Geen conflict tussen geloof en wetenschap

Jeroen de Ridder

‘Christenwetenschappers, ik gun jullie de vrijheid om wat anders te gaan doen,’ zo konden we onlangs lezen in de Volkskrant.[1] Misschien een ingezonden briefje van een fanatieke atheïst die last heeft van een moeizame verhouding met zijn christelijke opvoeding? Nee, deze woorden bleken uit de pen te zijn gevloeid van de chef van de wetenschapsredactie, Maarten Keulemans. Hij reageerde op een manifest waarin 27 christelijke hoogleraren hun steun betuigden aan de Maastrichtse hoogleraar Onno van Schayck. Van Schayck was onder vuur komen te liggen omdat hij in een filmpje op internet had gezegd dat hij 25 jaar geleden een been enkele centimeters had zien groeien, nadat daarom gebeden was in een kerkdienst.[2] Begrijpelijkerwijs duidde hij deze gebeurtenis als een wonder. Dat schoot enkele journalisten en wetenschappers in het verkeerde keelgat. Van Schayck, die leiding gaf aan een groot en succesvol onderzoeksinstituut en wiens wetenschappelijk werk volgens alle gebruikelijke criteria uitstekend is, zou een kwakzalvende benenbidder zijn die ‘lak heeft aan de wetenschap.’[3] Wie niet beter wist, zou haast gaan denken dat Van Schayck een wetenschappelijke doodzonde had begaan. Een soort Stapeltje. (Je kunt desgewenst de details eenvoudig vinden door even ‘Onno van Schayck’ te googlen.)

Deze hele affaire liet weer eens zien dat sommige mensen er diep van overtuigd zijn dat er een inherent conflict bestaat tussen wetenschap en religieus geloof. Ik zal hier betogen dat dit idee een misvatting is, die eerder voortkomt uit antireligieuze ideologie dan uit een nuchtere beschouwing van de werkelijke relatie tussen geloof en wetenschap.

Twee korte punten vooraf. Als eerste dit: wil er sprake kunnen zijn van een conflict tussen geloof en wetenschap, dan moeten die twee op de een of andere manier botsen. Dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Wetenschap gaat over feiten: hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Voor veel mensen heeft geloof daar niet zo veel mee te maken. Geloof draait om waarden en zingeving. Om wat het goede leven is en wat het leven de moeite waard maakt. Wil er sprake kunnen zijn van een conflict, dan moet je geloof zo interpreteren dat het ook iets zegt over hoe de werkelijkheid in elkaar zit.[4]

Tweede punt: het is een laat negentiende-eeuws verzinsel dat je in de geschiedenis een voortdurende strijd ziet tussen geloof en wetenschap. De Griekse filosofie heeft de wetenschap ook behoorlijk dwarsgezeten; de christelijke Middeleeuwse cultuur heeft niet alleen universiteiten voortgebracht maar ook het zaad gezaaid voor de moderne wetenschap; in het conflict tussen Galileo en de kerk speelden hoofdzakelijk niet-wetenschappelijke factoren; en onder Darwins vroegste aanhangers waren ook tal van gelovigen – om maar eens een paar klassiekers te noemen. Het werk van gerenommeerde historici als Ronald Numbers, John Hedley Brooke, James Hannam en anderen laat zien dat de historische feiten geen steun bieden aan de conflictthese.[5]

Wat zou het conflict tussen geloof en wetenschap dan precies moeten inhouden? Volledigheid is hier onhaalbaar, maar ik stip drie onderwerpen aan die je vaak tegenkomt als voorbeelden: evolutie, wonderen en hersenwetenschap.

Darwins evolutietheorie laat zien hoe mensen en alle andere levende wezens op aarde uit elkaar zijn ontstaan via een geleidelijk proces van miljoenen jaren, waarin toevallige mutaties en natuurlijke selectie de hoofdrol spelen. Ziehier het conflict: gelovigen denken dat een bovennatuurlijke schepper een jaar of 6000 geleden mensen, dieren en planten allemaal apart op aarde heeft geplant, nadat hij eerst de rest van het universum had gemaakt.

Zo simpel is het niet. Er zijn inderdaad wel gelovigen die het Bijbelboek Genesis letterlijk interpreteren en die hun interpretatie zelfs met wetenschappelijk onderzoek proberen te staven (vooral in Amerika is dit creationisme prominent aanwezig), maar onder ontwikkelde gelovigen is dit uitzonderlijk. De meesten van hen zien geen probleem in het idee dat mensen langzaam geëvolueerd zijn uit andere diersoorten. Ze houden het erop dat God dit hele proces achter de schermen leidde of begeleidde.[6] Meer dan een eeuw geleden zei Abraham Kuyper al: ‘Had het dus God belieft niet zelf soorten te scheppen, maar soort uit soort te doen opkomen, doordat Hij de voorafgaande soort op de productie van de hoger volgende had aangelegd, de Schepping zou er even wonderbaar om zijn.’[7]

