Voorbij liberalisme en socialisme: de rol van de overheid anno 2012

Hans van den Heuvel

Het is verkiezingstijd, veel eerder dan verwacht en bovendien in een wat ongelukkige tijd van het jaar. Burgers hebben de koffers van de vakantie nog niet opgeborgen of de verkiezingsretoriek vliegt het zongebruinde hoofd al om de oren. Daarbij zullen met name de vakantiegangers uit de Mediterrane landen het gevoel hebben terug te zijn gekeerd uit een regelrechte schurkenstaat, althans als ze de retoriek van enkele politieke partijen mogen geloven. Dit soort retoriek is in verkiezingstijd van groot belang en vrijwel iedere partij zal zich ervan bedienen om de aandacht te vestigen op het thema waar ze zich op willen profileren. Wilders wil dat de verkiezingen een referendum over Europa worden, de VVD wil primair over de economie praten en het CDA hamert op het ‘wij-gevoel’ in de maatschappij. Nauw aan deze specifieke thema’s verbonden is de abstracte vraag wat de rol van de overheid is anno 2012. Een vraag die in de snelle en flitsende verkiezingstrijd ongetwijfeld te weinig aandacht gaat krijgen, ook omdat ze niet in één oneliner is te vatten. Dat maakt de vraag echter niet minder belangrijk, integendeel! Definiëren waar de overheid over gaat is een essentiële taak van de politiek. In de eerste vlagen van het politiek-electorale steekspel lijkt zich een tweestrijd te ontwikkelen tussen de SP en de VVD, voor Nederlandse begrippen de meest extreme strijd tussen exponenten van het socialisme en liberalisme. Ik zal in mijn bijdrage de effectiviteit van beide politieke ideologieën en hun visie op staat, economie en samenleving bekritiseren, en een – in mijn politieke overtuiging – beter denkkader formuleren.

Mens/-maatschappijbeeld
Een essentiële vraag die voorafgaat aan de zoektocht naar de rol van de overheid is het definiëren van het mensbeeld. Helaas is de zoektocht naar dit beeld in de hedendaagse westerse democratie naar de randen van het politieke debat gedrukt. Alles wat riekt naar een fundamenteel debat over morele en levensbeschouwelijke overwegingen wordt gemarginaliseerd.[1] De overheid is vrijwel exclusief bestuurlijk van aard, een instantie tot het realiseren van een zo groot mogelijk voordeel voor iedereen. De ‘BV Nederland’ waar premier Rutte (VVD) zo vaak over spreekt is een mooi voorbeeld van dit pure bedrijfsmatige principe. Kennelijk is de Nederlandse overheid er enkel voor bedoeld om welvaart en voorspoed voor iedereen zo goed en effectief mogelijk te realiseren. Een diepere beschouwing over ons mens-zijn, over de volheid van het menselijke bestaan en de betekenis daarvan in het maatschappelijk functioneren, blijft daarbij angstvallig verborgen. De ‘BV-gerichte’ benadering van Nederland is overigens eigen aan zowel socialisme als liberalisme. Beide politieke ideologieën zijn ontstaan op basis van economisch georiënteerde denkers (Adam Smith, Karl Marx) en als reactie op bestaande economische structuren (of de bedreiging daarvan). Het discussiepunt tussen socialisme en liberalisme gaat dus vooral over het verschil van inzicht hoe de ‘BV-Nederland’ moet worden ingericht. Maar dat er sprake is van een BV, dat de nadruk ligt op de economie, is bij beide ideologieën evident.

