Wat doet Europa met haar nieuwe bevoegdheden?

Vincent Hurkens

Europa staat er slecht voor. Vijf jaar na het uitbreken van de financiële crisis is er nog steeds geen definitief economisch herstel in zicht. Alle politieke energie is de afgelopen jaren in economisch crisismanagement gestoken. Met weinig succes, want ook al is de ondergang van de euro voorlopig afgewend, de werkloosheid en armoede zijn onaanvaardbaar hoog en stijgende. Bovendien komt Europa door het permanente crisismanagement nauwelijks toe aan het formuleren van effectieve oplossingen voor de grote uitdagingen van de toekomst: grondstoffenschaarste, vergrijzing, concurrentie met opkomende economieën en klimaatverandering. Het continent verliest aan welvaart, stabiliteit en invloed in wereld. Het is dan ook begrijpelijk en terecht dat het ongenoegen van mensen over de situatie in Europa steeds luider wordt.

Dit ongenoegen over de abstractie ‘Europa’ richt zich in het Nederlandse publieke debat meestal op het proces van Europese integratie. Opiniemakers en politici overschreeuwen elkaar om te bewijzen dat zij de Nederlandse soevereiniteit het beste verdedigen tegen toenemende bemoeienis van de Europese Unie (EU). Het burgerinitiatief van ‘Burgerforum EU’ dat dankzij steun van meer dan 50.000 handtekeningen op de agenda van de Tweede Kamer kwam, is daar een voorbeeld van. De petitie beklaagt zich over de ‘sluipende overdracht van bevoegdheden aan de EU’ en vond steun bij veel Nederlandse eurokritische politici.[1]

De lidstaten hebben op een aantal terreinen inderdaad belangrijke nieuwe bevoegdheden naar het Europese niveau verplaatst om de grote financiële en economische problemen in een aantal eurolanden het hoofd te kunnen bieden en een nieuwe crisis te voorkomen. Gezien de slechte economische situatie in Europa kan deze aanpak niet als succesvol worden beschouwd. Maar is dat falen veroorzaakt door het feit dat de problemen naar het Europees niveau werden getild? Of ligt het aan de inhoud van de politieke besluiten die werden genomen? Het is de hoogste tijd dat we de Europese besluitvormers gaan beoordelen op hun inhoudelijke politieke keuzes, in plaats van ons blind te staren op de scheidslijn tussen nationale en Europese zeggenschap.

Nieuwe bevoegdheden, nieuwe politieke keuzes
Laat ik de belangrijkste gevallen van de afgelopen jaren langslopen waarin zeggenschap van het nationale naar het Europese niveau werd overgedragen. Welke politieke keuzes werden gemaakt? Ten eerste werd het Europees toezicht op de begrotingen van EU-lidstaten verstevigd door een herziening van het stabiliteits- en groeipact. De Europese Commissie kreeg meer grip op de naleving van begrotingsdiscipline en het afbouwen van staatsschulden. Voor deze inperking van nationale beleidsvrijheid bestaat een goede reden. Een euroland dat zijn eigen schulden niet meer kan financieren, vormt een gevaar voor de stabiliteit van het sterk verweven financiële systeem van alle eurolanden.[2]

Toch zorgt het aangescherpte stabiliteitspact voor veel onvrede in Nederland. Niet zozeer onvrede over het stellen van perk en paal aan het gesjoemel en onhoudbare uitgavenpatroon van Griekenland, maar over het feit dat Nederland zelf midden in een recessie steeds harder moet bezuinigen om aan het pact te voldoen. Het hervormde stabiliteitspact concentreert zich te sterk op het inperken van overheidsuitgaven op de korte termijn en biedt te weinig ruimte voor publieke investeringen, die belangrijk zijn om de economie op langere termijn te versterken. Hoewel het pact voorziet in flexibiliteit om minder te bezuinigen in uitzonderlijke gevallen, wordt die flexibiliteit pas te laat en te weinig gebruikt door Eurocommissaris Rehn.