Maar misschien is een God achter de schermen van evolutie ook onacceptabel. Mutaties zijn immers toevallig en daar kan dus geen God aan te pas komen. Hier komt het erop aan precies te zijn over wat we bedoelen met het woord ‘toevallig’. In de biologie betekent het niet meer of minder dan dat er geen relatie is tussen mutaties en de overlevingskansen van het organisme. Mutaties kijken niet vooruit: er is geen fysiek mechanisme dat vooraf uitzoekt wat goed zou zijn voor het organisme en dat dan probeert voor elkaar te krijgen.[8] Als dit is wat ‘toevallig’ betekent, dan is er echter geen probleem met denken dat God toch op de een of andere manier evolutie in door hem gewenste banen leidt. Hij doet dat dan blijkbaar niet via opzichtig micromanagement, want biologen kunnen er geen patroon in ontdekken, maar het zou best kunnen dat hij het proces wel op hoofdlijnen bestuurt.[9]

Wonderen dan. Heeft wetenschap niet aangetoond dat wonderen onmogelijk zijn? Natuurwetten gelden toch onverbiddelijk en bieden geen ruimte aan uitzonderingen? Lopen over water, opstaan uit de dood, aangroeiende benen en andere rariteiten waar gelovigen het over hebben kunnen dus helemaal niet. Wie daar toch in gelooft, moet wel botsen met wetenschap.

Ongetwijfeld overdrijven sommige gelovigen wel wat op dit punt. Ze zien overal wonderen en lijken over God te denken als een vrolijke tovenaar die wonderen uitdeelt zoals Sinterklaas cadeaus. Zo’n opvatting is inderdaad moeilijk te verenigen met een wetenschappelijke kijk op de wereld. Dat betekent echter nog niet dat iemand die wetenschap serieus neemt wel moet geloven dat wonderen absoluut onmogelijk zijn. Je kunt als gelovige denken dat natuurwetten beschrijven hoe de wereld normaliter werkt, dat wil zeggen zo lang God niets bijzonders doet. Omdat wonderen zo uitzonderlijk zijn, is het verleidelijk om te denken dat de natuurwetten geen uitzonderingen toelaten. Maar voor wie gelooft dat God de schepper is van het hele universum inclusief de natuurwetten, ligt het voor de hand om ook te geloven dat God prima in staat is om soms speciaal in te grijpen.[10]

Neurowetenschap heeft de laatste decennia een hoge vlucht genomen. De breinboeken vliegen je om de oren. Je zou als volgt kunnen redeneren: al dat hersenonderzoek laat zien dat menselijk bewustzijn uiteindelijk niet meer is dan een bijproduct van onze hersenen. Geen geest zonder hersenen. Het religieuze idee van een ziel die overleeft nadat wij dood gaan is dus absurd.[11]

Ook deze redenering is veel te kort door de bocht. De nuchtere waarheid is dat we, ondanks al het hersenonderzoek en in weerwil van de retorische spin waarmee het omgeven is, nog altijd geen idee hebben van hoe een enorme collectie van neuronen bewustzijn, subjectiviteit, een ‘ik’ en allerlei andere elementen van ons geestelijke leven voort zouden kunnen brengen. Er zijn theorieën en hypothesen, maar ze zijn stuk voor stuk onzeker en problematisch. Het filosofische lichaam-geest probleem blijft vooralsnog een ongekraakte code.[12] Daarom is het voorbarig om te stellen dat het idee van een immateriële ziel, die los van het lichaam kan bestaan, absurd is.[13]

Afgezien daarvan is het nog maar de vraag of religie zielen nodig heeft. In de christelijke traditie, die ik zelf nu eenmaal het beste ken, behelst het leven na de dood niet dat zielen in de hemel rondzweven, maar dat er een nieuwe aarde komt waarop mensen met een nieuw lichaam eeuwig leven. Zelfs als hersenwetenschap aannemelijk zou maken dat onze ‘ziel’ helemaal voortkomt uit onze hersenen, hoeft dat dus nog geen conflict op te leveren met religie.[14]

Tot slot: je zou kunnen denken dat de tot nu toe besproken concrete onderwerpen de kern niet raken. Het conflict tussen wetenschap en religie zit misschien op een algemener niveau: tussen een religieus en wetenschappelijk wereldbeeld, of tussen een religieuze en wetenschappelijke houding. Ook dat geloof ik niet. Sterker nog, een religieus wereldbeeld kan juist een kader bieden waarin de mogelijkheid van wetenschap begrijpelijk is en wetenschap ook een bepaalde zin heeft. Gedacht vanuit de christelijke traditie maakt het bestaan van God het begrijpelijk dat er een geordend universum is waarin intelligente en verantwoordelijke wezens zoals wijzelf leven. Dit is dan niet bedoeld als een soort superwetenschappelijke verklaring voor de mogelijkheid van wetenschap, maar het laat wel zien hoe geloof en wetenschap samen in een breder wereldbeeld passen.

