Vroeger was alles beter: ontzuiling, individualisme en een verloren solidariteit

Wouter Reitsema

‘Metamorfose van een crisis’ was de titel van de op 19 september 2011 door  de vpro uitgezonden aflevering van het programma Tegenlicht.[1] In deze aflevering werd de vraag behandeld hoe de aard van de economische en politieke crisis, die zich vanaf 2008 aan het voltrekken is, zich nu eigenlijk het beste laat omschrijven. De bij elkaar gekomen groep van intellectuelen stelde zich de vraag hoe deze crisis moet worden opgelost en vooral welke rol de staat daarin kan of moet spelen. Eén van de kwesties waar staten volgens de geïnterviewden op dit moment mee worden geconfronteerd, werd door de Amerikaanse socioloog Craig Calhoun aangestipt: ‘The really big question is about the state. And whether the state is a source of solidarity that helps citizens or is mainly organized as support for the global capitalist system.’

Nu zette Calhoun met deze vraag twee grote onderwerpen nogal bruusk tegenover elkaar, terwijl, als we Marx ‘even’ parkeren, het kapitalisme en solidariteit elkaar misschien niet uit hoeven te sluiten. Echter, als we bijvoorbeeld aan de Occupy demonstranten denken die zelfs de vrieskou willen trotseren, is de zorg om het gebrek aan maatschappelijke solidariteit een breed gedragen gevoel. Dit verlies aan solidariteit wordt in de Nederlandse historiografie vaak aan het idee van ontzuiling en, in een breder perspectief, aan individualisering gekoppeld. Beide fenomenen zouden zich met name vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw hebben voorgedaan.

Zijn deze aannames wel terecht? Is (of was) er inderdaad sprake van individualisering en, zo ja, sinds wanneer? Wat zijn de implicaties daarvan? En hoe verhoudt het Nederlandse verzuilingsdebat zich tot het idee van individualisering? In welke mate is er eigenlijk sprake van solidariteit en wat houdt dat begrip nu werkelijk in? Dit is slechts een aantal vragen dat opkomt, denkend aan de bovenstaande onderwerpen. In een poging op al deze onduidelijkheden een antwoord te vinden, zoeken we uit of er ongeveer halverwege de vorige eeuw in Nederland een culturele regime change plaatsvond die ervoor zorgde dat begrippen als individu, solidariteit en saamhorigheid op losse schroeven kwamen te staan.

Individualisering in Nederland: een omstreden concept
Met betrekking tot het debat over Nederland en de verzuiling volgen we het betoog van de Nederlandse historicus Peter van Dam. In zijn onlangs verschenen boek zet Van Dam helder uiteen dat het idee van verzuiling (en dus ook ontzuiling) zowel in de geschiedenis, alsook in de historiografie eerder een ‘mythe’ dan werkelijkheid betreft en daarom als analytisch begrip meer problemen schept dan dat het ze oplost.

Toch is hij van mening dat ‘verzuiling (…) een sleutel [blijft] tot de Nederlandse geschiedenis van de twintigste eeuw’, omdat het begrip duiding geeft aan een zeker beeld dat Nederland van zichzelf had en nog steeds in meer of mindere mate van zichzelf heeft.[2] Het begrip is hoe dan ook van invloed geweest op bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen en het was tijdenlang de leidraad voor politieke besluitvorming.

Desalniettemin is het volgens Van Dam vanuit historiografisch oogpunt vruchtbaarder te spreken van ‘zware gemeenschappen’ dan van de protestantse, katholieke, socialistische of liberale zuilen. Zo’n zware gemeenschap baseerde zich exclusief op ‘één helder omlijnde levensbeschouwelijke traditie’ en zag vooral zichzelf als een ‘afzonderlijke gemeenschap binnen de natie.’[3]

Het begrip zware gemeenschap dekt volgens hem beter de lading om een aantal redenen. Voor onze vragen is vooral van belang dat de verzuilingsbeeldspraak mank gaat, omdat ‘het idee dat er bij de overgang van verzuilde naar ontzuilde maatschappij radicaal met het verleden is gebroken’ volgens van Dam niet klopt.[4]

De historische consensus met betrekking tot de verzuiling omvat namelijk de opvatting dat deze zware gemeenschappen in de jaren vanaf 1960 onder druk kwamen te staan.[5] Het religieus, cultureel en politiek regime van de verzuiling, zoals dat toen werd beleefd, stortte in de eerste drie decennia na de Tweede Wereldoorlog ineen. Confessionele organisaties, die in het idee van verzuiling tot 1960 een hoofdrol in de structurering van de Nederlandse samenleving speelden, verloochenden volgens de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy niet zozeer hun christelijke basis, maar ‘hun godsdienstige identiteit [werd] zo vaag […] dat zij niet langer aan een bepaalde subcultuur dienstbaar waren.’[6] Bovendien kon het individu nu ook zelf, dankzij de voortschrijdende individualisering en secularisering, zich bevrijden van de ‘knellende greep van de zuilen.’[7] Dit transitieproces van zware gemeenschappen naar lichte gemeenschappen, wordt in de historiografie – hoe kan het ook anders – aangeduid met de term ontzuiling.

