee gepaarde afname van investeringen in de reële economie als onderliggende factoren, en verklaren hiermee ook de totstandkoming van financiële bubbels, die gedoemd zijn te barsten zodra de accumulatie van kapitaal te ver uiteenloopt met de accumulatie van schuld. Beide auteurs tonen ook aan waarom het huidige crisisbeleid niet de kern van het probleem aanpakt en dus geen echte oplossing kan zijn.

In dit kader verdient de EU-strategie om de concurrentiekracht te versterken bijzondere aandacht. Dat investeringen in de reële economieën van Europa fors zijn gedaald is inmiddels ook tot de Europese Commissie doorgedrongen, zoals uit haar pleidooi voor een ‘Europese industriële renaissance’ te ontnemen valt.[ii] Angela Merkels voorstel voor een Competitiveness Pact moet de nieuwe groeistrategie worden.[iii] Op basis van bilaterale en juridisch bindende contracten tussen de individuele regeringen en de niet democratisch verkozen Commissie dienen lidstaten op maat gemaakte hervormingen door te voeren op terreinen waar de concurrentiekracht achterloopt. Wat in eerste instantie doet denken aan het actieve industriebeleid van het naoorlogse keynesianisme, komt echter neer op interne devaluatie met als doel om investeringen aan te trekken en de export naar niet-EU- landen te verhogen. De strategie van interne devaluatie is drieledig: ten eerste, het investeringsklimaat moet worden verbeterd door de unit labour costs te verlagen. In essentie komt dit neer op productiviteitsstijging (in de praktijk vaak langer werken voor minder loon), daling van de arbeidskosten, loonmatiging en verdere arbeidsmarktflexibilisering. Ten tweede; moet verregaande prijsconcurrentie – vooral in de dienstensector, energie en netwerkindustrieën – ervoor zorgen dat Europese producten op de wereldmarkt goedkoper worden. Europese politici zien dus de oorzaak van deze crisis niet in te veel maar in te weinig concurrentie. Ten derde, moet een ‘budgettair neutrale’ verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op consumptie in combinatie met lagere vennootschaps- en exportbelastingen nieuwe investeringen aantrekken.[iv]

Na jaren van bezuinigingsmaat-regelen en de boodschap aan de burger om de broekriem verder aan te trekken, klinkt met name de belofte van lagere prijzen voor de consument als een aantrekkelijke oplossing van de crisis. Maar de mantra dat kapitalistische concurrentie de ruggengraat voor economische groei vormt, en volgens de Commissie zelfs de goedkoopste en meest effectieve structurele hervorming is zonder extra kosten voor de belastingbetaler, is een grote misvatting.[v]  Het ondermijnen van de prijzen van concurrenten vindt vaak plaats door een verlaging van variabele productiekosten met een verdere uitbuiting van arbeid en natuur tot gevolg. Interne devaluatie legt daarom direct of indirect de last van de structurele aanpassingen disproportio-neel bij ‘arbeid’ – en niet bij ‘kapitaal’. Competitiveness wordt vaak verward met ‘succes’ en ‘winnen’. Het is belangrijk te realiseren dat het EU beleid de externe concurrentiekracht wil versterken en daarbij gelijke tred te willen houden met het comparatieve voordeel van opkomende economieën, zoals China, namelijk goedkopere werknemers.

Er zijn ook alternatieven voor deze race to the bottom. Deze moeten alleen politiek worden bevochten. Het woord is aan Zowi Milanovi en Matthias van Trigt.

 Angela Wigger (1975) is als docent Politieke Economie en Internationale Betrekkingen verbonden aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.


[i] N. Fraser, ‘Behind Marx’s Hidden Abode. For an Expanded Conception of Capitalism’, New Left Review 86 (2014) 55-72.

[ii] ‘For a European industrial renaissance’. Medeling Europese Commissie (Brussel 22 januari 2014) online beschikbaar via: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/
?uri=CELEX:52014DC0014&qid=1401635126956&from=EN
(geraadpleegd op 20 mei 2014).

[iii] A. Merkel, Toespraak bij de jaarvergadering van het World Economic Forum, (Davos 24 januari 2013) online beschikbaar via: http://www.bundeskanzlerin.de/
ContentArchiv/EN/Archiv17/Reden/2013/2013-01-24-merkel-davos.html
(geraadpleegd op 20 mei 2014).

[iv] ‘Quarterly Report on the Euro Area 10 n˚3’, Rapport Europese Commissie (Brussel 2011) online beschikbaar via: http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/qr_euro_area/2011/pdf/qrea3_en.pdf (geraadpleegd op 20 mei 2014).

[v] J. Almunia, ‘The role of competition policy in times of crisis’, Toespraak Europese Commissie (6 december 2012) online beschikbaar via: http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-12-917_en.htm (geraadpleegd op 20 mei 2014).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>