De conclusie is kort en goed: er is geen conflict tussen geloof en wetenschap als zodanig. Wel is er een conflict tussen geloof en wetenschap die vermengd wordt met extra atheïstische aannames. Maar dat kan niemand verbazen.

Dr.ir. Jeroen de Ridder (1978) is NWO Veni onderzoeker en universitair docent wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Samen met een aantal collega’s geeft hij leiding aan het Abraham Kuyper Center for Science and Religion aan de VU, dat regelmatig lezingen en debatten over wetenschap en de grote vragen organiseert.


[1] M. Keulemans, ‘Christenwetenschappers, ik gun jullie de vrijheid iets anders te gaan doen’ (13 maart 2013) beschikbaar via:  http://www.volkskrant.nl/vk/nl/
2672/Wetenschap-Gezondheid/article/detail/3408509/2013/03/13/
Christenwetenschappers-ik-gun-jullie-de-vrijheid-iets-anders-te-gaan-doen.dhtml
(te geraadpleegd op 15 mei 2013).

[2] Hier na te kijken: Geloof en wetenschap. ForumC, ‘Waarom is er ziekte als God er is?’ (z.d.), beschikbaar via: http://www.geloofenwetenschap.nl/index.php/videoaudio/
item/320-waarom-is-er-ziekte-als-god-er-is?.html
(geraadpleegd op 15 mei 2013).

[3] Keulemans, ‘Christenwetenschappers’.

[4] Zie voor een verdediging van het idee dat geloof en wetenschap ‘niet overlappende magisteria’ zijn: S.J. Gould, Rocks of Ages: Science and Religion in the Fullness of Life (New York 1997). De godsdienstfilosoof D.Z. Philips heeft dit idee het meest systematisch uitgewerkt, zie bijvoorbeeld: Faith After Foundationalism (Boulder CO 1995).

[5] J.H. Brooke, Science and religion. Some historical perspectives (Cambridge 1991); D. Lindberg en R.L. Numbers (ed.), When science and christianity meet (Chicago 2003);  R.L. Numbers, Galileo goes to jail and other myths about science and religion (Cambridge, MA 2009); J. Hannam, God’s philosophers. How the medieval world laid the foundations of modern science (Londen 2010).

[6] Zo bijvoorbeeld: F. Collins, The language of God. A scientist presents evidence for belief (New York 2006); R. Fransen, Gevormd uit sterrenstof. Schepping, ontwerp en evolutie (Vaassen 2009); T. Smedes, God en Darwin (Amsterdam 2009). Voor discussie, zie: W.A. Dembski & M. Ruse (ed.), Debating Design (Cambridge 2004); R. Pennock (ed.), Intelligent Design Creationism and Its Critics (Cambridge, MA 2001).

[7] A. Kuyper, Evolutie. Rede bij de overdracht van het rectoraat aan de Vrije Universiteit op 20 October 1899 gehouden (Amsterdam 1899) 42.

[8] E. Sober, ‘Evolution without naturalism’, in: J. Kvanvig, Oxford studies in philosophy of religion 3 (2011) 187–221.

[9] Zie voor meer discussie: A. Plantinga, Where the conflict really lies (Oxford 2012) 3–63.

[10] Meer hierover in: Plantinga, Conflict, 65–125 en T. McGrew en L. McGrew, ‘The Argument from Miracles’, in: W.L. Craig and J.P. Moreland (ed.), The Blackwell Companion to Natural Theology (New York 2009) 593–662

[11] Aldus bijvoorbeeld: D. Swaab, Wij zijn ons brein (Amsterdam 2010) en V. Lamme, De vrije wil bestaat niet (Amsterdam 2011).

[12] D. Chalmers, The conscious mind. In search of a fundamental theory (Oxford 1996); C. McGinn, The mysterious flame. Conscious minds in a material world (New York 1999); T. Nagel, Mind and cosmos. Why the materialist neo-Darwinian conception of nature of is almost certainly false (New York 2012).

[13] Voor recente pleidooien voor de ‘zielhypothese’ die rekening houden met hersenwetenschap, zie: M.C. Baker en C. Goetz, The soul hyopthesis. Investigations into the existence of the soul (Londen 2011) en R. Swinburne, Mind, brain, and free will (Oxford 2013)

[14] Christenen die verdedigen dat de mens geen immateriële ziel heeft, zijn onder anderen: P. van Inwagen, Material beings (Ithaca, NY 1995); H. Hudson, A materialist metaphysics of the human person (Ithaca, NY 2001); T. Merricks, Objects and persons (New York 2003); K. Corcoran, Rethinking human nature. A Christian materialist alternative to the soul (Grand Rapids, MI 2006).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>