Belangrijk is de verdere specificatie van het begrip ontzuiling. Volgens Van Dam voltrok dit transitieproces zich op de drie hierboven beschreven dimensies van individu, religie en politieke maatschappij. Voor ons is vooral het eerstgenoemde aspect van de vermeende verzuiling van belang voor de antwoorden op onze vragen. De eerste dimensie gaat namelijk over het ‘grote verhaal’ van de individualisering. Dit proces zou zich in het naoorlogse Nederland ten koste van het in de zuilen verankerde collectief hebben voltrokken en wordt daarom verantwoordelijk gehouden voor het schrijnende verlies aan sociale cohesie en maatschappelijke solidariteit.

Het idee van de woekerende individualisering is echter niet onomstreden. Er bestaat gerede twijfel over de invulling van het begrip, alsook over de vraag of het proces in al zijn verscheidenheid eigenlijk wel reëel te noemen is. Eén betekenis van individualisering die in dit verband helder is, is de voorstelling van individualisering als een voortdurend proces waar een samenleving zich in kan bevinden. Dit proces wordt gekenmerkt door de afbraak van een dominant normen en waarden systeem. Na verloop van tijd bestaan er alleen nog minderheden die al dan niet een handjevol bepaalde normen en waarden delen. De publieke opinie ondergaat als het ware een ‘pluriformering’ van opvattingen. Deze minderheden bestaan bovendien uit losse individuen die zich voor het vaststellen van hun normen en waarden niet meer door een grotere sociale groep, bijvoorbeeld de kerk, laten leiden in hun normvorming. De persoonlijke normvorming ondergaat daarmee een proces van privatisering: de geïndividualiseerde mens bepaalt immers zelf wel wat goed voor hem of haar is.[8]

Het is via deze weg dan ook voorstelbaar dat een dergelijke individualisering een bepaalde verkilling, een ‘ver-asocialisering’, van de samenleving tot gevolg kan hebben. Immers, normvorming vindt plaats op individuele grond en deze hoeft geen rekening meer te houden met (de gevolgen voor) het collectief. De letterlijke én figuurlijke afstand tussen personen is te groot geworden. In deze zin past het concept individualisering als essentieel onderdeel goed in het beeld dat bestaat van de ontzuiling.

Zo’n definitie is natuurlijk leuk, maar snijdt hij ook daadwerkelijk hout? Hoe reëel is het proces van individualisering nu echt en klopt de historische consensus dan nog wel dat alles anders werd na de jaren 1960? De Nederlandse econometrist Paul de Beer zocht het uit aan de hand van een enquête die vanaf 1970 over een periode van vijfentwintig jaar was afgenomen. Zich richtend op de toename van pluriforme meningen en de vermeende privatisering van de normvorming concludeert hij dat de afwijking over al die jaren verwaarloosbaar is. Daarmee blijft de verklaringskracht van meer algemene traditionele achtergrondvariabelen die bepalend zouden zijn voor normvorming, zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau of geloof, volgens De Beer gehandhaafd.[9]

Vooralsnog is er dus geen doorslaggevend bewijs voor een doorgeschoten geprivatiseerde en gepluriformeerde samenleving. Vanuit de verzuilingsthese kan hier echter tegen in worden gebracht dat de periode die De Beer heeft onderzocht nu juist precies ná het hoogtepunt van de ontzuiling valt. Dit zou verklaren waarom er sinds 1970 geen significante verschillen meer waarneembaar zijn tussen individuele normen, omdat juist het omslagpunt in de twee decennia daarvoor zou liggen.

