Wie bepaalt de grenzen van de technologische maakbaarheid van de mens?

Karlijn Ligtenberg

Alle natuurwetenschappen geven ons antwoord op de vraag wat we dienen te doen als we het leven technisch willen beheersen. Maar óf we het technisch moeten en willen beheersen, en of dat uiteindelijk wel zin heeft, dat laten ze volledig in het midden of ze gaan er met het oog op de praktijk van uit. [i]

Do it yourself DNA
De start-up Cambrian Genomics (CG) van Austen Heinz werkt met 3D-laserprinters om snel en goedkoop DNA te produceren.[ii] Onder het mom van democratizing creation bestormt Heinz DNA de markt: iedereen kan bij CG specifieke DNA-sequenties bestellen om daar ‘nieuwe levende organismen mee te maken die niet eerder hebben bestaan’.[iii] Op de vraag van biomedicus Paul Knoepflers of Heinz bang is dat er ‘slechte dingen’ geprint gaan worden, antwoordt Heinz:

Simple: the CDC [Center for Disease Control and Prevention, KL] has a list of bad things like Small Pox that we don’t print. If we don’t know what it is we don’t print it. Also we only ship to validated university and commercial laboratories.

Daaraan voegt Heinz het volgende toe: ‘Don’t print bad stuff from this list” are pretty easy instructions to follow.’ In een ander interview benadrukt Heinz het belang voor de betrokkenen om zich aan die regels te houden: ‘It’s pretty obvious why we wouldn’t want to do something bad, (…) We wouldn’t want the industry to be regulated.’ [iv]

Heinz wenst zo min mogelijk overheidsregulering. Hij lijkt ervan overtuigd dat iedereen die met DNA experimenteert, zich in het belang van de industrie aan reguleringsmaatregelen houdt. Maar dat er wetten en verboden bestaan, impliceert niet automatisch dat die geboden opgevolgd worden. Onderzoek doen naar gentherapie als kuur voor erfelijke ziekten zal een boost krijgen maar het ligt ook in de lijn der verwachting, en daar zinspeelt Heinz ook op, dat onbekende, op dit moment niet bestaande, organismen hun weg naar de aarde vinden.[v]

Het mag nauwelijks een verrassing heten dat dergelijke radicale plannen stuiten op verzet. De boost die CG aan gen manipulatie geeft, kan rekenen op kritiek die de biotechnologie niet vreemd voorkomt. Het zou de natuur (van de mens) onomkeerbaar aantasten en wat moet het worden van de mensheid als iedereen straks via zijn smartphone een designer baby kan samenstellen en bestellen?[vi] En wat te denken van het ontwikkelen van geheel nieuwe organismen?

Beknotten
Vragen als deze leiden naar de fundamentele vraag of het wenselijk is om (bio)technologieën, die ingrijpen op de menselijke natuur, te beknotten. Als zo’n beheersing inderdaad gewenst is, aan wie is het dan daar over te oordelen? Betreft dat de mens zelf, of laat de natuur zich simpelweg niet sturen?

De Waalse techniekfilosoof Gilbert Hottois geeft een eerste antwoord: hij ziet de technowetenschappen als semiautonoom – zij laten zich niet dirigeren door het menselijk subject. De denker Francis Fukuyama stelt daarentegen dat het in de aard van de mens ligt te kiezen wie hij wil zijn, waardoor begrenzing van de biotechnologie een vanzelfsprekende optie is. Ten slotte beargumenteert René von Schomberg een economisch georiënteerde beoordeling van innovatie waarbij het principe van gedeelde verantwoordelijkheid de hoofdrol speelt. Op het principe van collectieve verantwoordelijkheid in dezen leveren Vincent Blok en Pieter Lemmens kritiek.

Filosofie kan en mag niet de les lezen
Gilbert Hottois bekritiseert in zijn werk Symbool en techniek[vii] de houding van de filosofie ten opzichte van wat hij de technowetenschappen noemt. De filosofie neemt in zijn ogen een theoretische houding aan waarbij de mens als levend wezen dat met logos begiftigd is, centraal wordt gesteld.

Vanuit die optiek is zij erop gericht de technowetenschappen te beheersen op een manier die Hottois symbolisch-logotheoretisch noemt. Dat betekent dat de mens een talige representatie wil geven van de logische structuur van de werkelijkheid en daarmee door middel van symbolen de realiteit probeert te beschrijven.[viii] Hierdoor ontstaat een ongelijke verhouding tussen de mens, die zichzelf voorstelt als sturende instantie, en de technowetenschappen, die het moeten doen met de wijzende vinger van de filosoof.

