Kunst, het publieke en het private voorbij

Michelle Franke [1]

Op 10 juni 2011 maakte Halbe Zijlstra, staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschap, zijn plannen voor de bezuinigingen op kunst en cultuur bekend. Ondanks het advies van de Raad voor Cultuur om de bezuinigingen over een aantal jaren te spreiden, kondigde Zijlstra in zijn brief aan in één keer 200 miljoen euro te willen bezuinigen. In reactie op deze plannen is een flink aantal acties ondernomen. Er zijn onder andere petities opgesteld met titels als: ‘Stop de culturele kaalslag’ en  ‘Waar is de kunst in de openbare ruimte gebleven?’ Daarnaast is er op 27 juni jl. op het Malieveld in Den Haag de eerste grote actiedag gehouden. Meer acties zullen volgen.[2]

Om te bezuinigen moet de overheid keuzes maken, ook in het financieel steunen van kunstprojecten. Echter, bij het maken van deze keuze lijkt de overheid de internationale bekendheid van een kunstwerk als het enige criterium te hanteren. De grote, gevestigde instellingen zoals het Rijksmuseum worden gespaard, in tegenstelling tot de kleinere instellingen die vaak experimenteel zijn en een progressief karakter hebben. Het zijn juist de laatstgenoemde organisaties die niet voorbereid zijn op het werven van financiers in de particuliere sector of het bedrijfsleven. Bovendien zijn de meeste bedrijven na de economische crisis ook niet (voor)bereid om kleine kunstinstellingen te steunen. Het gevolg is dat het voor deze organisaties lastig wordt om overeind te blijven.

Wat deze overheidsplannen problematisch maakt, is dat ze in de eerste plaats ideologische van aard zijn. Ze worden moeiteloos verantwoord vanuit een neoliberaal perspectief. Neoliberalisme wordt hier verstaan als een specifieke vorm van kapitalisme die gebaseerd is op een aantal onderling gerelateerde maatregels dat tot doel heeft de overheid te verkleinen, de privatisering van staatsbedrijven aan te moedigen en de handelsgrenzen te doorbreken. Geloof in de competitieve en zelfregulerende markt vormt de ideologische kern van het neoliberale gedachtegoed. Dus, de aangekondigde bezuinigingen in de Nederlandse culturele sector komen niet zozeer voort uit economische noodzaak, maar uit de wil om een nieuw regime te vestigen. In deze context is kunst onderdeel van een verzorgingsstaat die ontmanteld moet worden. In Nederland openen deze gebeurtenissen een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het nationale cultuurbeleid: een hoofdstuk dat meer in lijn staat met de wereldwijde ontwikkelingen richting privatisering van publieke functies en diensten.[3] Kunst en culturele instellingen worden geacht minder afhankelijk te worden van overheidssubsidies. Zoals staatsecretaris Zijlstra onlangs uitlegde, zijn kunstenaars momenteel nog aan het overheidsinfuus verbonden: het huidige systeem is ‘niet gezond en het moet veranderen. Daarom is een cultuuromslag nodig.’[4]

Anibal Lopez_El Prestamo
Afbeelding 1.
Aníbal López / A-1 53167,  El Prestamo,  2000,  tekst van de actie, Galerie Contexto, Guatemala-stad. Courtesy prometeogallery di Ida Pisani, Milano/Lucca.

Het uitgangspunt van dit artikel is dat deze ontwikkelingen teruggebracht kunnen worden tot veranderingen in de relatie tussen het publieke en het private domein. Hoewel deze relatie een culturele en politieke productie is, kan het rechtssysteem buitengewoon bruikbaar zijn om ons inzicht te geven in de veranderende waarden en functies die aan beide domeinen worden toegekend. We zouden zelfs kunnen zeggen dat het rechtssysteem juist bestaat omwille van private eigendommen. Volgens dit argument, als eigendommen niet zouden bestaan, zou de wet niet nodig zijn. In dit artikel wordt een performance bestudeerd waar de kunstenaar ideeën rondom publieke en private bezittingen ondermijnd door de wet te overtreden. Hoewel het kunstwerk niet direct aan de hedendaagse Nederlandse situatie refereert, is  het thema zeer actueel. Het gaat om de Guatemalteekse kunstenaar A-1 53167 en zijn werk uit 2000: El Prestamo (De Lening). Dit controversiële werk werd uitgevoerd op 29 september in het zogeheten district 10 van Guatemala-stad. Gewapend met een pistool viel A-1 53167 een willekeurige, 44 jarige Jan-Modaal aan met de woorden: ‘Dit is geen overval, dit is een lening. Het zal terugbetaald worden aan je kinderen in visuele taal.’[5] (afb.1). De geschrokken man stond 874,35 quetales af (wat ongeveer gelijk staat aan 77 euro).[6] Het gestolen geld werd gebruikt om de opening van de solotentoonstelling van de kunstenaar Contexto (2000, Guatemala-stad) te financieren. In de tentoonstellingsruimte was een tekst geëxposeerd met daarin een beschrijving van de ‘lening’.

