Paradoxale aanpak

Jacob van Hoof

 Ik val de treincoupé binnen en daarmee ook een gesprek tussen twee flitse jongemannen met kunstig gekapte haren en, naar ik aanneem, een oud-docent van de twee, die een jaar of zestig is. Het haar van laatstgenoemde, donkergrijs, zit warrig. Dit omdat hij zich zeer waarschijnlijk doorgaans met belangrijkere materie bezighoudt. De twintigers blaten de coupé met ongecontroleerd luide stoppels in de keel (baarden wil ik het nog niet noemen) bij elkaar, breedsprakig klagend over een van hun huidige hoogleraren die naar hun mening ‘zelf helemáál geen les kan geven.’ De oud-docent, zelf ook hoogleraar, pareert op rustige toon dat het geven van college aan jonge snotapen (deze laatste drie woorden verzin ik er ter plekke bij) vaak in het takenpakket zit van wetenschappers die onderzoek doen aan de universiteit en waarin zij inderdaad niet per sé geschoold in hoeven te zijn. Wijze woorden waarin de waarheid als een hele kudde koeien schuilt. Er wordt echter niet de moeite gedaan om de woorden even op hen in te laten werken, want de zin is nog niet uitgesproken of de snotapen walsen er alweer lomp overheen. ‘Ja,’ dendert de ene voort, ‘het komt op ons over als een diëtiste die zelf HÉÉL dik is, weetje!’ De andere valt hem bij: ‘Precies, en dan klopt er in mijn ogen iets niet, weetje.’ Ik erger me dood aan alle inhoudsloze ‘weetjes’ en sla de twee vanuit de stoel achter hen het liefst welgemeend om de oren. De oud-docent blijft echter andermaal rustig en reageert op bedaarde en intelligente toon: ‘Toch, een diëtiste met obesitas zal je anders wél precies kunnen vertellen waar de verleidingen liggen en jou daarmee wellicht nog iets kunnen léren. Vaak is een paradoxale aanpak juist erg efficient, daar het iemand tot nadenken aanzet en potentieel tot zelf-ontdekt inzicht geeft. En dat blijft je het langste bij.’ Het is even stil, maar in mijn hoofd klinkt groots applaus. De manier waarop beste man in één ruk de ondoordachte uitspraken van de jongens weerlegt en de wetenschap die hij ons allen en passant meegeeft, zal ook mij nog lang bijblijven. Sterker nog, het verschaft mij op dat moment een inzicht tot iets waar ik me tot op dat moment nog helemaal niet bewust van was.

