Crisis en critiek der G500

Mike van de Weijer

Het lijkt ondertussen alweer een half politiek leven geleden dat de G500 zichzelf presenteerde aan Nederland met de belofte om veel te gaan veranderen. De eerste helft van 2012 was sowieso een tijd van grote opschudding. Een regering met steun van de PVV was gekomen en gegaan en in grote onzekerheid over wat de toekomst zou brengen, sleepte Nederland zich naar de verkiezingen van 12 september. In deze context leek het zo sympathiek, een groep jongeren die zich in wilde zetten om een fris geluid te laten horen. Een jong tegengeluid tegen een conservatieve vergrijzende elite. Maar ik had zelf, ook al ben ik een groot voorstander van jeugdigheid en een tegenstander van conservatieven van de generatie Opstelten, al meteen flinke bezwaren bij de opkomst, de ideeën en de werkwijze van de G500. Mijn bezwaren vallen grotendeels uiteen in twee categorieën. De eerste categorie heeft te maken met de staat van de democratie in Nederland, en de toekomst daarvan. De tweede groep heeft betrekking op wie of wat de G500 is, en op wat ze niet is.  Democratie en discriminatie, om kort te zijn.

De titel van mijn bijdrage heb ik ontleend aan het boek van A.A. de Jonge uit 1968, Crisis en Critiek der Democratie.[1] Sinds wat de ‘Fortuynrevolte’ is gaan heten, hebben velen verwezen naar dit boek. De Jonge beschrijft, als hij het heeft over de jaren 1930, een periode waarin een kleine en een grote crisis van de democratie bestaan: respectievelijk  de twijfel over de vorm en de vraag of democratie wel een levensvatbaar systeem is. Dat De Jonge schrijft over het Interbellum heeft niemand tegengehouden het laatste decennium in soortgelijke termen te beschrijven. Gelukkig is de conclusie van moderne auteurs die het sjabloon van De Jonge op onze tijd leggen steeds dat tegenwoordig van een grote crisis geen sprake is. Uit de titel van dit stuk zou het beeld kunnen ontstaan dat ik denk dat de G500 in crisis is, maar in het tweede deel van dit stuk zal ik laten zien dat dit absoluut niet aan de orde is. Eerst moeten we het eens hebben over de democratie, waar een crisis ook ver te zoeken is.

Democratie
Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen, maar er is eigenlijk niet zo gek veel mis met de Nederlandse democratie. Natuurlijk ben ik er ook zelf niet vies van af en toe  flink te klagen over de koers van dit land, maar als ik een stapje terug neem en het bredere perspectief bekijk, zie ik toch veel dat me wel bevalt.

Nederland heeft één van de meest toegankelijke politieke stelsels ter wereld. Er zijn zó veel zó verschillende partijen dat niet alleen elke kiezer wel wat van zijn gading kan vinden, maar dat ook iedereen die zelf politiek actief wil zijn zich wel ergens kan melden. Daarnaast heeft Nederland in het parlement de laagst mogelijke barrière voor een partij om vertegenwoordigd te worden. Meer dan één zetel is er niet nodig om een deel van de controlerende macht te worden. Bovendien is het vrij gemakkelijk een partij op te richten. Het beste bewijs daarvan zijn de grote aantallen vreemde partijen (inclusief dit jaar een partij voor UFO-gelovigen die de hele werkelijkheid als een complot ziet) die zelfs zonder enige reële kans om een zetel te krijgen, zich inschrijven voor de Tweede Kamerverkiezingen. Als een jongerenbeweging dus politieke representatie zoekt, kan dit perfect binnen het toegankelijk bestel van Nederland. Even naar de notaris, een inzamelingsronde op internet, dan door naar de Kiesraad en je bent er. Alleen tussendoor nog wel een verkiezing meepakken.

