Intrinsieke motivatie

Jacob van Hoof

Deze column is erbij ingeschoten. Want ik heb het druk, stervensdruk. Sinds een paar maanden heb ik een vaste grote-mensen-baan bij een groot en commercieel bedrijf (ik voel de aandacht nu al verslappen, maar blijft u nog even een pagina of wat bij me) en leef daardoor alleen nog vrij en bewust in de weekenden, welke zijn gereserveerd voor mijn vrienden, familie en vertaal- en schrijfopdrachten zoals deze. Doordeweeks slaap en sta ik op, sla de dure koffie (ik kan ‘m nu betalen) achterover, stap op de fiets en trap mezelf wakker naar mijn werk. Daar ga ik op in 40 uur kantoorwerk (léuk en hip kantoorwerk, het moet gezegd), ben ik een radartje van een enorm geheel dat samen met vele collega’s de grote spoel der commerciële dienstverlening mede draaiende houdt, ik de tijd daarvoor nuttig wegtik en ondertussen een (voor mijn doen riant) salaris aan verdien. De clichés blijken waar: we verschansen ons dagelijks achter onze bureaus, positioneren onze neuzen in een hoek van negentig graden achter onze schermen en blijven zo acht uur bijna roerloos (ik glimlachte toen ik ze, onlangs observerend vanuit de pauzeruimte, zo zag) zitten, we grinniken om flauwe kantoorgein en we roeren met een plastic staafje in de al evenzo naar plastic smakende koffie als we op woensdagen bij een taartpunt met marsepeinen bedrijfslogo de week gedwee in tweeën zagen.

Het klinkt weinig opwindend en dat is het tot op zekere hoogte ook. Toch heb ik het er enorm naar mijn zin omdat juist die collega’s om me heen een diverse groep van fijne mensen vormen en het werk me daarnaast niet geestelijk vermoeit. Zo slaat de lieve vaderfiguur een arm om me heen als ik bedrukt voor me uitstaar omdat mijn meisje (dat mijn meisje niet is) op haar antwoord laat wachten, verbaast de een me met biografische kennis over Anna Enquist (wist u dat ze eigenlijk Christa Broer heette?) en de ander omdat zijn grove gevoel voor humor onverwacht maar perféct op de mijne aansluit. Ik voel me in deze baan bovenal als mens evenwaardig aan de rest die hem mede uitvoeren en dat is wel eens anders geweest. Alleen daarom al heb ik er goed aan gedaan mijn vroegere baan op te zeggen om op zoek te gaan naar een (werk)bestemming waar ik energie en geluk uit put in plaats van dat het me dat kóst. Zodra je beseft dat de jas die je zo goed en kwaad als het kan probeert te dragen je nooit helemaal zal gaan passen moet je ‘m vroeg of laat, of toch ten minste eens, aan de kapstok hangen. Als je werk plots je beroep blijkt, maar eigenlijk je karakter en wezen en het tot volle wasdom komen van persoonlijk succes en geluk in de weg ligt, moet je even pas op de plaats durven maken om tot bezinning te komen. Ik ben nou eenmaal een dichter, een denker en een dromer, en iemand die zo nu en dan even bedrukt voor zich uit moet staren. En nee, mijn vorige baan, het paste me niet, al was ik er toch voor ‘opgeleid’.

