Republiek of Monarchie?

Bart Verheijen

Ons land is langer een republiek geweest dan een monarchie. Toch lijkt het republikeinse debat in Nederland op sterven na dood. Toen Beatrix haar abdicatie aankondigde, waren alle commentatoren het eens: zij was een voortreffelijke vorstin geweest. Voor een debat over het democratische gehalte van erfopvolging was geen ruimte. Maar als een troonsopvolging deze ruimte al niet creëert, wanneer kan het debat dan wel worden gevoerd? Of verkiezen de Nederlanders een pragmatische omgang met de monarchie boven de principiële juistheid van een presidentieel systeem?

Toen Nederland in 1806 een koninkrijk werd en de Fransman Lodewijk Napoleon de eerste koning, was het voorgoed gedaan met de republiek. Op een enkele proteststem na leek het republikanisme in Nederland reeds in 1806 verdwenen. Maria Aletta Hulshoff schreef in april 1806, in haar ‘Oproeping van het Bataafsche volk’ nog wel: ‘Republikeinen doet uw pligt! Gij kunt het Vaderland nog redden! Het Vaderland!’ maar haar stem vond weinig weerklank[1] Tijdens de rechtszaak die tegen haar gevoerd werd, werd ze bijna ontoerekeningsvatbaar verklaard. Van een breder maatschappelijk protest tegen de teloorgang van de Nederlandse republiek leek geen sprake.

Waar was het gedachtegoed heen dat eind achttiende eeuw de kern had gevormd van de Amerikaanse, Franse en Bataafse Revolutie? De conceptuele transformatie die het republikanisme eind achttiende eeuw doormaakte, hechtte zich aan het gelijkheidsdenken en bracht zo een aantal veranderingen teweeg in het nadenken over burger en politiek. Veranderingen die leidden tot de Atlantische revoluties en waarvan de verworvenheden tot op de dag van vandaag gekoesterd worden door de volwassen democratieën van West-Europa (volkssoevereiniteit en mensenrechten). We zijn allen schatplichtig aan het republikanisme.

Toen de val van Napoleon in november 1813 de weg vrijmaakte voor een herstel van de Nederlandse soevereiniteit, werd deze echter niet in de (vertrouwde) republikeinse vorm gegoten. Het was koning Willem I die zich als soeverein vorst op de door Lodewijk Napoleon gecreëerde troon neerzette. Deze troon is tot op heden behouden voor de familie Oranje-Nassau. De Oranjemythe waarin de continuïteit tussen Willem de Zwijger en het huidige vorstenhuis van Oranje-Nassau wordt benadrukt, is een fijn staaltje negentiende eeuwse invention of tradition. Maar wel een inventie die al twee eeuwen ontzettend goed werkt. En als je dan ook nog een evenwichtige en wijze vorstin als Beatrix hebt, wie zou er dan nog durven te klagen?

Het is wellicht tekenend voor de Nederlandse omgang met het koningshuis dat de ‘republikeinse’ Partij van de Arbeid de monarchie tot drie keer toe heeft moeten – en willen – redden. Willem Drees redde het koningshuis in 1956 tijdens de Greet-Hofmans affaire. Joop den Uyl wist de monarchie te behouden tijdens wat waarschijnlijk de grootste constitutionele naoorlogse crisis is geweest; de Lockheed affaire in 1976. Premier Kok redde het huwelijk van Willem Alexander en Maxima door haar vader Zorreguieta (verdacht van medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden tijdens het bloederige Videla regime in Argentinië) te overtuigen de huwelijksplechtigheid van zijn dochter niet bij te wonen. Kan een strijd tegen een erfelijk staatshoofd op principiële gronden nu nog overtuigend gevoerd worden? Of leggen we ons neer bij het ogenschijnlijke pragmatisme dat de Nederlanders verenigt in hun omarming van het koningshuis?

Ik wil graag – om het debat toch enigszins te voeden – een klassiek voorbeeld aanhalen dat de anomalie van het koningshuis in een democratie weergeeft. Wie anders dan de revolutionairen van de Franse Revolutie moeten hierover aan het woord gelaten worden? Zij vonden het immers noodzakelijk hun gezalfde koning te vermoorden om een nieuwe politieke orde mogelijk te maken. Volgens Louis de Saint- Just, één van de meest prominente revolutionairen en bijgenaamd de ‘Aartsengel van de terreur’, waren monarchie en volkssoevereiniteit niet verenigbaar. Tijdens een debat op 13 november 1792 hield Louis de Saint-Just een beroemd geworden speech over het lot van koning Lodewijk XVI. De vijfentwintig jarige Saint-Just legt hierin uit waarom de koning de doodstraf moet krijgen. Saint-Just betoogt op Rousseauiaanse wijze dat de koning schuldig is juist omdat hij koning is. Door zijn koningschap staat hij buiten de gemeenschap van burgers. Hij is een vreemd lichaam in de politieke orde en moet daarom worden ‘weggesneden’. De vraag of hij al dan niet schuldig is, doet totaal niet ter zake. Het feit dat de koning buiten de politieke gemeenschap staat – volgens de middeleeuwse formule: major et minor se ipso – is genoeg om hem te moeten veroordelen. De unieke positie die de koning ten opzichte van zijn onderdanen inneemt, datgene wat hem tijdens het ancien régime zijn legitimiteit gaf, is nu de reden voor zijn verwijdering uit de maatschappij. De koning moet worden gedood, anders is het parlement (de volkswil) zelf schuldig. [2]  Zo geschiedde. Op 21 januari 1793 werd Lodewijk XVI geguillotineerd.

Om misverstanden te voorkomen; ik stel niet voor om een roodgeverfde guillotine naar Den Haag te rijden. Maar voor de monarchale anomalie moet meer aandacht zijn. Het is te hopen voor de pragmatisten dat koning Willem Alexander net zo goed regeert als zijn moeder. Anders wordt het ondemocratische gehalte van het koningshuis in onze samenleving wellicht heel erg voelbaar.

Bart Verheijen (1985) studeerde historische wetenschappen en filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en aan de Katholieke Universiteit Leuven. Eveneens behaalde hij een master deux aan l’Ecole des Hautes Études et Sciences Sociales te Parijs. Sinds september 2011 werkt hij aan een proefschrift over Verzetsliteratuur tijdens het Franse regime 1806-1813.



[1] M.A. Hulshoff, Oproeping van het Bataafsche volk, om deszelfs denkwijze en wil openlijk aan den dag te leggen, tegen de overheersching door eenen vreemdeling, waarmede het vaderland bedreigd wordt (Amsterdam 1806) Knuttel 23298.

[2] K. Deschouwer, ‘De beelden van de macht. De politieke symboliek in het ancien régime en in de Jakobijnse Republiek’, in: De opstand van de intellectuelen. De Franse Revolutie als avant-première van de moderne cultuur (Amsterdam 1989) 47.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>