In dit artikel wil ik laten zien hoe het werk El Prestamo de tegenstelling tussen het publieke en het private compliceert door het idee van het gemeenschappelijke te introduceren. Dit concept is afkomstig uit de filosofieën van Micheal Hardt en Antonio Negri.[7] Zij beschrijven dit in publicaties als Empire (2000), Multitude: War and Democracy in the Age of Empire (2004) en, meer recentelijk, Commonwealth (2009). In deze drie boeken is het gemeenschappelijke een sleutelbegrip om te refereren aan alles wat vrij toegankelijk en gedeeld is, zoals het water, de lucht enzovoorts. Echter, in onze huidige samenleving is het gemeenschappelijke niet alleen het geheel aan natuurlijke bronnen dat voor allen beschikbaar zou moeten zijn; het omvat al die producten van menselijke interactie en verwerking die tot iedereen behoren, zoals kennis, talen, codes, informatie, affecten.[8] Het vergt actieve participatie.[9] Het zijn met name deze tweede, culturele ‘gemeenschappelijke’ producten die centraal staan. Zij verschillen van zowel het publieke als het private: het zou weinig nut hebben om een gemeenschappelijk goed zoals een taal te beschouwen als een particulier bezit of te onderwerpen aan de autoriteit van de staat.[10] De filosofen Hardt en Negri leggen uit dat de productie van het gemeenschappelijke in toenemende mate bepalend is voor onze economische en sociale realiteit: communicatie, sociale netwerken en interactieve diensten vormen de kern van het zogeheten cognitief- of immaterieel kapitalisme. Tegelijkertijd heeft het gemeenschappelijke de mogelijkheid zich te onttrekken aan de huidige kapitalistische handelswijze. Hardt en Negri noemen de opkomende orde Empire en refereren daarmee aan het toenemend belang van de globale neoliberale markt ten koste van de afzonderlijke naties. Voor hen is het ontstaan van Empire altijd gepaard gegaan met een zekere tegenstrijdigheid: de elementen die ervoor hebben gezorgd dat het systeem zich kon vestigen (zoals internationale communicatie) zijn dezelfde factoren die de macht van het systeem in gevaar brengen door zich te onttrekken aan de markteconomie. In deze zin levert het kapitalisme de kiemen van zijn eigen destructie door de disseminatie van non-profit, niet-particuliere, niet-kapitalistische goederen en diensten: het gemeenschappelijke.

Toch zullen we zien dat El Prestamo het idee van het gemeenschappelijke ook in twijfel trekt door te verwijzen naar hoe deze vorm van collectieve en immateriële productie in de tijd van het cognitieve kapitalisme een economisch strijdtoneel is geworden. Zoals Keti Chukhrov recentelijk schreef in een artikel voor het tijdschrift e-flux:

Although it is true that post-industrial capitalism has blurred the boundary between consumption, information, cognition, and communication, this doesn’t mean that post-Fordist capitalims automatically generates a post-capitalism utopia. On the contrary, when corporations vie for control over the power of knowledge objectified, the space of the common becomes a real battleground.[11]

Een recent voorbeeld van dit strijdtoneel is het debat dat ontstond rond het toenemende gebruik van gratis internet-communicatiediensten op mobiele telefoons om de telecomproviders te omzeilen. Het gebruik van Skype en andere gelijksoortige internetdiensten brengt de verdiensten van bedrijven als KPN, Vodafone en T-Mobile in gevaar. Het wetsvoorstel om het gebruik van deze applicaties op mobiele telefoons in rekening te brengen is echter weggestemd door de Tweede Kamer die, in naam van de liberale markt, de vrije toegang en het neutrale karakter van het internet wilt garanderen.[12]