De G500 denkt het echter anders aan te moeten pakken. In plaats van zelf een partij op te richten en daarmee naar de gunsten van de (ongetwijfeld jonge) kiezer te dingen, worden de politieke machines van bestaande partijen gebruikt. Partijcongressen van VVD, PvdA en CDA worden door de G500 gekaapt om deze partijen te verjongen en om hen op de noodzaak tot hervormen te wijzen. Op het congres van de PvdA in juli kon de partij zich nog tegen een inbraakpoging van de jongerenbeweging verzetten. Maar wat als een partij dit niet meer kan? Wat als de G500 uitgroeit tot een groter aantal mensen dan de groep die vanuit een ‘gewoon’ partijlidmaatschap een congres bezoekt? Moet de partij dan meegaan met de standpunten van de G500 waar ze zelf wellicht niet achter staat? Nee, in plaats daarvan zal een partij, of een Kamerfractie van een partij, er dan voor kiezen om het congres te negeren. Als de G500 wint en op elk congres van de grote partijen met een meerderheid aanwezig is, betekent dat het einde van de huidige vorm van interne partijdemocratie: een kleine crisis van de partijcongressen, wellicht.

Ironisch genoeg is het de huisideoloog van een ledenloze partij die al voor de opkomst van de G500 voor dit soort verschijnselen waarschuwde. In De schijn-élite van de valse munters schrijft Martin Bosma smalend over de fouten van de LPF.[2] Het zal de PVV niet gebeuren, zo’n groep pipo’s die de partij overneemt en er een potje van maakt, is Bosma’s gedachte, terugkijkend op de puinhopen van een paar jaar LPF. En, zo schrijft hij, de vertegenwoordigers van de meeste partijen zijn het stiekem met hem eens: ook zij zouden hun leden liever kwijt dan rijk zijn, alleen kunnen ze dat niet openlijk zeggen. Dat lijkt me voor nu nog overdreven, maar op het moment dat groepen als de G500 zomaar een partij kunnen kapen, zou Bosma best nog wel eens gelijk kunnen krijgen. Het is goed mogelijk dat meerdere partijen in zo’n geval kiezen voor het Wilders-model: geen inspraak en een kerngroep van maximaal enkele tientallen personen die de koers van de partij bepaalt. En dat zou zo ontzettend jammer zijn voor een land met zo’n brede en diepe politieke participatie als Nederland.

Discriminatie
Discriminatie lijkt misschien een zwaar woord. Maar voor mij gaat het over ongelijke voorrechten. Over de ‘underprivileged’ die ongetwijfeld bestaan, maar ook over de ‘overpriviliged’ die daar dan automatisch bij horen maar door iedereen worden vergeten.

Wat blanke hoogopgeleide Nederlanders doen wordt tegenwoordig zonder meer geaccepteerd. Dat is normaal. Zij zijn het immers die de norm stellen. Voor mezelf heb ik een simpele test om uit te vinden of datgene wat ze doen ook echt normaal is, en niet een onderdeel van hun bevoorrechte positie. Ik vraag me namelijk altijd af wat er zou gebeuren als een groep van uitsluitend Marokkanen hetzelfde zou doen. Stel je voor, een groep Marokkanen, die zichzelf duidelijk als zodanig laat zien, laat weten lid te worden van alle grote partijen en op de congressen hun programmapunten te gaan doordrukken. De wereld zou te klein zijn. Zulks is het voorrecht van de hoogopgeleide blanke man.

Want laten we vooral niet vergeten over wie we het hebben. Kijk naar wie de G500 is. Zelfs op hun eigen website wordt duidelijk dat het gaat om overwegend Nederlandse jonge mensen met een hoge opleiding. Bij de presentatie van hun beweging werden de initiatiefnemers ook onthaald als toekomstige leiders. Zijn dit dan de mensen die zo slecht vertegenwoordigd worden en zo’n slechte toekomst in het verschiet hebben dat ze andere mensen hun politieke partij moeten ontnemen? Ik denk van niet. Ik denk dat we al zoveel gekregen hebben en dat we nog zoveel gaan krijgen. Ik denk dat stellen dat deze groep achtergesteld is misschien wel het meest arrogante standpunt is dat ik ooit heb gehoord. Want juist die Marokkanen, van wie we nooit zouden accepteren dat ze zichzelf op een soortgelijke manier zouden organiseren en VVD-congressen proberen bij te sturen in een hun welgevallige richting, die hebben de boost nodig die de G500 vooral zichzelf wil geven. Ik zou me schamen als ik hieraan zou meedoen.

