De weg naar tolerantie: een nieuw perspectief op multiculturalisme

Paul van der Plas

Het huidige debat over multiculturalisme wordt gekenmerkt door een spanningsveld tussen de belangen van individuen die hun leven vorm willen geven vanuit een bepaalde culturele of religieuze overtuiging enerzijds, en de rol van de staat als ‘onpartijdige’ actor bij het vaststellen van rechten en wetten anderzijds. De Canadese politiek-filosoof Will Kymlicka stelt dat een cultuur de context kan vormen waarbinnen individuen zinvolle keuzes kunnen maken in het leven. De cultuur is hier niet intrinsiek waardevol, maar kent een instrumentele waarde. Op het moment dat een individu bijvoorbeeld volledig kan leven volgens de normen die binnen een specifieke religie gelden, is deze (beter) in staat om het leven naar eigen inzicht richting te geven.[1] Het kan voorkomen dat bepaalde gedragingen of uitingen conflicteren met de in een staat geldende regels en wetten. Een recent voorbeeld in het publieke debat is het dragen van gezichtsbedekkende kleding. Hoewel dit in strijd is met de wet, vechten groepen voor dit recht vanuit hun recht op geloofsvrijheid. Op dat moment kan de staat besluiten om cultuurspecifieke rechten toe te kennen aan groepen. In dit artikel zal worden betoogd waarom het ideaal van Kymlicka problematisch is en waarom de staat zich in plaats daarvan dient te richten op de vrijheid van individuen en het beschermen van onderlinge tolerantie middels wetten die deze vrijheid garanderen. Het nieuwe uitgangspunt voor het debat over multiculturalisme zal worden verdedigd aan de hand van een drietal auteurs.

Ongelimiteerde tolerantie?
Politiek-theoreticus Chandran Kukathas stelt dat het individu de focus van rechtvaardigheid dient te zijn binnen een samenleving als gevolg van de afwezigheid van een gedeelde conceptie van ‘het goede’. Individuen hebben de neiging tot vereniging en vormen verschillende groepen. De rechtvaardige maatschappij is niet een eenheid, maar een ‘archipel’ van deze groepen. Binnen deze groepen kunnen individuen volledig leven op de manier zoals zij dat willen. De diversiteit tussen groepen vereist dat tolerantie één van de centrale waarden binnen een liberale samenleving is. Tevens dienen autoriteiten de vrije samenleving middels wetten te beschermen, omdat deze de basis vormen voor gewetensvrijheid van alle individuen. Vrijheid van meningsuiting of vereniging vormen belangrijke voorwaarden voor het vermogen van individuen om het leven naar eigen inzicht vorm te geven. Een belangrijk aspect van de vrije samenleving is dat individuen de kans hebben om groepen op ieder gewenst moment te verlaten. Dit garandeert dat zij geen leven hoeven te leiden dat zij niet kunnen accepteren. Kukathas reduceert de functie van de staat tot het bewaken van de vrede tussen groepen. Tolerantie impliceert immers dat de gekozen levenswijze en morele standaarden binnen een groep worden geaccepteerd. Onbegrensde tolerantie kan echter leiden tot mensonterende omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een groep geweld tegen vrouwen goedkeurt. De vraag is in hoeverre dit geaccepteerd kan worden, maar er lijkt geen probleem zolang iedereen de groep maar op ieder moment kan verlaten. Kukathas impliceert dat alle individuen vrij naar hun geweten kunnen handelen.[2] Dit is echter problematisch, want zijn bijvoorbeeld kinderen of zwakbegaafden daadwerkelijk in staat om hierin een goede afweging te maken?

Volgens Brian Barry kan tolerantie tussen groepen, zoals beschreven door Kukathas, leiden tot intolerantie binnen groepen. Kukathas stelt dat binnen een groep alles geoorloofd is, zolang individuen de groep maar kunnen verlaten. Als er geen grenzen zijn voor het gedrag binnen een groep, kan het zijn dat zwakke individuen daar het slachtoffer van worden. In tegenstelling tot Kukathas ziet Barry bij het bestrijden van deze intolerantie wel een rol voor de staat weggelegd. Barry stelt een grens aan tolerantie op het punt dat diversiteit negatieve gevolgen voor leden van een groep kan hebben. Liberalisme wordt volgens hem gekenmerkt door beperkingen van politieke macht, zodat deze niet misbruikt kan worden. Grenzen worden ingesteld met als doel de liberale samenleving te beschermen. Dit laatste impliceert beperkingen aan het zelfbestuur van groepen en laat de staat over als enige liberale entiteit. Barry stelt dat het tolereren van alle argumenten voor een bepaald gedrag binnen een groep kan leiden tot een relativisme dat negatieve gevolgen kan hebben voor bepaalde leden van een groep. De staat dient de condities te bieden waarbinnen mensen autonoom kunnen worden. Een onderdeel hiervan vormt het beschermen van zwakke individuen binnen een groep. Daarnaast dient de staat rekening te houden met de gevolgen voor individuen die besluiten uit een groep te treden.[3] Als een individu besluit dat de gebruiken en normen binnen een groep niet langer overeenkomen met het eigen ideaal van een goed leven, kan deze besluiten de groep te verlaten. Dit is echter minder eenvoudig dan het klinkt. Neem bijvoorbeeld een streng religieuze groep waar iemand besluit uit te stappen. De kans is aanwezig dat zo iemand daarmee ook de band met familie of vrienden schade toebrengt. Het is zelfs denkbaar dat dit kan leiden tot het verliezen van zijn of haar baan. Indien de staat beschermt tegen ‘kosten’ bij het verlaten van een groep, of deze compenseert, wordt vrijwillig lidmaatschap beter gewaarborgd. De grotere vraag blijft echter: wat is nu eigenlijk een groep? En wanneer ben je daar lid van?