De Lening
A-1 53167 is het paspoortnummer van Aníbal Asdrubal López Jures, geboren in 1964 in Guatemala-stad. Vanaf 1997 gebruikt deze kunstenaar dit nummer als pseudoniem. In een land waar de bevolking grotendeels van Maya-oorsprong is, wil de kunstenaar met dit gebaar eventuele etnische associaties uit de weg gaan. Deze actie, die bekend staat als El Prestamo, is de meest controversiële performance van A-1 53167, die internationale bekendheid verwierf met zijn gevaarlijke acties in de publieke ruimtes van Guatemala-stad. Herhaaldelijk weten zijn werken de culturele, economische en sociaal-politieke codes onder een vergrootglas te houden. De extreme actie in El Prestamo verwijst naar de —meestal onduidelijke— positie van de kunst tussen het publieke en het private.

Het is opmerkelijk om dit onderwerp aan te snijden in een tijd waarin het publieke en het private worden geherdefinieerd. De afgelopen decennia hebben neoliberale (overheid)maatregels over de hele wereld getracht het publieke te privatiseren —kunst inbegrepen— door zijn producten tot private eigendommen te maken. Het gevolg is dat de tweedeling publiek – privaat problematisch wordt. Dit wordt bovenal duidelijk aan de hand van de status van het kunstwerk. Een zogenaamd Untitled  werk van A-1 53167 dat  in 2002 in de galerie Espacio 0-27 in Guatemala-stad tentoongesteld is, slaat de spijker op zijn kop. Het werk bestaat uit vier olieverf schilderijen op doek. Op ieder schilderij  kunnen we een korte zin lezen: ‘Te Koop’, ‘Te Leen’, ‘Te Huur’, ‘Te doneren’.[13] Deze handelingen zijn enkel toepasbaar op private eigendommen en daarmee weet A-1 53167 op scherpzinnige wijze te verwijzen naar de economische dimensies waarmee kunstwerken doordrongen zijn — goederen die overigens vaak als publiek worden beschouwd. Tegenwoordig is zelfs het publieke een domein geworden dat gebaseerd is op eigendom en waar de goederen kunnen worden verkocht, geleend, gehuurd of gedoneerd, ongeacht de mate waarin ze toegankelijk zijn voor het brede publiek en ongeacht het feit dat ze beheerd worden door de staat. De gevolgen werden samengevat door de directeur van het Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofia toen hij zei dat het publieke en het private nog enkel denkbeeldig zijn gescheiden.[14]

Op Robin Hood-achtige wijze steelt A-1 53167 van de gegoede middenklasse om te geven aan de gemeenschap. Hij verandert particulier geld in een gemeenschappelijk goed. Deze bedoeling komt duidelijk naar voren in de woorden die de kunstenaar uitsprak tijdens de overval: ‘Dit is geen overval, dit is een lening. Het zal terugbetaald worden aan je kinderen in visuele taal.’ Deze mededeling heeft diepe en verstrekkende gevolgen als het gaat om de rol van kunst: de kunstenaar eist een positie op die niet publiek noch privaat is. Niet voor exclusief gebruik, noch gecontroleerd door het gezag van de staat. Bovendien is het publieke in toenemende mate gebaseerd op particulier bezit: een scheiding tussen de twee domeinen lijkt daarmee overbodig. We moeten voorbij aan de schijntegenstelling tussen het publieke en het private.