Ik ben wel eens in gesprek gegaan met mensen die de G500 een warm hart toedragen. Als ik ze het bovenstaande bezwaar voorleg is hun antwoord dat mensen uit andere groepen dan ook maar een soort G500 moeten opzetten. Juist uit deze uitspraak spreekt een ongekende arrogantie en een compleet gebrek aan inlevingsvermogen. Want die andere groepen, die bestaan uit minder bevoorrechten, die kunnen dat helemaal niet. Niet alleen omdat de samenleving het niet zou accepteren (in het geval van niet-christelijke religieuze groepen), maar ook omdat lang niet iedereen de tijd en het geld heeft om lid te worden van drie politieke partijen en weekenden lang congressen te bezoeken, of om stukjes zoals dit te schrijven in tijdschriften voor en door hoogopgeleide blanke jongeren. Die groepen met deelbelangen, of het nu gaat om lichamelijk gehandicapten, ongedocumenteerde vreemdelingen of ‘gewone’ Nederlanders die maar net boven de armoedegrens leven, zijn al lang blij dat ze soms een lobby-organisatie hebben weten op te zetten. En bovendien dachten sommige van deze groepen dat hun deelbelangen vertegenwoordigd werden door de normale politieke partijen. Juist de partijen die de G500 wil beletten hun eigen koers te bepalen.

De actualiteit
Op het moment dat ik dit schrijf is de inhoud van het regeerakkoord tussen PvdA en VVD net naar buiten gekomen. Dat regeerakkoord en de ministersploeg die het uit moeten gaan voeren, ademen een geest van hervorming. Dat is niet aan de G500 te danken, die immers weinig klaar kon maken op de congressen waar de beweging zich roerde. Het is een gelukkige samenloop van autonome bewegingen binnen beide coalitiepartijen, bijeengebracht door een gunstige verkiezingsuitslag en een bewustwording van het feit dat in het conservatisme uit de school van bijvoorbeeld Maxime Verhagen geen toekomst zat voor Nederland. Dat veel van de hervormingsagenda van de G500 door de actualiteit ingehaald is, geeft aan hoezeer de belangen van deze groep al aansloten bij de belangen van de politieke elite. Laat het dan nu gedaan zijn met de spelletjes van de bevoorrechten.

Conclusie
Al wat hierboven staat mag een stevige kritiek heten. Kritiek van iemand die gelooft dat hij, of de mensen in hetzelfde leeftijdscohort van hetzelfde opleidingsniveau, allerminst in een crisis zitten. We hebben namelijk al zoveel. Er is maar één ding dat ik wil. En dat is niet leven in een land waarin Martin Bosma gelijk krijgt. Dus zorg dat de interne partijdemocratie niet beschadigd raakt. Zorg dat de politieke participatie in Nederland van hetzelfde hoge peil blijft. En lid worden van een politieke partij is daar bij uitstek onderdeel van. Maar doe het dan wel oprecht, en sluit je aan bij een partij waar je hart ligt, en probeer die mede de goede kant op te krijgen. Of, als je in het brede spectrum van beschikbare bewegingen geen geschikte partij vindt, richt er dan zelf één op. Maar gebruik de partijdemocratie niet als instrument om de doelen van een bevoorrechte groep nog verder te dienen. Daar is democratie te belangrijk voor. En bovendien is de democratie de enige ideologie die een doel op zich is. Een doel dat wel eens kritiek krijgt, maar als doel niet in crisis is. Wie echter de democratie tot slechts een middel maakt, stort haar de crisis in.

Mike van de Weijer (1985) studeerde Conflictstudies, is politiek historicus en lid van D66. In het dagelijks leven is hij werkzaam bij een internationaal opererend internetbedrijf.


[1] A.A. de Jonge, Crisis en Critiek der Democratie (Assen 1968).

[2] M. Bosma, De schijn-élite van de valse munters: Drees, extreem rechts, de sixties, nuttige idioten, Groep Wilders en ik (Amsterdam 2010).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>