Deze tekortkomingen van het stabiliteitspact zijn niet het resultaat van toegenomen zeggenschap van de EU over begrotingsbeleid, maar van de aard van de gemaakte afspraken. De belangrijkste politieke spelers die het begrotingstoezicht ontwierpen en uitvoerden – het Duits-Franse tandem ‘Merkozy’, Eurocommissaris Olli Rehn, Commissie-president Barroso en de meerderheid van het Europees Parlement – deelden de politiek-ideologische overtuiging dat strikte begrotingsdiscipline goed is voor de economie. De conservatieve en liberale dominantie van de Europese instituties heeft een politieke invulling gegeven aan de begrotingsafspraken die heel anders had kunnen zijn als progressieve en linkse politici de hoofdrol hadden gespeeld.[3]

Naast het begrotingstoezicht kreeg de EU ook meer zeggenschap over het bredere economische beleid van lidstaten door de aanpak van zogenaamde ‘macro-economische onevenwichtigheden’. Onder andere de huizenmarkt, belastingpolitiek, arbeidsmarkt en de financiële sector zijn daardoor onderwerp geworden van Europese besluitvorming. Ook die machtsoverdracht is onontkoombaar om europroblemen in de toekomst te voorkomen. Anders dan in het geval van Griekenland, waren de problemen in Ierland, Spanje, Cyprus niet zozeer het resultaat van te hoge publieke uitgaven, maar van een instabiele financiële sector, huizenbubbels of een verslechterde concurrentiepositie.

Maar ook de aanpak van deze problemen is een zaak van inhoudelijke politieke keuzes. Zo sturen de Europese Commissie en de Raad van Ministers er op aan om het minimumloon in Frankrijk en Slovenië te verlagen om die landen concurrender te maken ten opzichte van met name Duitsland. Duitsland werd door diezelfde Commissie en Raad echter niet aangesproken op zijn beleid van excessieve loonmatiging en het ontbreken van een minimumloon.[4] Deze eenzijdige en sociaal onwenselijke race to the bottom is een politieke keuze waarvoor een alternatief bestaat. Bijvoorbeeld door meer nadruk te leggen op andere factoren die de concurrentiepositie van landen bepalen, zoals de efficiëntie van het gebruik van kostbare grondstoffen of het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Ook hier is de politieke invulling van de versterkte bevoegdheden van de EU cruciaal.

Een derde voorbeeld van machtsoverdracht die euroscepsis heeft aangewakkerd is de optuiging van de Europese noodfondsen om leningen te verstrekken aan de noodlijdende eurolanden. Drie jaar na de eerste lening aan Griekenland kunnen we vaststellen dat de trage en twijfelende aanpak in het verlenen van steun de onzekerheid over de kredietwaardigheid van andere eurolanden niet heeft kunnen wegnemen. Bij de problemen in Ierland, Portugal, Spanje en Cyprus moest er eveneens financiële steun aan te pas komen. De politieke keuze voor een groter noodfonds, de invoering van euro-obligaties of een grotere rol van de Europese Centrale Bank hadden het vertrouwen van de markten in de euro vergroot en verdere besmetting van de Griekse problemen mogelijkerwijs kunnen voorkomen. De keiharde bezuinigingen die noodlijdende landen kregen opgelegd in ruil voor leningen hebben weinig oog voor sociale rechtvaardigheid. Bovendien zijn ze gebaseerd op onrealistische economische prognoses, die keer op keer moeten worden bijgesteld.[5] Politici met een andere overtuiging hadden de herstelplannen voor de noodlijdende eurolanden fundamenteel anders kunnen vormgeven.

Tenslotte heeft recentelijk een vierde overdracht van bevoegdheden plaatsgevonden met het besluit tot het vormen van een Europese bankenunie. Giftige leningen in het bezit van Spaanse of Cypriotische banken bleken net zo goed een risico te zijn voor Nederland of Duitsland, als voor Spanje en Cyprus zelf. Alleen Europees toezicht kan voorkomen dat de overige eurolanden bij moeten springen op het moment dat slap nationaal toezicht faalt. Ook bij deze overdracht van bevoegdheden heeft de angst voor ‘soevereiniteitsverlies’ alle aandacht opgeëist in het Nederlandse publieke debat.[6] Daardoor was er nauwelijks aandacht voor belangrijke keuzes die moesten worden gemaakt in het ontwerp van de bankenunie. Bijvoorbeeld de kwestie hoe het bankentoezicht door de onafhankelijke Europese Centrale Bank onder goede democratische controle komt te staan. En hoe voorkomen wordt dat het bankentoezicht geen definitieve wig drijft in de Europese Unie tussen lidstaten die wel en niet lid worden van de bankenunie.