El Prestamo posteert zich midden in deze problematiek en is er op uit om het tegengestelde proces van liberalisering in gang te zetten. A-1 53167 wil van kunst iets maken dat in gelijke mate tot iedereen behoort. In plaats van het privatiseren en bezitten van kunst, wil A-1 53167 deze tot een ‘visuele taal voor jullie kinderen’ maken. Het is noemenswaardig dat de kunstenaar expliciet spreekt van kunst als een taal: immers, taal is bij uitstek het gemeenschappelijke. Onttrokken aan status van handelsartikel en geplaatst in de context van het gemeenschappelijke is El Prestamo geen waar dat geproduceerd is om gekocht, geleend, verhuurd of gedoneerd te worden. Noch valt het onder de jurisdictie van de staat. Wat het werk eerder doet, is de kijker te produceren als medeplichtige. De bezoeker die de ruimte van de Contexto tentoonstelling binnenkomt, voelt zich medeschuldig aan de overtreding die gemaakt is in de naam van de kunst. Hij wordt gedwongen zich af te vragen of kunst wel een afdoende excuus is om een misdrijf te verantwoorden. Met andere woorden: het kunstwerk wordt niet enkel iets waar iedereen recht toe heeft, maar ook iets waar ieder individu verantwoordelijk voor is. En dit is precies wat Hardt en Negri omschrijven als de nieuwe politieke ruimte die geopend wordt door het gemeenschappelijke.

De politieke ruimte van het gemeenschappelijke houdt verband met het feit dat in onze hedendaagse maatschappij producten niet meer geproduceerd worden als artikelen om direct te consumeren. Integendeel, producten bestaan tegenwoordig in de vorm van kennis, taal en nieuwe manieren van communiceren; ze bestaan door de productie van het gemeenschappelijke. De consument wordt gevraagd op een creatieve wijze —door communicatie en interactie—met de producten om te gaan. Hierdoor krijgt subjectiviteit een centrale positie in het hedendaagse kapitalisme en de markteconomie.[15] In deze context wordt vaak opgemerkt dat het voornaamste product dat door internationale corporaties wordt verkocht niet het materiële artikel is. Bedrijven zoals Apple verkopen in de eerste plaats een bepaald imago, concept of zelfs lifestyle verbonden aan hun producten. De productie van het materiële handelswaar wordt overgedragen aan andere bedrijven — vaak ‘oneerlijk’ (niet Fair Trade, denk aan kinderarbeid en onderbetaling) – en gevestigd in zogenaamde ontwikkelingslanden.[16] Consumptie is onlosmakelijk verbonden met creativiteit en de productie van subjectiviteit. Het gevolg, zoals Hardt en Negri toelichten, is dat de productie van subjectiviteit het hoofdtoneel wordt van politieke strijd en dat het gemeenschappelijke een veld wordt om weerstand te bieden.

Als onderdeel van het gemeenschappelijke heeft kunst de mogelijkheid om tegendruk te geven door nieuwe subjectiviteiten te creëren. Deze zouden een alternatief moeten vormen voor het systeem dat opgelegd wordt door het hedendaagse neoliberalisme. In het domein van het gemeenschappelijke kan kunst optreden als een niet-kapitalistisch, niet-privaat goed. El Prestamo functioneert in deze processen door kunst te presenteren als iets waar iedereen openlijke en gelijke toegang tot zou moeten hebben, zowel in het heden als in de toekomst.

Het bevragen van het gemeenschappelijke
Voor Hardt en Negri kan het gemeenschappelijke de mens bevrijden in de hedendaagse wereldorde die gebaseerd is op globale marktwerking, privatisering, winst en individualisme. Maar al plaatsen we El Prestamo binnen dit discours, het werk voelt niet lekker. Dit zou te maken kunnen hebben met onze normen en waarden die bepaald worden door een verregaande bescherming van particuliere eigendommen. We beschermen zelfs ideeën tegen ‘diefstal’ door het opzetten van verschillende licenties en patenten. We voelen allemaal mee met de nietsvermoedende pechvogel die op 29 september 2000 door de straten van district 10 van Guatemala Stad liep. Het was zijn geld en hij had er waarschijnlijk hard voor gewerkt. Bovendien voelt El Prestamo niet juist, omdat het de vinger op de zere plek legt en de valkuilen en tekortkomingen van het idee van het gemeenschappelijke blootlegt.

