Religie en wetenschap – twee ‘geloven’ op één kussen

Yurre Wieken

De afgelopen 150 jaar heeft religie steeds meer terrein verloren op de wetenschap. Door de ontdekking van fossielen, genen, celdeling en mutaties is er weinig ademruimte voor het zesdaagse scheppingsverhaal. Desalniettemin blijft de religieuze scheppingsleer – en religie in het algemeen – een hardnekkig fenomeen. Nog steeds woeden er discussies over wat ‘juist’ is: moeten schoolkinderen bijvoorbeeld de evolutieleer of het scheppingsverhaal leren bij het vak biologie?

Volgens de NOMA-doctrine (Non Overlapping Magisteria) beslaan religie en wetenschap verschillende filosofische terreinen, waardoor de discussie ertussen zinloos is. Simpel gezegd houdt wetenschap zich bezig met het ‘hoe’ en religie met het ‘waarom’. Dit legitimeert ook de positie van religieuze wetenschappers, onder wie NOMA niet geheel verrassend erg populair is. NOMA is een mooie diplomatieke uitvinding, maar alleen al de kernprincipes van de meeste religies zijn een doodsteek voor de doctrine. Religie houdt zich namelijk voor een belangrijk deel bezig met het ‘magisterium’ van de wetenschap. Door haar scheppingsverhaal, evenals het geponeerde bestaan van een god (toch geen onbelangrijk onderdeel van de meeste religies), doet religie empirische claims. En met empirische claims bevind je je direct op wetenschappelijk terrein. NOMA is dus onhoudbaar. Hier valt tegenin te brengen dat sommige religies geen godsgeloof of scheppingsverhaal kennen, het boeddhisme bijvoorbeeld. Los van het feit dat er om deze reden discussie bestaat of boeddhisme inderdaad wel een religie is (en geen levensfilosofie) is dit überhaupt geen sterk argument. NOMA is immers bedacht in het christelijke Westen en wordt ook voornamelijk daar als argument ingezet. Het christendom heeft uiteraard wel degelijk een godsgeloof en scheppingsverhaal.

Daarnaast is toetsbaarheid één van de basisprincipes van de wetenschap. Dit is het bekende falsificatieprincipe van Karl Popper: om wetenschappelijk te zijn, moet een bewering falsifieerbaar zijn. Je moet het tegendeel kunnen bewijzen, anders kun je immers nooit controleren of iets waar is. Het bestaan van God is niet te falsifiëren, want je kunt niet bewijzen dat God níet bestaat, net zoals je niet kunt bewijzen dat Krishna, Ra, Huitzilipochtli, de paashaas en Optimus Prime niet bestaan. You can’t prove a negative. Het Vliegende Spaghettimonster is door satirische atheïsten bedacht om het belang van het falsificatieprincipe aan te tonen. De redenering die zogenaamde ‘pastafarians’ gebruiken om hun ‘geloof’ in het Spaghettimonster te legitimeren is immers exact hetzelfde als die van christenen, moslims, joden en andere gelovigen voor hun god: je kunt niet bewijzen dat hij niet bestaat! De liefhebber kan er The Gospel of the Flying Spaghetti Monster van Bobby Henderson op nalezen. Gelovigen zullen meestal niet serieus op deze vergelijking ingaan en hem wegwuiven als beledigend, maar kunnen niet uitleggen waarom geloof in God verschilt van geloof in het Spaghettimonster. Ja, het Spaghettimonster is belachelijk, maar dat vinden niet-gelovigen ook van God. Dat er toevallig veel meer mensen in God geloven is natuurlijk ook geen argument. De waarheid bepaal je niet door middel van consensus. Anders is de wereld vroeger écht plat geweest.

Om deze reden is het pluriformiteitsargument in het onderwijs ook niet steekhoudend. In diverse Amerikaanse scholen wordt de scheppingsleer samen met de evolutieleer onderwezen, alsof beiden zich op gelijke voet bevinden en ‘wedijverende theorieën’ zijn. Om te beginnen, de term ‘theorie’ wordt door creationisten misbruikt om te suggereren dat evolutie slechts een soort vaag vermoeden van wetenschappers is, waar ook alternatieven voor zijn. Dit is echter een misvatting. Darwins theorie poneert niet het bestaan van evolutie, maar het bestaan van natuurlijke selectie. Evolutie is reeds feitelijk geconstateerd. Het fossielenbestand laat tot in detail zien hoe soorten ontstaan en zich ontwikkelen. Ik zal de lezer niet vervelen met de ingewikkelde Griekse en Latijnse namen van de diverse prehistorische wezens die glashelder de overgang van bijvoorbeeld vissen naar de eerste amfibieën laten zien. Creationisten beweren dat het fossielenbestand vol gaten zit, maar dit is gewoonweg niet waar. Het fossielenbestand is inderdaad incompleet, maar er worden regelmatig nieuwe missing links gevonden.

Ook op kortere termijn valt evolutie direct waar te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van bacteriën die immuun worden voor antibiotica. Sommige creationisten proberen dit af te vangen met het onderscheid tussen micro-evolutie (kleine evolutionaire aanpassingen binnen een soort) en macro-evolutie (evolutie van de ene naar de andere soort). Micro-evolutie kan, want God heeft Zijn schepping wel opgewassen tegen de veranderende elementen. Macro-evolutie niet. Echter, deze creatieve doch duidelijk wanhopige kunstgreep gaat voorbij aan het feit dat macro-evolutie niets meer is dan de som van micro-evolutie. Hier schieten creationisten dus niets mee op.