Kritiek op instituties of op politici?
Dat er meer besluitvorming op Europees niveau plaatsvindt, is onontkoombaar door de verwevenheid van de EU-lidstaten en de eurolanden in het bijzonder. De obsessie met het verdedigen van nationale zeggenschap in het Nederlandse Europa-debat maskeert een veel belangrijkere vraag: wat wordt er precies in Europa besloten en door wie? Een teleurgestelde kiezer die de Nederlandse regering na vier jaar falend beleid zat is, zal niet beginnen over de verdeling van bevoegdheden tussen de nationale overheid en lagere overheden. Hij zal de politieke partijen, die volgens hem de verkeerde keuzes hebben gemaakt, afstraffen. Op dezelfde manier zou het goed zijn als critici van de Europese politiek hun pijlen richten op diegenen die aan het stuur zitten van de Europese instituties in plaats van de schuld te schuiven naar de instituties zelf.

Voordat mensen de Europese politiek op gelijke manier kunnen afrekenen op falend beleid zoals in de nationale politiek, zijn democratische hervormingen van de Europese Unie nodig. Het is ondoenlijk voor mensen om grip te krijgen op de Europese politiek als 27 ministers van regeringsleiders achter gesloten deuren, met 27 verschillende wensen nationale parlementen in het achterhoofd, de belangrijkste besluiten nemen. Belangrijke besluiten zoals een redding pakket voor Griekenland, de mate van flexibiliteit in de naleving van begrotingsnormen of de richting van economische hervormingen in probleemlanden, moeten onder controle komen te staan van direct gekozen volksvertegenwoordigers in het Europees Parlement. Eurocommissarissen moeten individueel weggestuurd kunnen worden op het moment dat een meerderheid van Europarlementariërs het vertrouwen in hun opzegt. Op die manier worden zij duidelijk gebonden aan de politieke wil van een democratische meerderheid. Ook de media zullen meer inzicht moeten verschaffen in de politieke keuzes die besluitvormers in de EU nemen, zodat mensen zien wie en wat er precies schuilgaat achter een ‘Brussels besluit’.

De verkiezingen voor het Europees Parlement in mei 2014 zijn de eerstvolgende gelegenheid om voor de Nederlandse kiezer om een oordeel over de crisispolitiek te vellen. Maar dan moet de verkiezingscampagne over iets anders gaan dan over meer of minder Europa zoals dat in 2009 het geval was. Het moet gaan over een inhoudelijke visie op de belangrijkste politieke keuzes die in Europa aan besluitvormers voorliggen. Het moet gaan over de vraag welke politieke koers de Europese Unie moet varen. Niet over bevoegdheden, maar over wat we met die bevoegdheden gaan doen.

Vincent Hurkens (1984) studeerde politicologie in Nijmegen en Berlijn en is werkzaam in het Europees Parlement.


[1] Deze petitie is beschikbaar via: https://www.burgerforum-eu.nl/ (geraadpleegd op 29 mei 2013).

[2] S. Verhelst, The Reform of European Economic Governance: Towards a Sustainable Monetary Union? (Gent 2011).

[3] In de cruciale fase van de Europese crisisaanpak behoorden 23 van de 27 Eurocommissarissen, 22 van de 27 regeringsleiders en 409 van de 754 Europarlementariërs tot de Europese Volkspartij (EVP), Europese conservatieven (ECR) of de Alliantie van Liberalen en Democraten (ALDE).

[4] Landen-specifieke aanbevelingen Europese Commissie 2012, beschikbaar via: http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/country-specific-recommendations/index_en.htm (geraadpleegd op 29 mei 2013).

[5] J. A. Frankel & J. Schreger, Over-optimistic Official Forecasts and Fiscal Rules in the Eurozone (Boston 2013).

[6] Verslag Tweede Kamer debat Europese Raad 5 juli 2012, beschikbaar via: http://www.trouw.nl/tr/nl/4500/Politiek/article/detail/3282150/2012/07/05/Debat-EU-top-Rutte-belooft-Kamer-inspraak-bij-bankensteun.dhtml (geraadpleegd op 29 mei 2013).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>