De filosofie kan de technowetenschappen overigens ook niet sturen, omdat die laatste een operatief karakter hebben. Zij handelen door de realiteit van buitenaf, op een zuiver materieel niveau (genen, neuronen, moleculen, etc.), te veranderen.[ix] Daardoor maken zij op niet-symbolische wijze inbreuk op de traditionele grenzen van de menselijke natuur, het symbolische domein, terwijl de filosofie krampachtig de grenzen van de symbolische orde probeert te bewaken.

Die symbolische beheersing waarvan de filosofie zichzelf bedient, bestaat erin de technische praktijk van het onderzoeken en technisch innoveren in te perken, bijvoorbeeld door wetten in te voeren die genetische manipulatie van organismen onmogelijk maakt. Dat duidt namelijk op een symbolische reactie die gegrond is op een pleidooi voor het eeuwig voortdurende behoud van een bepaalde condition humaine.[x]  Dat pleidooi leidt uiteindelijk slechts tot ideologieën.[xi]      De filosofie moet volgens Hottois dan ook inzetten op een symbolische begeleiding – in plaats van beheersing – van de techno-wetenschappen: ‘niet vooruitlopen op, noch voorafgaan of de basis leggen, noch iets van wat doet denken aan de sublieme rol van de logos in de economie van de menselijke levensvorm zoals de filosofen traditioneel voor ons hebben beschreven.’[xii]

Beteugel de biotechnologie
Francis Fukuyama verhaalt in De nieuwe mens  uitgebreid over de kansen en risico’s van biotechnologische ontwikkelingen die de mens aangaan.[xiii] Hij stelt dat de mens van nature zeggenschap over zichzelf kan houden; er zijn volgens hem ‘geen onveranderlijke menselijke kenmerken, behalve het algemene vermogen om te kiezen wat we willen zijn’.[xiv] Daarbij zouden mensen zichzelf niet moeten zien als ‘slaven van een onvermijdelijke technologische ontwikkeling’.[xv]

Fukuyama spreekt vertrouwen uit in democratische organen, omdat deze volgens hem de wil van het volk weergeven. Hij erkent overigens dat lobbyisten roet in het eten kunnen gooien maar hij verdedigt dat er ‘geen betere instellingen voorhanden [zijn] om de wil van de bevolking tot uitdrukking te brengen’.[xvi] Om die reden moet de democratie  beslissingen nemen over al dan niet wettige gebruiksmogelijkheden van technologie en moet zij de doelen vaststellen, waarvoor de wetenschap werkzaam mag zijn.

Specifiek waar het human enhancement betreft, waaronder bijvoorbeeld gentherapie te scharen is, is volgens Fukuyama de oprichting van nieuwe (wetgevende) instellingen een goed idee. Zulke instituties moeten een breder mandaat krijgen dan bestaande organisaties en een ruimer spectrum aan leden hebben dan enkel artsen en wetenschappers: hij spreekt van deelname van ‘maatschappelijke spreekbuizen’ (een vorm van collectieve verantwoordelijkheid in de besluitvorming die Von Schomberg ook voorstaat, zo zal blijken uit het vervolg).[xvii]

Dit idee van overheidssturing is gestoeld op de overtuiging (of illusie?) dat de mens, bijvoorbeeld verenigd in de overheid, de doelen vast kan stellen die de technologie moet dienen. De technologie wordt gepercipieerd als neutraal en willoos instrument dat precies gevormd kan worden naar de doelen van de mensheid.

De markt bepaalt?
Een andere uitwerking van gedeelde verantwoordelijkheid wordt aangedragen door René von Schomberg. Als aanhanger van het Europese framework Responsible Research and Innovation (RRI) presenteert hij een criteria voor gedeelde verantwoordelijkheid van wetenschappers en maatschappelijke actoren.[xviii] Von Schomberg stelt ten eerste dat technologische ontwikkelingen niet ‘geschreven’ worden door één auteur, maar door meerdere. Voor hem is dat een reden om niet bang te zijn voor een bewuste, kwaadwillende ontwikkeling van moderne Frankensteins. Wat het probleem zal zijn is dat zelfs wetenschappers en ontwikkelaars met goede intenties een technologie kunnen ontwikkelen die uiteindelijk moreel onwenselijk blijkt te zijn. Een product wordt in isolatie ontwikkeld, maar pas wanneer een innovatie zijn vleugels spreidt en zich nestelt in een sociale context, blijken onvoorziene eigenschappen. Dat maakt de impact van een innovatie moeilijk te voorspellen.[xix]      Hoewel Von Schomberg benadrukt dat technologische innovatie zich niet laat voorspellen, presenteert hij toch een definitie voor verantwoordelijk onderzoek en innovatie:

RRI is a transparent, interactive process by which societal actors and innovators become mutually responsive to each other with a view to the (ethical) acceptability, sustainability and societal desirability of the innovation process and its marketable products (in order to allow a proper embedding of scientific and technological advances in our society).[xx]

Zoals Hub Zwart en collega’s opmerken wordt tegenwoordig van wetenschap verwacht dat zij het functioneren van de maatschappij een boost geeft door innovaties die de levensstandaard van mensen verbetert. RRI formuleert nadrukkelijk socio-economische doelen door samenwerking met industriële belanghebbenden en private bedrijven.[xxi]

Glazen bol
De eerste problemen met gedeelde verantwoordelijkheid ontstaan bij het definiëren van het probleem dat de innovatie moet oplossen. Het is volgens Blok en Lemmens niet vanzelfsprekend dat de belanghebbenden een akkoord bereiken over wat de echte inhoud is van een geformuleerd vraagstuk.

Daarnaast ligt het in de lijn der verwachting dat betrokken belanghebbenden hele uiteenlopende waarden en motieven hebben. Een non-profit organisatie streeft andere doelen na dan een organisatie die winst wil maken. De eerste zal geneigd zijn zich te richten op creatie van sociale waarde terwijl een bedrijf zal kijken naar de kansen op verkoop van een product. Daarnaast zijn de verschillende machtsposities van partijen problematisch en een voorname voedingsbodem voor conflict tussen belanghebbenden.[xxii]

Het is erg waarschijnlijk dat ook de gebruikers van geprint DNA hele andere uitgangspunten hebben: de een zal er een gentherapie mee verder willen ontwikkelen, terwijl iemand met kwaad in de zin zijn pijlen kan richten op het ontwikkelen van biowapens (zeker wanneer de techniek van DNA-printen openbaar beschikbaar wordt).

Het is volgens Von Schomberg van belang om tijdens het innovatieproces transparant en mutual responsive te zijn. Het succes hangt af van de bereidheid tot samenwerking tussen de verschillende actoren.[xxiii] Echter, het najagen van wederzijdse ontvankelijkheid is niet altijd voordelig omdat een kennisvoorsprong voor een belanghebbende soms heel aantrekkelijk kan zijn (bijvoorbeeld omdat hij een patent voorziet en daarmee de toekomstmuziek van economisch gewin). Dat maakt de hang naar een symmetrische informatievoorziening tot onrealistische uitgangspunt.[xxiv]

Technologische ontwikkelingen hebben zoals eerder besproken de neiging om zich heel onverwachts te ontwikkelen. Het is dan echter vaak te laat om een innovatie nog bij te sturen. De Nederlandse techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek noemt in zijn boek Op de vleugels van Icarus het voorbeeld van de telefoon, die oorspronkelijk ontwikkeld werd als gehoorapparaat voor slechthorenden, maar zich ontwikkelde tot veelgebruikt communicatiemiddel.[xxv] Technologische processen zijn radicaal onzeker en onze kennis daarover is fundamenteel aan grenzen gebonden: wij mensen lijden aan epistemic insufficiency, zoals Blok en Lemmens het treffend omschrijven in hun paper.[xxvi]

Conclusie
Dit essay begon met de vraag naar de wenselijkheid en de mogelijkheid en het reguleren van (bio)technologie die op de menselijke natuur ingrijpt. Fukuyama benadrukt de keuzevrijheid die de mens typeert. Iemand die een minder voluntaristisch beeld van de mens(heid) heeft, kan in geen geval meegaan met de theorie die Fukuyama optekent.

Hottois zit bijvoorbeeld aan de compleet andere kant van het spectrum door te stellen dat de technologische ontwikkeling quasi-autonoom is en de mens geen begrenzingen kan en moet opleggen aan de technowetenschappen door ideologisch met de vinger te wijzen. Dit verschil van wereldbeeld is niet gemakkelijk te overkomen, maar toch zou de discussie om te beginnen over dit fundament moeten gaan in plaats van over één biotechnologie, zoals gentherapie of klonen.

Een theorie over de wenselijkheid van (bio)technologische innovaties moet de tegenstelling tussen de verschillende spectra (de mens als autonome heerser over aarde en techniek versus de aarde en technologische ontwikkelingen als quasi-autonome actoren) dan ook kleiner maken.

Doordat de impact van technologische ontwikkelingen fundamenteel onvoorspelbaar is, lijkt het moeilijk iemand of een instantie absolute verantwoordelijkheid toe te dichten voor de gevolgen van een ontwikkeling. Hoe kun je aan de ene kant die onvoorspelbaarheid van technologie erkennen en aan de andere kant toch verantwoordelijken voor de onvoorziene gevolgen aanwijzen? De epistemic insufficiency moet meer erkend worden – daaraan voorbij gaan zou getuigen van naïef optimisme.

