Toerist in eigen Hogeland

Jacob van Hoof

 Een vriend uit Engeland (mate zou in alle opzichten de beste vertaling zijn) die ik aan het begin van mijn studie aan de universiteit als uitwisselingsstudent leerde kennen, was afgelopen week een paar dagen bij me op bezoek en herinnerde me aan een goed verhaal dat we jaren geleden eens samen beleefden. In zijn reislust en vastberadenheid om Nederland verder te ontdekken (en om en passant een wedstrijdje van Ajax mee te pikken) komt hij ieder jaar even ‘over’. Op die momenten stel ik me altijd even vriendelijk als vrijwillig als herbergier op en bied hem logies en ontbijt. Nu, na tien jaar, spreekt hij een klein beetje Nederlands, zegt ‘dangkjewil’ met hevige aspiratie op de medeklinkers en plosieven nadat de serveerster hem zijn zelfbestelde ‘sjokkomil’ heeft gebracht, weet welke fietsenmaker de goedkoopste tweewielers verhuurt, kent de bezienswaardigheden in de buurt en vindt bovendien als geen ander zijn route door de stad. Hoewel hij zich dus ook zonder mij heel aardig kan vermaken en hoe niet-tot-last hij me tussen de drukke bedrijven door ook is, zijn komst dwingt me onbedoeld tóch om mijn gastheerschap zo goed mogelijk als ik kan in te vullen, niet in de laatste plaats omdat hij dat ook voor mij zou doen.

Als hij er eenmaal is, stel ik vaak voor als gids te fungeren en met hem mee te gaan op ontdekkingstocht door Nederland. Daarbij is het een pre dat we bij voorkeur onze route niet aan de hand van een geëzeloorde Lonely Planet uitstippelen, maar onze bestemmingen juist kiezen uit persoonlijke jongensachtige nieuwsgierigheid en interesse. Nick maakt mij zo, als het ware, een gids door eigen land, een vaderland dat ik doorgaans een stuk minder interessant vind dan bepaalde andere landen en steden waar ik vanuit hier vaak zo naar verlang. Hij verschaft me de mogelijkheid om Nederland als toerist te zien en beleven, en de noodzaak op ongewone plekken mijn ogen te openen waar ik ze in m’n eentje, vaak verveelde Hollander te wezen, aan voorbij zou laten gaan omdat ik er gewoonweg niet zou komen.

Zo kwam het dat we, in zijn onconventionele wens eens het meest noordelijke station van Nederland te bezoeken, ooit naar Roodeschool togen, een plaatsje dat vanaf Groningen nog zeker drie kwartier boemelen is. Het is een plek waar je alleen komt als je er woont of wezen moet. We liepen midden over de enige weg die als hoofdnerf van een blad door het dorp liep en waar aan weerszijden grote Hogelandster boerderijen stonden. Met weinig meer gezien dan het platte akkerland daarachter aten we niet veel later opgewarmde rösti met hamblokjes in een van binnen bruin bebaksteende Van der Valk (‘I fucking dig that toucan, Jake’) langs de N46 richting Eemshaven. Buiten miezerde het grijs en grauw Groningen en we moesten zo het hele eind nog terug. Denkend aan Holland zag ik in gedachten volle treinen traag door oneindig laagland gaan, de hoofden van mijn landgenoten erin moe en mistroostig naar het zuiden hangen. Daar aan tafel zakte de vaderlandslievendheid me alweer in de schoenen.

Tergend langzaam later, terugstruinend naar het station aan het eind van de Hogelandspoorlijn, kwam vanaf één van de boerenerven die op de hoofdstraat uitmondde plots een blonde jongen in overall op een skelter ons tegemoet gereden. Uit zijn blauwe ogen sprak grote verbazing en hij ontstak in een breed enthousiasme waaruit hij in Gronings dialect tal van onverstaanbare vragen op ons afvuurde. Waar we vandaan kwamen. Wat we hier in Gódsnaam deden. En of we winterpenen wilden kopen. Achteroverhellend in zijn zitje en zijn handen en kaplaarzen amper van het stuur en pedalen lichtend, wees hij naar de houten aanhangwagen waarin de wortelen per kilo in plastic zakken verpakt lagen. We besloten bij wijze van souvenir twee zakken mee te nemen. Terwijl ik hem de twee euromunt in zijn ongewassen handpalmen drukte, vertelde ik tussen neus en lippen door dat ikzelf gewoon in Nijmegen woonde maar dat ‘mijn maat hier’ zelfs helemaal met de boot uit Newcastle was gekomen. Toen we vijf uur later eindelijk thuis waren, de wortelen in schijfjes hakten en in de pan met Engelse stew gooiden, moesten we (evenals afgelopen week toen Nick de herinnering weer eens aanhaalde) nog steeds om de reactie van de jongen grijnzen: ‘Oooh, kom doe hailendal oet Naimeen?!’

Nederland: onverwacht prachtig. Machtig mooi, man.

Jacob van Hoof (1981) is dichter en schrijver die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop de Dichter’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>