Allereerst moeten we erkennen dat het Marxistische idee dat het kapitalisme vernietigd zal worden vanuit het systeem zelf, uitblijft. Maar geeft dit genoeg reden om sceptisch te zijn ten opzichte van het gemeenschappelijke? Misschien zouden we Luc Boltanski en Eve Chiapello moeten volgen in hun idee dat het kapitalisme het ongelofelijke vermogen bezit om kritiek in zich op te nemen en zich er zelfs mee te voeden. Dit betekent dat door toe-eigening, de ‘kritische’ tegenbewegingen gereduceerd worden tot een nieuw fetisj voor de markt —denk bijvoorbeeld aan de huidige aantrekkingskracht van ‘politieke kunst’. Iets vergelijkbaars is te zien bij het gemeenschappelijke. Het kapitalisme is geen autoriteit is die opgelegd wordt, maar het is een sociale relatie. Als zodanig heeft dit systeem het gemeenschappelijke en de productie van antagonistische subjectiviteiten nodig om te kunnen voortbestaan, ook al lijken ze op het eerste gezicht het functioneren van het systeem in gevaar te brengen. Dorothea von Hantelmann behandelde dit onderwerp in een lezing in de Serpentine Gallery in Londen. Kunst heeft vaak een kritisch karakter, maar deze kritiek kan onschadelijk blijken of zelfs als voorbeeld dienen. Hantelmann stelt:

[The artwork] becomes a kind of role model for most of today’s products as it embodies in an almost exemplary way, the idea of a product that is low in material expense and high on subjectivity production. It is thus no coincidence that ‘experience’ has also become a central aesthetic paradigm in visual arts since Minimalism.[17]

De status van El Prestamo als gemeenschappelijk goed is tegenstrijdig. Het gaat immers om geld, of het gestolen of geleend geld is. De extreme actie in El Prestamo verwijst naar de —meestal verborgen— economische dimensies die de kunstwereld reguleren. Het laat zien dat het gemeenschappelijke helemaal geen belangeloze, utopische sfeer is die vrij is van winstbejag. Het is daarentegen tot stand gekomen door middel van geld en misschien wordt het zelfs gebruikt voor het witwassen van gestolen geld. In beide gevallen functioneert het gemeenschappelijke in de economische circuits waartegen het weerstand zou moeten bieden. Is het gemeenschappelijke nog wel echt gemeenschappelijk wanneer het tegen geld kan worden geruild, geleend of gekocht? Door het geld van de man uit Guatemala-stad te gebruiken om de uitnodigingen en drank voor de opening te bekostigen, bewijst El Prestamo een actieve speler te zijn in een economie die gebaseerd is op de circulatie en accumulatie van kapitaal. Het legt de nadruk op het feit dat kunst in werkelijkheid altijd verwikkeld is in economische processen. Echter, niet alleen is kunst verwikkeld, want dit zou een te passieve positie impliceren. Zoals Hantelmann, Chiapello en Boltanski betogen kan kunst zelfs als een model of blauwdruk functioneren voor de hedendaagse vormen van post-Fordistische productie en arbeidsverhoudingen die gebaseerd zijn op creativiteit, flexibiliteit, passie. Dit in tegenstelling tot het Fordistische prototype (zoals fabriekswerk) met een baas en vaste werktijden.

A-1 53167 heeft met El Prestamo een eigenzinnige manier gevonden om aan geld te komen voor de opening van zijn tentoonstelling. Echter, deze ‘oplossing’ versterkt de wet door die te breken. Het benadrukt particulier bezit door het te stelen. Vanuit een hoogst tegenstrijdige positie weet deze performance de aandacht te vestigen op interessante zaken rondom het karakter van kunst in de hedendaagse maatschappij. Gedachten en beleidslijnen over kunst en cultuur verraden vaak een zekere verwarring: moet deze een particuliere zaak of publiek goed  zijn? Enerzijds moet het door de private sector gefinancierd worden; anderzijds moet het het grote publiek aanspreken. Enerzijds moeten kunstenaars kritisch zijn en provoceren; anderzijds moeten ze de sociale verbintenis versterken. El Prestamo weet de spanning bloot te leggen die bestaat tussen kunst als algemeen erfgoed (voor toekomstige generaties) en kunst als een commerciële, creatieve industrie die door individuen wordt gefinancierd door middel van verkoop, huur, leningen of donaties.

Door de recente ontwikkelingen in het Nederlandse cultuurbeleid kan gevreesd worden dat kunst uiteindelijk een particulier luxeartikel zal worden dat als zodanig moet worden gefinancierd. Meer dan ooit wordt het belangrijk deze processen van privatisering van de cultuursector tegen te gaan. Dit is niet om voor de kunsten een neutrale, onschuldige en onschadelijke positie buiten de economische krachten na te streven. Integendeel, juist door hun tegenstrijdige positie zijn deze artistieke praktijken belangrijk om debatten over het publieke en het private in onze hedendaagse maatschappij aan te snijden. Werken zoals El Prestamo van A-1 53167 kunnen een belangrijke rol spelen door ons eraan te herinneren dat kunst geheel met de economie en de markt verweven is. Gemeenschappelijk goed is ieders recht en verantwoordelijkheid.