Aan de andere kant heeft de tijd in de afgelopen veertig jaar natuurlijk ook niet stil gestaan. Er is veel veranderd op sociaal, politiek en maatschappelijk gebied. Het is daarom goed mogelijk dat bijvoorbeeld op papier het individualisme wel is toegenomen, maar dat desondanks de uitwerking daarvan zich niet laat vertalen in significant anders denkende en handelende mensen. We kunnen meer en vrijer kiezen, maar we kiezen desondanks voor hetzelfde. De sociologen Jan Willen Duyvendak en Menno Hurenkamp zijn het er in ieder geval over eens dat ‘groepen (…) nog altijd sturend [zijn] voor het (keuze)gedrag van mensen en mensen willen nog altijd graag bij groepen horen. Het zijn alleen niet meer de groepen van vroeger.’[10]

Een empathische revolutie?
Met het voorafgaande in ons hoofd kan individualisering niet verantwoordelijk worden gehouden voor het vermeende toegenomen egoïsme van de laatste vier decennia. Om toch een vinger achter dit breed gedragen gevoel te kunnen krijgen, is het nuttig om naar het begrip solidariteit zelf te kijken. Dat is tenslotte hetgeen waar de laatste jaren zo’n gebrek aan schijnt te zijn. Zo kwam het normen en waarden debat in 2002 terug op de politieke agenda dankzij voormalig minister-president Jan Peter Balkenende (cda) en is ‘de boel bij elkaar houden’ sinds 2001 het adagium van Job Cohen, de huidige partijleider van de pvda. Ook pvv-leider Geert Wilders deed onlangs een duit in het zakje toen hij in 2011 op buitengewoon eloquente wijze de zittende premier Mark Rutte (vvd) tot ‘normaal’ gedrag maande.

Met het gevaar een al te drieste vergelijking te maken, lijkt het idee van moreel verval toch ook iets van alle tijden. De Nederlandse historicus Ernst Kossman bespreekt bijvoorbeeld het bekende voorbeeld van de achttiende-eeuwers die steen en been klaagden over de deplorabele toestand van de toen heersende mores. Vurig hoopten zij een morele terugkeer te kunnen maken naar de hoogtijdagen van de zeventiende eeuw.[11] Vroeger was alles beter en of met vroeger nu de Gouden Eeuw of de Verzuiling wordt bedoeld, dat maakt dan eigenlijk niet meer uit. Was het niet ook Balkenende die terug wilde naar die zo benijdenswaardige voc-mentaliteit?

Desalniettemin zijn de hierboven uitgesproken wensen ten overstaan van bepaalde normen en waarden relevant. Dat iets van alle tijden is, wil nog niet automatisch betekenen dat het om zinloos geweeklaag gaat. Oorlogvoeren is ook niet pas in de twintigste eeuw uitgevonden.

Voor het gemak wordt hier nu aangenomen dat in meer of mindere mate het fenomeen solidariteit tussen mensen altijd heeft bestaan. Het kunnen voelen van empathie zit tenslotte ingebakken in het brein van de menselijke soort. Tegenwoordig verwijst het begrip solidariteit volgens het professionele onlinewoordenboek van Van Dale naar een ‘bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen.’[12] Deze definitie behelst precies het sentiment waaraan steeds gerefereerd wordt, vooral vanwege het normatieve element van de veronderstelde bereidheid om daadwerkelijk de daad bij het woord te voegen.

En toch, ook al is het menselijk empathische vermogen zo oud als de weg naar Rome, pas in 1553 komt een zijdelings verwant begrip voor het eerst voor in een geschreven Nederlandse bron. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van de uva verwijst naar de Vroegnieuwnederlandse term ‘sociael’, dat in de 16e eeuw ‘op gezelschap gesteld’ betekende. Ook wordt verwezen naar het Franse ‘social’ uit de tweede helft van diezelfde eeuw, waar weliswaar óók de betekenis van ‘maatschappelijk’ aan werd gekoppeld, maar waarmee toch voornamelijk ‘als bondgenoot verbonden’ werd bedoeld. Het woordenboek meldt verder: ‘In het Frans ontwikkelde de betekenis “maatschappelijk” zich in de 18e eeuw verder, o.a. in de uitdrukking contrat social, in het Nederlands wel vertaald als “Maatschappylyk Verdrag”, een begrip dat door Rousseau verspreid werd en dat een hoofdrol speelde in de ontwikkeling van ideeën voor en tijdens de Franse Revolutie.’[13]

Het woordenboek De Geïntegreerde Taalbank van het inl meldt dat het begrip solidariteit inderdaad is afgeleid van het Franse solidarité.[14] Nu zijn vaak de werken van de Britse denkers Thomas Hobbes (1651) en John Locke (1689) over het ‘sociaal contract’ haast vanzelfsprekende eerste ijkpunten in de ontwikkeling van het begrip solidariteit als relatie van het individu tot het collectief, maar het Etymologisch Woordenboek plaatst terecht het epicentrum van de ontwikkeling van het begrip in het Frankrijk van de 18e eeuw.

