Zwartenhoofdenhuis

Jacob van Hoof

Volgende week ga ik met drie oud-huisgenoten even zoveel dagen naar Riga, de hoofdstad van de Letse republiek. We boekten het stedentripje afgelopen augustus eigenlijk in een hete opwelling nadat één van ons in de WhatsApp-groep (binnen het studentenhuis schoolden wij stiekem samen) liet weten dat hij op internet op een belachelijk goedkoop aanbod was gestuit dat we niet aan ons voorbij konden laten gaan. Het arrangement – vijfenvijftig euro voor een driedaagse reis en verblijf – werd dan ook door enkele oo-em-ef-gee’s, smilies waarvan monden openvielen en dansende bananen ontvangen. Voor we het wisten was voor ons besloten dat we Sinterklaas in de Baltische winter zouden vieren. In de warme zomer leek het feestseizoen nog ver weg.

Nu de avonden bar en lang worden en steeds korter dag tot aan de trip, doe ik vlot vooronderzoek naar een stad die ik nog helemaal niet ken. Riga, zo lees ik mezelf in, heeft zo haar warme en koude kanten. Ik leer van haar continentaal klimaat, haar roerige geschiedenis waarin zij onder bewind van vele overheersers viel, de grootheden die zij voortbracht en de vele bezienswaardigheden die zij rijk is. Ik kijk nu al uit naar de Centrale Markt welke is geconstrueerd uit vijf imposante bogen van enorme Duitse Zeppelinhangaars uit de Eerste Wereldoorlog. Ook groeit mijn enthousiasme huizenhoog voor de schijnbaar vele Art Nouveau-architectuur die er in de binnenstad te vinden is.

Op een donkere novemberavond neem ik tijdens mijn online ontdekkingstocht kennis van het bestaan van het Schwarzhäupterhaus, gelegen aan het Raadhuisplein. Ik moet, waarschijnlijk net als u, een beetje glimlachen om de onbeschroomde naam. Juist: het ‘Zwarthoofdenhuis’. Laat het de allochtone gemeenschap in Nederland in deze tijd maar niet horen. Dit gildehuis, dat in de veertiende eeuw gebouwd is, ontleent haar naam aan het Broederschap der Zwarthoofden, bestaande uit ongehuwde Duitse kooplieden en andere niet-autochtone burgerij van de stad die de Heilige Mauritius hadden geadopteerd als hun beschermheilige. Mauritius was een vereerd man en naar wat blijkt na nog een aantal klikken van mijn muis, bovendien zo zwart als roet. Een echte brother, zo stel ik me hem voor, en ik glimlach nog een keer. Hoe meer beelden van hoe hij als cartooneske creool pronkerig in gevelstenen uitgehouwen op de façade van het onbeschoorsteende pand prijkt tot me komen, hoe meer mijn gelaatsuitdrukking de trekken van een grimas meekrijgt. Had het Zwarthoofdenhuis op de Markt in Gouda gestaan, dan waren er vast al wat Kamervragen over gesteld of was het gebouw misschien zelfs aan een beeldenstorm onderhevig geweest.

Lang heb ik me niet willen mengen in de zwartepietendiscussie, een begrip met zoveel nieuws- en woordwaarde dat het vanaf dit jaar onder toeziend oog van meerdere medespelers vast steeds vaker genoegzaam op het scrabblebord zal worden uitgelegd. Lang ook heb ik verkondigd ‘geen mening’ te hebben in de discussie over de vraag of de hervorming van een traditioneel West-Europees kinderfeest, waar ik tot mijn zevende nog heilig in geloofde maar tot op kort geleden pas de kinderlijke onschuld uit verdwijnen zag, gerechtvaardigd is. Nu, lang na de parachutesprong uit de kinderdroom waarin moeder, opvoeder, mens en maatschappij gaandeweg meer gaten schoot, word ik als groot geworden kind plots met open ogen en volwassen neus op de zwart/witte feiten van de huidige realiteit gedrukt. In deze tijdsgeest waarin de vrijheid van meningsuiting hoogtijdagen beleeft, ieder individu door pers en social media een ongenuanceerde spreekbuis krijgt en zo ten taaltonele treedt, waarin zelfs een zelfbenoemd poëet als ik in Volonté Générale een podium kreeg, wordt het misschien tijd dat ook ik maar eens stelling neem. Bij dezen bent u er getuige van.

Nu onze heilige huizen andermaal geen onaantastbare waarheid blijken, zou het ons staan en sieren als we onze rituelen, het gevoel van nationale trots en de angst voor verandering (de drie pijlers ook wel ‘traditie’ geheten) geheel tégen die gewoonte in opzij zetten en anders invullen nu sommige flagrante aspecten ervan bij enkele bevolkingsgroepen in onze maatschappij op innerlijk verzet stuiten. We mogen een dergelijk geluid niet bagatelliseren ten faveure van een superieur collectiviteitsgevoel en de waan waarin we onze kinderen opvoeden waar ze vroeg of laat, al dan niet door ons dan wel een ander, toch weer uitgehaald worden. Geheel in de Hollandse calvinistische traditie is het daarom de hoogste tijd voor hervorming en verbeeldingsstorm.

Jacob van Hoof (1981) is dichter en schrijver die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop de Dichter’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>