Michelle Franke (1986) volgt de onderzoeksmaster Kunst en Visuele Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Daarnaast is ze als curatorial assistant werkzaam bij Stichting Kunst en Openbare Ruimte.


[1] Dit artikel is vertaald uit het Engels. Ik ben Karel Oostervink dankbaar voor zijn hulp bij de vertaling.

[2] Meer informatie en een overzicht van alle acties zijn te vinden op: http://www.schadekaart.nl/ (geraadpleegd op 28 juli 2011).

[3] M. Hardt en A. Negri, Empire (Cambridge 2000) 300-303.

[4] De Volkskrant, Zaterdag 11 Juni, 4; zie ook interview met Staatssecretaris Zijlstra: ‘Gezellig was het Niet, nodig wel. Staatssecretaris Zijlstra blikt terug op zijn eerste jaar met ingrijpende keuzes’, NRC Handelsblad, vrijdag 8 juli 2011,17.

[5] Originele Spaanse tekst: ‘Esto no es un asalto, es un préstamo, y lo divolveré en lenguaje visual para sus hijos.’ Zie omschriving van de actie, afbeelding 1.

[6] Juni 2011.

[7] In de publicaties van Hardt en Negri staat deze categorie bekend als: the common.

[8] Brian Massumi —een van de meest bekende denkers als het gaat om affecten— omschrijft affecten als de manier waarop het lichaam zich voorbereid op actie door het activeren van onbewuste ervaringen en intensiteiten. Het zijn momenten van ongevormd en ongestructureerd potentieel. Ze spelen een belangrijke rol in de manier waarop we reageren en omgaan met onze omgeving. Omdat ze ongevormd en ongestructureerd zijn, kunnen ze gemakkelijk als impulsen onbewust worden doorgegeven. In deze zin behoren ze niet tot de persoonlijke emoties of gevoelens, maar tot de gemeenschappelijke intensiteiten. Onze hedendaagse maarschappij kent een overdaad aan deze vluchtige en makkelijk manipuleerbare affecten. In het artikel ‘Fear (The Spectrum Said)’, Position: East Asia Cultures Critique, Vol.13 No.1 (2005) 31-48 beschrijft Massumi hoe de manipulatie van affecten (door angst bijvoorbeeld) in de politiek een steeds centralere plaats inneemt in het beinvloeden van sociaal gedrag. Populisme is hier een voorbeeld van.

[9] Hardt en Negri, ‘The Becoming Prince of the Multitude.’, Artforum, vol. 48 nr. 2 (oktober 2009) 178-179.

[10] Hardt en Negri, Empire, 300-303.

[11] K. Chukhrov, ‘Towards the Space of the General: On the Labour beyond Materiality and Immateriality’ e-flux Journal, 20 (2010). Beschikbaar op: http://www.e-flux.com/journal/view/180 (geraadpleegd op 12 juni 2011).

[12] Voor meer informatie over dit debat en de ‘Telecomwet’ in Nederland, zie bijvoorbeeld: ‘Verhagen: verbod op extra tarief webtoegang,’ NRC Handelsblad: Vooraan, donderdag 9 juni 2011; of ‘Neutraal Sheila Sitalsing’ De Volkskrant: Ten Eerste, blz. 4, maandag 6 juni 2011.

[13] Originele Spaanse teksten: ‘Se Vende’, ‘Se Presta’, ‘Se Alquila’, ‘Se Regala’.

[14] M. Borja-Villel, ’The Museum Revisited.’ Artforum, vol. 48 nr. 10 (zomer 2010) 282-283.

[15] Hardt en Negri, ‘The Becoming Prince of the Multitude’, 179.

[16] Chukhrov, ‘Towards the Space of the General’.

[17] Hantelmann, geciteerd in T. Sehgal, ‘The Museum Revisited.’ Artforum, vol.48 nr.10 (2010) 281 en 380.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>