Von Schomberg maakt in mijn ogen de misser, zoals ook Zwart en collega’s betogen, bijna kritiekloos het marktdenken te kiezen als fundament voor de wenselijkheid van technologische innovatie. Door dat concept niet te bevragen, vertoont zijn kader voor innovatie dogmatische trekken. Een fundering van het debat over grenzen aan (bio)technologie en innovatie kan zich niet laten leiden door grillen van economische aard, maar moet zich richten op een essentie die de mensverbetering bevraagt vanuit een werk-wijze die neutraliteit als vertrekpunt kent.

Karlijn Ligtenberg (1992) is student filosofie aan de Radboud Universiteit.


[i] M. Weber, Wetenschap als beroep & Politiek als beroep (Nijmegen 2012) 26.

[ii] S. Lee, Controversial DNA startup wants to let customers create creatures (San Fransisco 2015), online beschikbaar via: http://www.sfgate.com/business/
article/Controversial-DNA-startup-wants-to-let-customers-5992426.php
(geraadpleegd op 20 januari 2015).

[iii] ‘Custom GMO Creatures & Babies? Interview With Austen Heinz of Cambrian Genomics’, online beschikbaar via: http://www.ipscell.com/2015/01/
cambrian/
(geraadpleegd op 20 januari 2015).

[iv] S. Lee, Controversial DNA startup wants to let customers create creatures (San Fransisco 2015) online beschikbaar via: http://www.sfgate.com/business/
article/Controversial-DNA-startup-wants-to-let-customers-5992426.php
(geraadpleegd op 20 januari 2015).

[v] Zo print CG op dit moment DNA-sequenties voor de ontwikkeling van glowing plants, vgl.: https://www.kickstarter.com/projects/antonyevans/glowing-plants-natural-lighting-with-no-electricit (geraadpleegd op 20 januari 2015)

[vi] ‘Custom GMO Creatures & Babies? Interview With Austen Heinz of Cambrian Genomics’. (geraadpleegd op 20 januari).

[vii] G. Hottois, Symbool en techniek (Kampen 1995).

[viii] P. Lemmens, Gedreven door techniek (Oisterwijk 2008).

[ix] Lemmens, Gedreven door techniek, 284, 313.

[x] Hottois, Symbool en techniek, 11.

[xi] Idem, 42.

[xii] De filosofie kan niet de grondvesten voor de technowetenschappen schrijven, noch de bewegingsruimte van technowetenschappen vastleggen. Dat de filosofie geneigd is dat te doen, komt doordat zij antropocentrisch te werk gaat en niets anders gewend is dan een talige representatie (van normatieve aard) te geven waarin het behoud van de veronderstelde menselijke natuur centraal staat.

[xiii] F. Fukuyama, De nieuwe mens (Antwerpen 2002).

[xiv] Fukuyama, De nieuwe mens, 20.

[xv] Idem, 224, 264.

[xvi] Idem, 30.

[xvii] Idem, 257.

[xviii] R. von Schomberg, ‘A Vision of Responsible Research and Innovation’, in: R. Owen, J. Bessant en M. Heintz (ed.), Responsible Innovation Managing the Responsible Emergence of Science and Innovation in Society (Londen 2013), 51-74.

[xix] Later in dit essay laat ik zien dat Vincent Blok en Pieter Lemmens betogen dat dit kenmerk een essentieel probleem vormt bij het praktiseren van collectieve verantwoordelijkheid.

[xx] Von Schomberg ziet marketable products als innovaties die het goed doen op de economische markt of een bijdrage leveren aan de oplossing voor sociale, economische en milieu gerelateerde grand challenges die de EU onder andere in Horizon 2020 geformuleerd heeft.

[xxi] H. Zwart, L. Landeweerd, en A. van Rooij, ‘Adapt or perish? Assessing the recent shift in the European research funding arena from ‘ELSA’ to ‘RRI’’, Life Sciences, Society and Policy, 10:11 (2014) aldaar 12-13.

[xxii] V. Blok en P. Lemmens, ‘The Emerging Concept of Responsible Innovation. Three Reasons why it is Questionable and Calls for a Radical Transformation of the Concept of Innovation’ in: Van den Hoven et al. (ed.) Responsible Innovation 2 (Dordrecht 2014), 4.

[xxiii] Von Schomberg, ‘A Vision of Responsible Research and Innovation’, 29.

[xxiv] Blok en Lemmens, ‘The Emerging Concept of Responsible Innovation’, 7.

[xxv] P. Verbeek, Op de vleugels van Icarus (Rotterdam 2014) 31.

[xxvi] Blok en Lemmens, ‘The Emerging Concept of Responsible Innovation’, 8.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>