De Amerikaanse historica Lynn Hunt heeft hier onderzoek naar gedaan. Zij betoogt dat er met name in Frankrijk in de 18e eeuw veel is veranderd op het gebied van individualiteit:

Individuals became more self-contained as they increasingly felt the need to keep their bodily excretions to themselves […]. These changes in attitudes toward the body were the surface indications of an underlying transformation. They all signaled the advent of the self-enclosed individual, whose boundaries had to be respected in social interaction. Self-possession and autonomy required increasing self-discipline.[15]

Hunt werkt deze gedachte uit door een hele reeks voorbeelden te geven waarin de self-enclosed individual het uitgangspunt was. Het leven van het individu speelde zich voortaan af in de privésfeer, waar volgens Hunt onder andere het lezen van een nieuwe boekvorm, de roman, het idee van het individu drastisch veranderde. Men begon te leren zich in te leven in de persoonlijke beleving van anderen. Uiteindelijk zou deze ‘empathische revolutie’ leiden tot de geboorte en de ontwikkeling van het idee van mensenrechten. Begrippen als gelijkheid, lichamelijke integriteit en autonomie werden fundamentele onderdelen van een nieuw soort begrip van (mede)menselijkheid.

Het individualisme dat Hunt beschrijft staat echter ver weg van de definitie die wij hebben gehanteerd. Zij beschrijft als het ware de ontdekking van de eigen identiteit, het eigen lichaam en de eigen emoties als onderscheidend van de beleving en emoties van anderen. Deze fysieke scheiding betekent echter niet automatisch ook het geestelijk loskomen van diens gemeenschap in termen van normen en waarden. Sterker nog, de opkomst van de gevoelde empathie zou juist het gevoel van saamhorigheid en met name de bereidheid daar de consequenties van te aanvaarden, hebben moeten vergroten. Dit lijkt vooralsnog een tegenstrijdigheid te zijn, ook al is individualisering een reëel fenomeen te noemen.

In een masterclass georganiseerd door het Huizinga Instituut, ging Lynn Hunt in op deze tegenstrijdigheid.[16] Volgens haar is er helemaal geen sprake van een tegenstrijdigheid, maar eerder van een vervolg van de opkomst van empathie in de 18e eeuw. Een besef van medemenselijkheid en saamhorigheid werd ons in de 18e eeuw simpelweg afgedwongen door de formulering van universele mensenrechten in met name de Declaration of Independence (1776) en de Déclaration des Droits de l’ Homme et du Citoyen (1789). Met deze verklaringen werden pragmatische gefundeerde omgangsvormen tot onverzaakbare principes. Het empathische besef dat in de 18e eeuw als zodanig kon opkomen door de ontdekking van the self-enclosed individual, resulteerde er uiteindelijk in dat deze onvervreemdbare en universele mensenrechten tot inherent aan het mens-zijn werden gemaakt.

Dat er vanaf dat moment nog een lange weg te gaan was tot de Universal Declaration of Human Rights (1948), moge duidelijk zijn. Ook in onze tijd zijn de mensenrechten nog steeds niet gewaarborgd. Toch is er sprake van een zeer langzame, maar niettemin gestage opmars van die mensenrechten. Vanaf de 18e eeuw werd het besef van deze empathische, solidaire gerechtelijke fundamenten immers meer en meer geïnternaliseerd. Doordat deze fundamenten eigen werden gemaakt, werden zij steeds sterker verbonden met de heersende mores. Het vermeende gebrek aan solidariteit in de ‘ontzuilde’ samenleving gaat daarom ook uit van de aanname dat we überhaupt iets voelen voor of bij de ander en, sterker nog, dat we daar ook naar zouden moeten handelen. Solidariteit, zoals we hebben gezien, spreekt ons namelijk aan op de bereidheid de consequenties van een soort saamhorigheidsgevoel te dragen.

Dat iemand solidair is met de mensen uit zijn of haar eigen directe omgeving spreekt haast voor zich. Maar hoe werkt dat bij mensen die ons onbekend zijn, zowel in persoon als in ideeën? Waarom voelt de pvv geen empathie voor asielzoekers of moslims? Hoe kan het dat d66-ers zich niet solidair voelen met de boosheid van de mensen uit Venlo of Volendam? Waarom doneert Nederland massaal aan de samenwerkende hulporganisaties als er zich een natuurramp heeft voorgedaan, maar gaat het op zijn achterste benen staan als Griekenland aan de rand van een faillissement staat?