Het beginpunt van het christen-democratisch gedachtegoed is niet economisch van aard. De inhoudelijke en organisatorische bodem van de christen-democratie is gelegen in het protestante en katholieke middenveld dat tegen het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw ontstond. De ruimte om religie te belijden en er organisatorische inrichting aan te geven waren de primaire drijfveren van de confessionele partijen. Dit principe wordt politiek-inhoudelijk onderbouwd via onder andere de ‘soevereiniteitsleer’. Volgens deze door Abraham Kuyper gepropagandeerde leer heeft iedere maatschappelijk kring een eigen identiteit en functie, een onvervreemdbare taak en norm. Zo is het gezin gericht op het liefhebben en opvoeden terwijl het bedrijfsleven is gericht op het verwerven van inkomen en het voorzien in levensonderhoud. Deze leer over de soevereiniteit en unieke eigenschappen van kringen is later verder doorontwikkeld door Herman Dooyeweerd.[2] Volgens zowel Kuyper als Dooyeweerd is ook de staat een ‘soevereine kring’ met als primaire taak het verzorgen van  juridische verbindingen tussen andere kringen en het handhavend optreden bij botsingen. De naam ‘Vrije’ in de benaming Vrije Universiteit Amsterdam (VU) heeft Kuyper dan ook toegevoegd om te benadrukken dat de kring van de school losstaat van andere kringen zoals de kerk en de staat (die immers zelf een unieke kring vormen). Een goed geordende samenleving is volgens Kuyper een samenleving waarbij de diverse kringen met elkaar in verhouding en verbinding staan zonder elkaar te overheersen. In 1931 werd in de encycliek[3] Quadragesimo Anno een katholieke variant op deze soevereiniteitsleer gepresenteerd, aangeduid met de term katholiek subsidiariteitsbeginsel.[4] Verschil met de soevereiniteitsleer van Kuyper is dat in de katholieke variant een meer hiërarchische ordening wordt gemaakt tussen de diverse ‘kringen’. Vanwege haar taak en natuur heeft de overheid volgens katholieken meer gezag dan diverse andere kringen. Deze overtuiging is onder andere gebaseerd op Romeinen 13, waarin de Apostel Paulus stelt dat de overheid het ‘zwaard van de macht en orde’ van God heeft gekregen. Ondanks dit verschil in ordening stelt ook de katholieke leer dat de overheid slechts en alleen actie dient te ondernemen daar waar individuen en private organisaties niet in staat zijn de problemen zelfstandig op te lossen.

De hierboven beschreven protestantse en katholieke mens/-maatschappijvisie mondt uit in een gemeenschappelijke visie op de verantwoordelijkheid van de staat en andere maatschappelijke verbanden en hun onderlinge relaties. De overheid zou daarbij de onvervreemdbare eigen rechten, vrijheden en verantwoordelijkheden van private maatschappelijke kringen moeten respecteren en beschermen.

De overheid buiten haar oevers
Wanneer we aan de hand van bovenstaande uiteenzetting het huidige takenpakket van de overheid analyseren, dan moet geconcludeerd worden dat de ‘soevereiniteitskringen’ tegenwoordig niet meer in balans zijn en dat het subsidiariteitsbeginsel niet altijd wordt nageleefd. De staat heeft steeds meer een primaire positie ingenomen ten koste van andere maatschappelijke verbanden. Zo intervenieert de overheid steeds sterker in de ‘soevereine’ kringen van gezin, school, bedrijf en kerk. Dit doet ze onder andere via wettelijke bepalingen, subsidies en stimulerende dan wel ontmoedigende belastingheffingen. Bij veel mensen is daardoor het zicht op de overheid en haar taakgrenzen vervaagd dan wel verdwenen. Een overheid die over deze grenzen heen probeert te regeren, is echter gedoemd te mislukken. Zo stelt de Spaanse filosoof Ortega Y Gasset dat problemen en onvolkomenheden in de maatschappij primair moeten worden aangepakt door praktische, persoonlijke en lokale kennis en inzet. Overdadige inmenging vanuit de staat verergert de problemen alleen maar, ook omdat mensen met een steeds meer expanderende staat welbewust verantwoordelijkheden gaan overlaten aan de overheid.[5]

Anders gesteld: burgers rekenen erop dat de overheid bepaalde problemen en taken wel oplost (tegenwoordig is het zelfs zo dat deze oplossing van de politiek geëist wordt!). Op die manier verwordt de overheid tot een grote ‘oplosmachine’ waarvan de samenleving zonder blikken of blozen uitkomsten verwacht. Dat zorgt voor een aangeleerde afhankelijkheid van burgers richting de overheid. Het teruggeleiden van taken en verantwoordelijkheden richting andere maatschappelijke kringen is dan ook een belangrijk politiek-maatschappelijk uitdaging, ondanks dat diverse kringen inmiddels zo afhankelijk van de overheid zijn geworden dat ze er zelf niet altijd meer behoefte aan hebben.