In het Volkskrant Magazine dat daags na de eerste deadline van deze column verscheen (snelle dromers zijn er niet) las ik toevallig een stuk over de zoektocht van jonge academici naar banen van (hun) niveau. Een letterlijk citaat uit het artikel luidde: ‘De huidige generatie afgestudeerden groeide in de jaren nul op met het the sky is the limit-gevoel, waar de vragen “Wat wil ik?” en “Wat past bij mij?” centraal stonden’. Hoewel ik wist dat dit op mij sloeg, moet ik eerlijk bekennen dat toen ik dit las ik me aanvankelijk maar deels in dit profiel kon herkennen. Toch, hoe langer ik deze uitspraak op me liet inwerken, hoe meer de mantel van herkenning mij ging passen. Ja, ik ben een jonge academicus, maar in wezen ook weer niet. Daarnaast groeide ik niet alleen op in de jaren nul, maar vooral in de jaren negentig. Dat komt omdat ik een beetje langer heb gedaan over mijn studie die de grens der decennia overschreed, mede door het feit dat ik de studietijd beschouwde als een periode van persoonlijke ontwikkeling dat de studie alleen ontsteeg en dus ook als zodanig inrichtte. Als ik op deze periode terugblik merk ik dat ik vooral in deze laatste jaren veel over de wereld en mijzelf daarin heb ontdekt, ik ons beide op z’n tijd nog steeds in een staat van verwondering beleef wat me dan weer doet beseffen dat het proces van vorming nog immer voortduurt. Nee, ik ben de laatste die durft te beweren dat ik ‘volledigwassen’ ben. Maar, hoor ik bij een generatie? Ben ik één van een groep gelijkende personen die zich in met elkaar kan vereenzelvigen? Anderen zullen het vast zo zien, maar ik weet het zo net nog niet. Wél weet ik dat ik mijn studie heb gekozen puur vanuit het oogpunt van wie ik ben (of op dat moment wás natuurlijk) en niet van wie of wat ik worden wou. Misschien heeft het citaat dus wel gelijk en ben ik daarin wel degelijk een kind van die generatie. Maar of dit voor de huidige generatie nog geldt? Kiezen aanstaande universitair studenten heden ten dage dan wél hun studie vanuit het oogpunt of er werk is in de sector waarbinnen ze later hun baan of bestemming gaan zoeken? Het lijkt me een gecompliceerde maar interessante vraag, en in ieder geval een van alle tijden. Want, doen ze dat überhaupt? En zo ja, doen ze dat nu nog steeds? Zijn wij in onze studiekeuze eigenlijk wel dicht bij onszelf gebleven of gingen we daaraan voorbij? Laat men zich nu leiden door een juist een extrinsieke in plaats van een intrinsieke motivatie, door het nu, of door het later? In die afweging ligt mijns inziens het significante verschil tussen de essentie van een beroepsopleiding en een wetenschappelijke studie of in ieder geval hoe iemand dat benaderen kan. Ik zal u aan de hand van de volgende anekdote vertellen waarom.

De vrouw die later mijn toekomstige baas zou worden vroeg me tijdens het sollicitatiegesprek indringend waarom ik überhaupt op deze functie had gereageerd. Ik was toch immers universitair opgeleid en deze baan eiste minimaal MBO-denkniveau. Haar volgende zin ‘…en bovendien blijkt uit je CV dat je docent bent,’ onderbrak ik meteen brutaal en niet zonder risico: ‘Nee, dat bén ik niet. Het is een baan, een logische volgende stap na mijn studie. Maar nee, ik bén het niet.’ Ze onderzocht mijn motivatie en oprechtheid daarin verder: ‘Maar je hebt Éngels gestudeerd, wil je niet liever iets met die opleiding doen?’ Weer voelde ik een soort weerstand en vooral tegen haar gebruik van de term ‘opleiding’. Ik deelde met haar een theorie die beantwoordt aan de vele en gewichtige ethische vragen welke ik hierboven ook al als een spervuur op u afvuurde. ‘Ik begrijp uw vraag,’ begon ik, ‘maar ik zal u eens wat vertellen. Ik heb mijn studie gekozen, niet omdat ik onderwijzer wilde worden, maar omdat ik slechts van de taal, het land en cultuur hield. Ik wilde dieper de taal en cultuur induiken, niet met het eerste doel een diploma te halen, maar te doen wat ik het liefste wilde, wat ik het leukste vond. Nu blijk ik na vele jaren taalwetenschappelijk geschoold en kan ik deze studie of kwaliteit op welke manier dan ook toepassen, zoals ík dat wil en in een omgeving die ik zélf daarvoor uitkies. Mits me het gegund wordt, uiteraard.’ Ik keek haar strak aan. ‘Al is het lesgeven als persoon goed voor me geweest en was het van bijna therapeutische waarde wat betreft mijn persoonlijke ontwikkeling, mijn communicatieve en organisatorische vaardigheden, ik ben er al doende achter gekomen dat ik het niet bén en ook nooit meer zal worden. En voor die wetenschap had ik net zo goed Sanskriet kunnen gaan studeren. Ik geloof, terugkijkend, dat een universitaire studie voorál van waarde is als je het benadert als (zelf)ontplooiing en daarom is het ook iets waar je je hele leven mee door kunt blijven gaan. Je verdiept je immers in een wetenschap en niet in een vakgebied. Mijn mastertitel, mocht u dat nog afschrikken, is daarom ook geen kwalificatie van vaardigheid of ambacht, maar mijns inziens meer een bewijs van ontwikkeling en wetenschap.’

Of u het met bovenstaande eens bent of niet, en of het geldt voor uw eigen studie, voor mijzelf past deze benadering volledig. Feit is ook dat ik mijn gesprekspartner vanaf toen nooit meer met ‘u’ heb hoeven aanspreken. Kort na het gesprek werd ik de kapstok gewezen waaraan ik mijn jas kon ophangen, mocht ik plaatsnemen in de huiskamer en werd ik warm welkom geheten in de familie. En daar zit ik dan met mijn titel: zielstevreden en op mijn plaats.

Jacob van Hoof (1981) is schrijver en dichter die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>