Hunt zegt over dit soort vragen dat empathie eigenlijk niet een natuurlijke intuïtieve emotie is wanneer deze de grenzen van de eigen gemeenschap moet overstijgen. Even onnatuurlijk vindt zij de notie van gelijkheid, omdat juist het idee van verschil, van ongelijkheid, van ‘de ander’ ons gedrag zo sterk bepaalt. Het is daarom misschien gemakkelijker je intuïtief emotioneel te distantiëren dan je gedwongen rationeel te identificeren. Een tekort aan solidariteit lijkt op deze manier simpelweg inherent te zijn aan een samenleving die groter is geworden dan alleen onze eigen sociale kringen.

Om terug te komen op de vraag van Calhoun: de staat fungeert dus niet als de bron van solidariteit. Dat waren wij met z’n allen, met ons nieuw ontdekte zelf en de bijbehorende gevoelens van empathie voor de ander. We zijn het alleen vergeten. De huidige economische en politieke crisis gaat daarom in essentie om het tekort aan mechanismen die ons doen realiseren dat er meer is tussen hemel en iPod. Zoals de 18e-eeuwers ineens een boek met allerlei onbekende emoties voor hun neus kregen, zo moeten ook wij weer handvatten krijgen om te beseffen dat wij het samen moeten doen. En dat je dan soms over je eigen historische schaduw moet stappen, is vaak niet leuk, maar wel noodzakelijk.

 Wouter Reitsema (1987) volgt de onderzoeksmaster Geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam.



[1] ‘Metamorfose van een Crisis’, Tegenlicht VPRO  (19 september 2011), beschikbaar via: http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1111516 (geraadpleegd op 3 maart 2012).

[2] P. van Dam, Staat van Verzuiling. Over een Nederlandse mythe (Amsterdam 2011) 18-19.

[3] Ibidem, 37.

[4] Van Dam, Staat van Verzuiling, 101.

[5] F. Wielenga, Nederland in de Twintigste Eeuw (Amsterdam 2009) 235-248.

[6] J. C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw (Amsterdam 1995) 98.

[7] Van Dam, Staat van Verzuiling, 77.

[8] P. de Beer, ‘Individualisering zit tussen de oren’, in: J. W. Duyvendak en M. Hurenkamp (red.), Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (Amsterdam 2004) 19-23.

[9] Ibidem, 27-36. Zoals gezegd, noemt De Beer onder andere ‘geslacht’ als een valide achtergrondvariabel als verklaring voor individuele normvorming. Er vanuit gaande dat De Beer hiermee niet doelt op geslachtelijk bepaalde uitingen van autonomie, had hij beter het woord ‘gender’ kunnen gebruiken of op zijn minst even kort in kunnen gaan op hoe sociale constructies, zoals sekse, hierin een rol zouden kunnen spelen.

[10] J. W. Duyvendak en M. Hurenkamp, ‘Inleiding. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid’, in: Idem (red.), Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (Amsterdam 2004) 16.

[11] E. H. Kossman, ‘The Dutch Republic in the Eighteenth Century’, M. C. Jacob, W. W. Mijnhardt (red.), The Dutch Republic in the Eighteenth Century. Decline, Enlightenment and Revolution (New York 1994), 28.

[12] Van Dale, Onlinewoordenboeken Professioneel > [lemma] solidariteit., beschikbaar via http://surfdiensten.vandale.nl/ (geraadpleegd op 25 oktober 2011). Deze website is alleen toegankelijk met een licentie.

[13] Universiteit van Amsterdam, Etymologisch Woordenboek van het Nederlands > [lemma] sociaal, beschikbaar via http://www.etymologie.nl/ (geraadpleegd op 13 februari 2012).

[14] Instituut voor Nederlandse Lexicologie, De Geïntegreerde Taalbank > [lemma] solidariteit., beschikbaar via http://gtb.inl.nl/?owner=WNT/ (geraadpleegd op 13 februari 2012).

[15] L. Hunt, Inventing Human Rights. A history (London 2007) 82-83.

[16] Naar aanleiding van de vierde Burgerhartlezing van 25 oktober 2011, georganiseerd door de Werkgroep 18e Eeuw en getiteld ‘The Enlightenment and the Origins of Religious Toleration’, was prof. dr. Lynn Hunt (ucla) door het Huizinga Instituut op 26 oktober 2011 uitgenodigd in het Bungehuis (uva) een masterclass te geven aan (research)master studenten en PhD studenten van verschillende Nederlandse universiteiten. Alle tekst na deze noot is dan ook gebaseerd op die bijeenkomst en niet direct afleidbaar uit Hunt haar werk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>