Het bestaan van evolutie an sich is dus reeds feitelijk aangetoond. Dan kun je nog discussiëren over het mechanisme waarlangs evolutie plaatsvindt. Darwin stelt natuurlijke selectie voor. Dit is de algemeen aangenomen evolutietheorie: door genetische processen ontstaan tijdens het voortplantingsproces in iedere generatie willekeurige mutaties. Mutaties die nuttig zijn voor het overleven van een organisme (bijvoorbeeld sterkere kaken of een effectievere camouflage) winnen het van nutteloze of schadelijke mutaties, omdat organismen met nuttige mutaties zich succesvoller voortplanten. Er bestaan ook andere theorieën: lamarckisme bijvoorbeeld stelt dat niet alleen willekeurige mutaties tijdens het bevruchtingsproces, maar ook tijdens het leven aangeleerde of verkregen eigenschappen genetisch kunnen worden doorgegeven. Intelligent Design (ID), de creationistische invulling hiervan, lijkt op het eerste gezicht een redelijk religieus alternatief voor de diverse andere invullingen van evolutie. ID erkent het voorkomen van evolutie, maar poneert een ander mechanisme: God stuurt de evolutie bewust aan. Een nog mildere variant van ID erkent zelfs natuurlijke selectie, maar beweert dat God de eerste cellen heeft gecreëerd waar al het leven uit is ontstaan en verder een passieve toeschouwer is in de dagelijkse praktijk van het leven op aarde. Allemaal leuk en aardig, maar ook ID kan niet op tegen het falsificatieprincipe. ‘Intelligent ontwerp’ veronderstelt immers nog steeds het bestaan van een ontwerper, waarvan het tegendeel niet bewezen kan worden. Dus is religie weer terug bij af.

Kortweg gezegd heeft NOMA dus half gelijk, wetenschap en religie houden zich inderdaad bezig met verschillende zaken. Dit betekent echter niet dat zij prima samen kunnen gaan, maar juist het tegenovergestelde. Zolang religie uitgaat van empirische claims die niet toetsbaar zijn is het niet te rijmen met wetenschap in welke vorm dan ook. In het gunstigste geval zou het bestaan van God een hypothese genoemd kunnen worden, maar zelfs dan zou deze wetenschappelijk gezien gebrekkig onderbouwd zijn.

Betekent dit dat een gelovige geen wetenschapper kan zijn en dat een wetenschapper niet in God kan geloven? Dat het niet kán is uitgesloten – het komt voor, dus het is mogelijk. De vraag is natuurlijk of het wenselijk is. Mits de wetenschapper werk en privé gescheiden kan houden hoeft het geen probleem te zijn. Wat je gelooft is een privézaak en zolang een wetenschapper bij het uitoefenen van zijn vak volgens wetenschappelijke principes handelt is er geen probleem. Mogelijke fricties tussen geloof en wetenschap zullen zich sowieso beperken tot de natuurwetenschappen, aangezien de empirische claims van religie zich hoofdzakelijk op natuurwetenschappelijk vlak bevinden. Waar het leven op aarde vandaan komt en of er hogere machten bestaan is voor een talenstudie bijvoorbeeld niet zo relevant.

Mogen de ethische waarden van religie dan wel invloed hebben op de wijze waarop wetenschap bedreven wordt? Kritische theoretici, bijvoorbeeld feministen en marxisten, laten zich ook leiden door normatieve principes en worden door meer positivistisch ingestelde wetenschappers bekritiseerd wegens hun assumpties over de onderdrukking van vrouwen en lagere sociale klassen. Dit raakt aan een bredere discussie over de rol van waarden in de wetenschap die eigenlijk een apart artikel waard is. Ik persoonlijk vind wetenschap méér dan alleen maar kennis-om-de-kennis. Wetenschap ten dienste van het verbeteren van de maatschappij verdient ook een plaats, al zal niet iedereen het eens zijn over wat een ‘verbetering’ is. Zodoende mag een sociale wetenschapper best uitgaan van religieus geïnspireerde normatieve principes, net zoals een kritische theoreticus dit ook doet. Zolang de bewijsvoering maar voldoet aan wetenschappelijke vereisten als toetsbaarheid. Om een extreem tegenvoorbeeld te gebruiken: bij het bestuderen van internationale betrekkingen is ‘God bewoog de regering om dit besluit te nemen’ uiteraard een onzinnige hypothese. Dan heb je niets te zoeken in de wetenschap. ‘De regering nam dit besluit op religieuze gronden’ kan natuurlijk weer wel, want het bestaan van religie is aan te tonen, evenals mogelijke invloeden die het heeft op het denken en handelen van mensen.

Waar het uiteindelijk op neerkomt is secularisme: mits religie en wetenschap van elkaar gescheiden blijven wat onderzoeksmethodologie betreft kunnen wetenschappers best gelovig zijn en vice versa. Iemands persoonlijke levensovertuiging zegt immers niets over zijn wetenschappelijke integriteit. Wel moet er geen misverstand over bestaan dat die overtuiging zelf geen plaats heeft in het wetenschappelijke discours.

Yurre Wieken (23) is student Politicologie en lid van het Atheïstisch Verbond

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>