De economische crises en de overheid
Het zou volstrekt verkeerd zijn om bovenstaande uiteenzetting te gebruiken om ongebreideld kapitalisme te propaganderen. Het kapitalisme is meer dan een economisch systeem: het is een totale levenshouding die diep doordringt in de haarvaten van alle kringen van de samenleving. Een doorgeschoten gerichtheid op economie, efficiency en winst is daarvan het gevolg. Totale consumptie, haast zonder enige wezenlijke intrinsieke remming, lijkt daarmee het nieuwe doel ten leven. Aandacht voor economisch moeilijk meetbare zaken zoals naastenliefde, religie en het milieu is daarin beperkt. Om deze kapitalistische tendensen in te dammen is er, met name sinds het uitbreken van de omvangrijke economische crises, de roep om meer overheidsregulering. De vraag is echter of dit antwoord realistisch is. Iedere nieuwe regulering stopt weliswaar het lekken op een bepaalde plek in de ‘economische pijp’, maar omdat de omgang met de pijp belabberd is zal er spoedig op een andere plek een nieuw lek ontstaan. Nu ontstaat de tragiek van zowel socialisme als liberalisme. Het liberalisme is de primaire organisator van het ontspoorde marktdenken en draagt in zichzelf niet de oplossing voor de bestaande problematiek. Het socialisme heeft echter ook niet het antwoord door haar neiging alle maatschappelijke kringen te overheersen. Bovendien zijn de laatste jaren markt en overheid ernstig met elkaar verstrengeld geraakt. Een grotere overheid verergert daarmee het probleem eerder dan dat het een oplossing biedt. Overstappen van een ‘te grote economie’ naar een ‘te grote overheid’ is welhaast als van de regen in de drup belanden.

In lijn met de fundamenten van de christen-democratie ligt de primaire oplossing niet alleen bij de overheid, een politiek soms onbevredigende doch realistische visie. Want niet de overheid of het kapitalisme kunnen ‘moreel bankroet’ zijn, dat kunnen alleen mensen. Oplossingen zijn daarmee niet gelegen in de vraag hoezeer de overheid zich van de economie moet afhouden (liberalisme) of er in moet interveniëren (socialisme), maar in de wijze waarop de maatschappelijke kringen met elkaar omgaan (christen-democratie). Het doorgeschoten individualisme en materialisme moet worden vervangen door een vorm van ‘relationeel denken’. Niet de economie of overheid moet worden verzwakt maar gezinnen, families en andere maatschappelijke kringen moeten worden versterkt.  De capaciteit en activiteit van bemoedigde mensen die in een regionale of lokale gemeenschap hun verantwoordelijkheid herkennen is de graadmeter voor een gezonde toekomst voor Nederland en Europa. Instituten die hun doel en functie verliezen verdwijnen langzaam. Wanneer overheid, bank en markt vele essentiële functies van families overnemen of beslissend beïnvloeden (zoals financiering van bezit, zorg voor hen die ziek/zwak zijn, de opvoeding van kinderen, et cetera), dan wordt het gezin niet meer dan een recreatiecentrum waar geen sprake meer is van ware solidariteit en zorg voor elkaar. Dat zorgt voor een ongezonde marktgerichtheid, doorgeschoten individualisering en een bijna kindse afhankelijkheid van een te grote overheid die te veel beslist.

Minder markt, minder overheid, meer gezin
Het motto ‘Minder markt, minder overheid, meer gezin’ zou mijn inziens de insteek van een gezonde politiek moeten zijn. Niet in de marktprincipes noch in de overheid worden oplossingen gevonden voor de diepgaande sociale, economische en morele problemen waarin we verkeren. Daarmee is de politieke strijd tussen SP en VVD een politieke strijd tussen twee ideologieën die volgens het in dit artikel geschetst denkkader niet de oplossing kunnen geven. Het zou wel erg opportunistisch zijn te beweren dat het CDA dat wel op alle punten doet: ook bij het CDA zitten standpunten en visies die in aanzet in tegenspraak zijn met de eigen denkkaders. Ik ben er echter van overtuigd dat de ideologische fundering van het CDA de beste politieke mogelijkheden biedt op vele vragen en problemen in onze maatschappij. Een antwoord dat echter diepgaand, genuanceerd en daarmee niet altijd gemakkelijk is. Wellicht dat daarin een deel van de verklaring schuilt waarom het CDA er momenteel electoraal niet goed voorstaat. Maar ook dat is, met de grote volatiliteit op de electorale markt, slechts een dagkoers.

Hans Van den Heuvel (1989) volgde de lerarenopleiding Geschiedenis in Sittard en vervolgens de master Politiek & Parlement aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Momenteel is hij landelijk bestuurslid Politiek van het CDJA (CDA-Jongeren).



[1] Wetenschappelijk Instituut CDA, Mens waar ben je? (Den Haag 2006) 20.

[2] H. Dooyeweerd, A new critique of theoretical thought I-IV (Amsterdam 1953-1958).

[3] Pauselijk schrijven over een specifieke kwestie.

[4] Zie voor een verdere uiteenzetting van de katholieke sociale leer onder andere: O. von Nell-Breuning, Gerechtigkeit und Freiheit: Grundzüge katholischer Soziallehre (Wenen 1980) 14-15.

[5] O. Y. Gasset, La Rebelión de las Masas (Madrid 1930).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>