To lose

Jacob van Hoof

In de week dat Nederland met logge bultruggen met stompe neuzen haar verliezen binnenhaalde, nam ik afscheid van mijn broer. Om het gewichtige momentum van zijn definitieve vertrek naar Zuid-Frankrijk wat banale lichtvoetigheid mee te geven (maar ook omdat het in ons gezin en opvoeding aan liefde voor voetbal en patriottisme totáál heeft ontbroken) had ik hem bij wijze van grapje en dik aangezette dramatiek (ons gezin daarentegen niet geheel vreemd) het shirt van het op-twee-na-beste voetballand ter wereld gegeven. In feite verraadde het ietwat afgezaagde cadeau, schurend tegen de randen van de waardigheid waarmee ik dit bepalende moment in zijn en ons leven met elkaar wilde vieren, dat ik me er in wezen geen goed raad wist. Ik vloog enkel wat beschouwend over het ceremoniële schouwspel waarbij slechts één abrupte eerstelijns emotie met vlagen op kwam zetten. Ik huilde van binnen. Het uitzwaaien van een van de vier pijlers van ons gezin voedde een emotie van verlies dat ik bovendien koppelde aan onze nationaliteit en de grenzen van ons koninkrijk.

Die ochtend was het moment suprême daar. De Française had haar Renault Mégane Bleu met de laatste spullen volgeladen en met ‘t grinnikje dat vanaf onze jeugd de zijne was boog haar vriend, mijn broer, zich naar me toe en omarmde me. ‘Dag broeder,’ klonk zijn laag-geworden stem vanachter mijn oor waar het voor mijn gevoel nog amper droog was, ‘ik ga dan maar’. Hij stapte in en keek niet meer om. Zijn opgetogen grijns en opgeheven neus voor nieuw avontuur waren samen met het Franse nummerbord het laatste dat ik van hem zag.

Ooit sprak ik met een vriendin bij de koffie over de hechte eenheid van het gezin en hoe diep het gevoel van die veilige en hechte eenheid in de beleving van je jeugd en de herinnering eraan in jezelf verankerd kan liggen. Het was eens je wereld binnen de wereld. Ze biechtte aan mij op dat het besef dat de partners en later ook kinderen van haar zussen tussen het geraamte van het oorspronkelijke vijfledige gezin gemetseld werden, haar in het begin even (dus zeker niet te lang) had tegengestaan. ‘Ons was niet meer gewoon “ons”’, zei ze terwijl ze met beide handen een kleine dichte bol maakte alsof ze er een insect of vlinder in gevangen hield, ‘het werd méér’. Ze maakte de bol ruimer door haar vingers uit elkaar te spreiden en keek me toen met een om bevestiging vragende blik aan. Kijkend naar de vlinderkooi die ze me voorhield kon ik me haar gevoel goed voorstellen, al had op dat moment niemand van de heilige vier-eenheid (alleenstaande moeder/ene zoon/andere zoon/enige dochter) waar ik zelf deel van uitmaakte nog de grondstoffen gevonden voor vers cement. De ironie wil dat ik van dat meisje later even (maar niet te lang) dacht dat ze een goede kandidaat zou zijn te introduceren tot ons gezin. Nog later, in een van onze laatste sms’jes, spraken we van ‘rouw’ over ons verloren contact, wat raar was aangezien we het op die manier nog (mondjesmaat) deelden.

Rouw, échte rouw als eersterangs emotie om het onomkeerbare verlies van iemand uit de meest directe kring – ik ken het gelukkig niet. Toch heb ik er dezer dagen angstvallig (en ik schrijf het voorzichtig) aan mogen ruiken en meebeleven. Het wrange toeval wil dat de Herculessen uit Charkov op de legerbasis landden die vroeger op slechts een crossfietstocht op een vrije woensdagmiddag afstand van onze basisschool lag. Rond het terrein dat wij Welschap noemden en waar mijn broer en ik ooit tussen bunkers en berken soldaatje speelden dromden zich nu honderden mensen rijen dik om de gazen omheining en langs de wegen om de kisten te zien thuiskomen. Aan de buis gekluisterd voelde ik me evenzo verwant met mijn landgenoten die collectief rouwden om de gezinsleden die niet meer samen thuis zijn gekomen van vakantie, om de overgeblevenen die nu moeten meemaken hoe onverbiddelijk oneindig de geest is waarin het machteloze verlies de rest van hun leven nooit meer verloren gaat, om de gezinnen die letterlijk verscheurd zijn. Ik kan het me niet voorstellen en toch, toch voel en rouw ik met ze mee. Die avond bracht de Utrechtse dichter Ingmar Heytze dit collectieve gevoel van nationale rouw en medeleven treffend onder woorden toen hij gelaten tegen de camera van Een Vandaag sprak over ‘het toe-eigenen van de tranen van een ander’, een emotie waarvan ik mezelf en mensen om mij heen betrapte er onbewust ‘schuldig’ aan te zijn door het verdriet collectief ook het onze te maken. Misschien komt het door de theorie van ‘six degrees of separation’ die eens te meer klopte en uitwees dat iedere Nederlander via diverse sociale kringen verbonden is met iemand die in het vliegtuig zat óf doordat eenieder zich op zijn eigen manier kan vereenzelvigen met het gevoel van verlies (in welke vorm of mate ook), feit is dat ik me in die laatste warme julidagen rouwig, verloren, verslagen en volslágen Nederlander heb gevoeld.

Hoewel we onze broer en zoon verloren zijn aan de hoofdstad van de Franse luchtvaart (en wat sommige vrienden goeiig ‘een nieuw vakantieadresje’ noemen) en het gezin van vroeger daarmee wat ontheemd aanvoelt, mag mijn persoonlijk verlies geen onvoorwaardelijk kelderende emotie heten. Al is deze hoeksteen wat onthecht, wij zijn elkaar niet kwijt. De verplaatste realiteit van ons bestaan moet zich alleen nog even settelen, dalen in hernieuwd bewustzijn en zich hechten tussen andere stenen waarop we verder zullen bouwen. In de tussentijd blijft het luchtruim van iedereen – vlinders, vliegtuigen, wrede toevalligheden – en kan ik zó de volgende vlucht naar Toulouse-Blagnac nemen.

Jacob van Hoof (1981) is dichter en schrijver die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop de Dichter’.

One thought on “To lose

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>