De groep als machtsmiddel
Paul Gilbert stelt dat een groep kan worden vormgegeven vanuit de zelfidentificatie van de leden die zich bewust zijn van hun gedeelde kenmerken. De groep is hiermee een sociale constructie op basis van bijvoorbeeld taal, morele standaarden of gedeelde geschiedenis. Gilbert ontkent het bestaan van een singuliere coherente cultuur voor een groep en stelt dat de kenmerken waarmee een groep zich ‘afbakent’ worden gekozen op basis van de macht die hiermee kan worden uitgeoefend.[4] Cultuurrelativisme kan leiden tot een ongelimiteerde basis voor het claimen van groepsspecifieke rechten. Immers, als wordt besloten dat een groep specifieke rechten krijgt, wie bepaalt dan welke rechten wel of niet ‘noodzakelijk’ zijn voor het leven volgens een bepaalde cultuur? In de huidige politiek bepaalt de staat welke groepen wel en niet in aanmerking komen voor groepsrechten. Als echter niet eenduidig kan worden vastgesteld wat een groep is, of tot welke groep een individu behoort, hoe kunnen politieke claims vanuit een culturele groep worden gerechtvaardigd? De objectieve basis voor ‘toetsing’ van deze claims is afwezig. Met het toekennen van groepsspecifieke rechten gaat de onpartijdigheid van de staat verloren op eenzelfde wijze als Kukathas en Barry beschrijven wanneer de staat grenzen stelt aan tolerantie. De staat beluit immers welke groepen in aanmerking komen voor specifieke rechten.

Indien onpartijdigheid vanuit de staat niet kan worden gegarandeerd, lijkt de bodem voor groepsspecifieke rechten verdwenen. Het is immers onmogelijk vast te stellen wanneer een groep in aanmerking komt voor cultuurspecifieke rechten. In plaats daarvan dient de staat zich dan ook te richten op individuen en het beschermen van diens vrijheid, gelijkheid en autonomie. Het ideaal van morele onpartijdigheid wordt verworpen. Daarnaast moet de staat zich richten op het beschermen van de menselijke soort vanuit een set basisrechten en -wetten. Vrijheid van vereniging blijft gewaarborgd. Daarbij zal de staat toezien op de mogelijkheid tot het verlaten van deze groep tegen reële kosten, en compensatie voor negatieve gevolgen van een eerder lidmaatschap, bijvoorbeeld als kind. Een individu kan tenslotte niet kiezen in welke groep het zijn leven begint. Op het moment dat er na een aantal jaar wordt besloten om uit de groep te treden, dient te staat ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen hiervan zoveel mogelijk worden beperkt. Tolerantie binnen en tussen groepen zal worden gebonden aan basiswetten. Kymlicka had gelijk bij het vaststellen dat een cultuur een instrumentele waarde kan hebben: het helpt individuen bij het maken van zinvolle keuzes in het leven. Voor individuen laat multiculturalisme de opties in het leven alleen afnemen, omdat bepaalde rechten hierbij niet universeel maar cultuurspecifiek zijn. Tevens vormen de kosten van het verlaten van een groep een beperking in de wijze waarop een individu het leven naar eigen inzicht invulling kan geven. Op het niveau van het staatsbestuur vormen politieke claims op basis van een groepsspecifieke cultuur een groter probleem voor tolerantie en autonomie dan ze ooit kunnen oplossen.

Paul van der Plas (1985) is masterstudent Politieke Theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.



[1] W. Kymlicka, Contemporary Political Philosophy (Oxford 2002).

[2] C. Kukathas, The Liberal Archipelago (Oxford 2003).

[3] B. Barry, Culture and Equality (Cambridge 2001).

[4] P. Gilbert, Peoples, Cultures and Nations in Political Philosophy (Edinburgh 2000).

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>