Heimweten

Jacob van Hoof

Geheel tegen mijn principes in koop ik op het station voor de absolute hoofdprijs een flesje cola. Het is de caloriearme variant van het merk dat de consument in haar reclamecampagne op het hart drukt deze vooral te delen met een specifiek persoon. Ik kies de naam er dan ook speciaal voor uit: het is die van mijn broer. Het is vast geen toeval dat juist dit flesje met zijn naam prominent vooraan in het schap pronkt zodat ik het wel móet pakken. Ik heb hem al een tijdje niet meer gezien. Terwijl ik, op mezelf aangewezen, gulzig slokken van mijn gekoelde cola neem schaam ik me bij de gedachte dat deze vorm van massacommercie ervoor moet zorgen dat ik weer eens aan hem denk. Mijn broer (in wezen mijn halfbroertje) is zó’n enige in zijn soort dat de pre- en suffix van dat woord tussen haakjes eigenlijk niks aan de feitelijke definitie van de familiare band met hem toevoegen. Hij is mijn enige volwaardige broer, punt. We delen welgeteld drie dingen: onze moeder, een roerige jeugd en reislust. Ons hele gezin snuift van dat soort avontuur dat ons wezen onrustig maakt als we er lang niet aan toegeven. Omdat de huidige vriendin van mijn broer uit de Elzas komt en de relatie een serieuze is, pendelt hij al jaren op en neer tussen Nederland en Frankrijk en weet de rest van het gezin dat hij zich daar straks aan de voet van de Vogezen zal vestigen om zélf een gezin te stichten. Die gedachte zet ons en onze keuzes in een historische en geografische context. Onze moeder zei me laatst dat bij haar langzaam het vreemde besef begon te dagen dat (een deel van) haar kleinkinderen straks helemaal geen Nederlands als moedertaal zal spreken en zij een grootmoeder zullen hebben die in Les Pays-Bas woont die ‘streaupwafèls’ in het bovenste keukenkastje heeft verstopt. Nóg vreemder is het (inmiddels door mij gedeelde) besef dat er over een tijd een tak van onze familie zal bestaan dat in een ander systeem opgroeit en zich naar andere nationale en culturele waarden en normen zal vormen. Voor mijn moeder moet inderdaad een raar idee zijn dat deze ene keuze van haar middelste zoon, die ze samen met haar andere twee kinderen als alleenstaande moeder van hot naar her (maar binnen de grenzen van ons koninkrijk) heeft gezeuld, bepaalt dat hij straks in de geschiedenis opgenomen wordt als de stamvader van een familie die in een andere Europese grond kiemt en ontspruit en aldaar haar heim zal weten. Want wat wisten we nog van onze voorvader die vanuit Duitsland naar Suriname toogde en daar als eerste blanke een zwarte slavin trouwde? Niet veel, maar wél dat hij bestond en dat die keuze in zijn leven ons bestaanslot bepaalde (net als de grootvader die de boot terugnam overigens), en dat dat de reden is dat ik nu hier zit en dit schrijf, en in deze taal bovendien.

Het is niet dat ik zo aan mijn land en nationale identiteit hecht (ik ben tenslotte een reiziger – ik zei het net hierboven), maar als ik mijn gedachten laat gaan over de betreden levenspaden van mijn familie uit het verleden, en nu dus die van mijn broer, laat de gedachte aan die van mij me niet onberoerd. Natuurlijk is mijn geboortegrond geografisch voor mij bepaald, maar ik besef me daarbij ook dat ik als vanzelfsprekend binnen dit land mijn ‘heim’ aan het zoeken ben. Sinds ik uit huis ben, blijkt enkel het gemak van de geografische vertrouwdheid vermengd met het verstrijken van de tijd te hebben bepaald voor hoe lang en hoe diep ik ergens aardde en wie en wat daarbij mijn pad kruiste. Het gebeurde allemaal terwijl ik mijmerde over de vraag waar ik, los van mijn familie, thuishoorde. Slechts weloverwogen keuzes voor studie en werk bepaalden tot voor kort de exacte locaties waar ik dat deed. Na een doelbewust uitstapje terug naar mijn geboortestad aan de andere kant van het land ben ik er inmiddels achter dat ik niet daar, maar hier mijn heim weet – binnen de innige vertrouwdheid (welk het verstrijken van de studietijd het tot die mate heeft laten worden) van mijn kring van vrienden, deze stad en haar omgeving, en dat het land waarin die plek toevallig ligt een willekeurige is en niet voor of door mij gekozen is of hoeft te zijn. Mijn reislust wordt nog slechts gevoed door een verlangen naar spannende, mooie, nog onontdekte oorden (diezelfde vrienden weten welke plek ik in het bijzonder bedoel) als naar een muze, zoals ik zou doen naar een vrouw, met opgetogenheid en opwinding. Misschien geef ik er ooit een jaartje aan toe – zoals David Bowie en Cees Nooteboom ooit deden (nu weten jullie het ook) –, om vervolgens te ontdekken hoe snel het weer vervlogen zal zijn, naar wellicht een volgend oord, of weer terug naar (t)huis. Maar wordt die muze en passant ooit dan tóch mijn vrouw, dan blijk ik op die plek te zijn gebleven, en de liefde tijd en grond te hebben gegeven.

Mijn moeders reislust bracht haar zo onlangs naar Parijs, met als doel een maand lang als inwoner van die stad te leven en zo te ontdekken. Haar enige reisgenoot, de eenzaamheid, maakte haar na een week al horendol: ze moest en zou haar belevenissen delen met vrienden en familie. Er kwamen enkelen van hen langs op bezoek, anderen werden la bas op de hoogte gehouden. Heimwee had ze niet, toch wierp ze fervent lijntjes uit naar thuis, met daaraan de plaatjes die ze aan de kade schoot. Zo, hengelend naar haar heim, deelde ze met ons een flesje cola terwijl ze er zelf met volle teugen van genoot. Ik weet niet wat de kennismaking met het nieuwe land van haar zoon (ze heeft het niet als zodanig benoemd) haar heeft gebracht, maar ik weet dat ze de foto’s en herinneringen nu thuis weer in haar eigen taal ondertitelt. Want naast ons heim zijn we daarop nou eenmaal aangewezen. w

Jacob van Hoof (1981) is schrijver en dichter die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>