Naarmate mijn applaus vervaagt en de stemmen in de coupé naar de achtergrond van mijn bewustzijn verstommen, dwalen mijn gedachten dan ook af naar de lente van het vorige jaar. Ik was in die tijd zelf nog een jonge docent. Nu ben ik dat niet meer. Ik heb een andere baan en blijk steeds minder jong bovendien. Ooit gaf ik les en was ik arrogant genoeg te denken dat ik pubers op verantwoorde wijze een taal (aan)leerde en ondertussen wat sociaal en maatschappelijk bewustzijn bijbracht door ze gewiekst de mond te snoeren en over mijn ervaringen van ‘het leven’ te vertellen. Want dat behoorden docenten namelijk te doen. Althans, dat dacht ik. Ze maken hun leerlingen kundig in een schoolvak (voor zover ze dat al niet waren), verplichten ze tot het aangaan van verplichtingen en tussen de regels door voeden ze hen ook nog eens op. Wat betreft dat laatste zijn het soms net ouders, al hebben ze in deze hoedanigheid enkele grote bijkomstige voordelen: ze kunnen zich al naar gelang het hen beliefd van hun kroost ontdoen door ze de klas uit te sturen (ook als het lesuur nog niet eens voorbij is), ze kunnen hen een pauzelang in het klaslokaal laten zitten en zichzelf hun broodje laten smaken, hebben in hun vrije dagen rond de kerst en in de zomer niets met de etters te schaften, en worden hiervoor bovendien maandelijks in harde knaken uitbetaald. Ja, ik was een docent, een opvoeder, iemand die het beter wist en beter kon, en naar wie zijn toehoorders behoorden te luisteren. U begrijpt: ik wás geen échte docent, maar spéélde er voor een. En een gebrekkige bovendien. Er waren dagen dat dat goed ging en er waren dagen dat ik me een waardeloze voelde. De enige continuïteit lag ‘m erin dat ik simpelweg een trucje opvoerde: ik veinsde mijn autoriteit, goochelde met lesstrategieën en jongleerde met de lesstof uit een voorgekauwde methode aangevuld met wat ik zelf tot diep in de nacht op mijn studentenkamertje had zitten bedenken. Nadat het nachtlampje uitging, al starende in het donker, twijfelde ik over de rechtvaardiging van het beroep van docent zoals ik het uitvoerde en hoe ik er ethisch gezien het beste invulling aan kon geven. En als jong mens oversteeg die twijfel natuurlijk mijn beroep en ging het ook mijn algehele bestaansrecht aan. Alle wetenschappelijke theorieën en didactische strategieën uit mijn educatieve master daargelaten, ik wilde mijn snotapen, met wie ik me overigens als geen ander op school kon identificeren, bovenal inspiréren. Ja, dát was het. Ik wilde ze vakoverstijgende wijsheden laten ontdekken. Daarin kon ik mezelf onderscheiden en laten gelden en mijn rol als deeltijdvader voor 8 keer 30 kinderen leende zich daar ook nog eens prima voor.

Maar hoe inspireer je anderen eigenlijk? En daarbij, hoe inspireer je überhaupt iemand als je je niet eens kunt vereenzelvigen met je taak en beroep? Dat was de vraag. Ik moest denken aan wat mij ooit ter ore kwam toen ik in het bijzijn was van een goede en briljante vriendin, die op de Universiteit Leiden voor een panel van hoogleraren in de wijsbegeerte haar scriptie verdedigde. Er werd geredetwist over het concept ‘metacognitie’ en de vraag of een leerproces zinvol is als je als onderwijzer een leerling de wereld met al haar waarheden en het pad dat hij daarin gaat zélf laat ontdekken, zonder het aan te wijzen of voor te kauwen. Toon je iemand immers niet véél meer wanneer je het hem zélf laat ontdekken en uitvinden? In dat idee schuilt naar mijn mening een waarheid als alle koeien van de hele wereld tezamen. Maar hóe vervul je die rol? Vele docenten, waaronder ikzelf, zijn die taak nog vaak allerminst machtig en houden het het liefst bij schoolvak-gerelateerde cognitie.

In het kader van het willen inspireren ging mijn lesgeven vaak gepaard met het vertellen van persoonlijke verhalen en wilde ik mijn leerlingen deelgenoot maken van mijn passies en al dat wat ik mooi, leuk en belangrijk vond. En wat ze daar van opstaken of meenamen in hun ontdekkingsreis naar het bestaan, dat was dan aan hén. Al dat ik wilde is dat ze het zouden zien en horen, meer niet, net als mij wijsheden ter ore kwamen waar ik voor mezelf iets van zingeving uit dacht te putten. Echter, wat mij pas die bewuste middag in de trein met de oud-docent en de twee snotapen duidelijk werd is dat ik, in mijn zoektocht naar de juiste invulling van het docentschap en mijn leven, voor de klas waarschijnlijk mijn eigen paradoxale aanpak leefde en zo onbewust mijn kroost moet hebben geïnspireerd. Diegenen die het zich in de klas tóen al bewust waren zagen slechts een jong volwassene die zélf nog zoveel moest ontdekken en uitvinden in zijn leven en hebben hier hopelijk iets van geleerd. Zo was ik tóch nog een minder slechte docent dan ik dacht. w

 Jacob van Hoof (1981) is schrijver en dichter die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>