Waarom wij verantwoordelijk zijn voor wereldwijde armoede

Judith van der Zwan

De afgelopen jaren is het bewustzijn over de rol van Nederlanders in globale context toegenomen, zowel op sociaal als ecologisch gebied. Fair-trade producten maken een ongekende populariteit door en we zijn dus als bewuste burgers bereid om meer te betalen voor ‘verantwoorde’ goederen. Ook is er een constante stroom van voornamelijk twintigers die een jaar vrijwilligerswerk gaan doen in het buitenland. Dit zijn positieve ontwikkelingen, maar nog geen reden om onszelf een schouderklopje te geven. In tegenstelling, er is meer aanleiding somber te zijn over deze kwestie, omdat deze positieve ontwikkelingen plaatsvinden in een paradigma waarin de werkelijke verantwoordelijkheid van westerse landen en individuen ontkend wordt. Misplaatste opvattingen over de oorzaken van wereldwijde armoede leiden ook tot een verkeerd beeld van welke rol individuen zoals jij en ik daarin spelen.

Ontwikkelingstheorie
De denkwijze die momenteel dominant is in onze samenleving, constateert wereldwijde ongelijkheid en schrijft deze toe aan het gebrek aan ontwikkeling in arme landen. Al erkennen verdedigers van dit standpunt de negatieve gevolgen van kolonisatie en andere vorming van uitbuiting, ze wijten ook groot deel van de belemmerde groei aan lokale problemen en een gebrek aan wil om te ontwikkelen. Deze denkwijze impliceert dat mondiale ongelijkheid simpelweg kan worden opgelost door de armere landen verder te laten ontwikkelen, totdat ze hetzelfde niveau van welvaart hebben bereikt als bijvoorbeeld Nederland. Een tweede implicatie van deze gedachtegang is dat wij eigenlijk geen verantwoordelijkheid hebben voor de wereldwijde armoede. Dat de Nederlandse regering een bepaald bedrag reserveert voor ontwikkelingshulp, wordt eerder gezien als een gunst dan een plicht.[1]

Een hiaat in deze dominante redenering is de valse assumptie dat verschillende landen zich onafhankelijk van elkaar ontwikkelen. In feite is de hedendaagse interconnectiviteit geworteld in en getekend door de periode van kolonisatie.[2] In dit tijdperk was het idee van de instrumentele waarde van het ene gebied voor het andere erg sterk. Ondanks de afschaffing van koloniën is deze gedachtegang nooit verloren gegaan. Het gevolg hiervan was dat de internationale betrekkingen van de afgelopen eeuw waren gekenmerkt door de vraag hoe het ene land gebruikt kon worden door het andere. Dit impliceert dat alleen ontwikkeling geen antwoord is op het probleem van armoede, juist omdat de welvaart van het ene land ten koste gaat van die van het andere land. Het niveau van ontwikkeling van arme landen kan niet worden opgetrokken naar dat van de rijkste West-Europese landen, omdat de naoorlogse ontwikkeling van de westerse wereld uniek is. Deze kan niet gedeeld worden met de rest van de wereld of komende generaties, omdat hij gedreven werd door een korte termijn visie en prioritering van het ene gebied ten opzichte van het andere. Dit betekent dat westerse welvaart alleen mogelijk is omdat hij gebaseerd is op de systematische uitbuiting van mensen in andere delen van de wereld. Deze theorie brengt met zich mee dat individuele burgers zoals wij actief verantwoordelijk zijn voor de armen in de ontwikkelende wereld, omdat onze welvaart ten koste gaat van die van mensen in andere delen van de wereld. De toewijding van Nederland aan ontwikkelingshulp lijkt dus erg gul maar is ethisch gezien simpelweg onze taak.[3] Wij hebben de morele plicht om te voorkomen dat andere mensen worden blootgesteld aan levensbedreigende situaties als gevolg van onze acties.

Ongelijkheid in het internationale systeem
De internationale sfeer is de plek waar de afhankelijkheid en ongelijkheid het meest duidelijk is. Globale interactie tussen landen speelt zich voor een groot deel af rondom de belangrijkste internationale instituties zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Wie de recente geschiedenis hiervan onder de loep neemt, kan al gauw een stroeve relatie tussen ’s werelds rijkste en armste landen constateren. Het IMF is halverwege de vorige eeuw opgericht, onder andere om wereldwijde armoede terug te dringen en assistentie te bieden bij de ontwikkeling van economisch zwakke landen. Het is dan natuurlijk geen verassing dat de rijkste landen de grootste invloed hebben binnen deze organisatie, zij dragen immers het meeste geld bij. Dit is de arme landen, waar deze organisatie eigenlijk om hoorde te draaien, niet ten goede gekomen. De ‘Structural Adjustment Programs’ die moesten worden uitgevoerd worden als voorwaarde om leningen te krijgen, leken meer in het belang te zijn van de ontwikkelde landen. Zij waren vooral gefocust op de liberalisering van markten, die natuurlijk erg goed van pas kwamen voor rijke landen, omdat zij zo niet beperkt werden in hun handel. Voor veel van de betreffende arme landen bleek de het openen van hun markt echter funest in tijden van economische crisis. Een berekening die het IMF blijkbaar vergat te maken was de vergrootte kwetsbaarheid die komt met het openstellen van markten. Juist de zwakste economieën zullen dan als eerste ondergaan in tijden van economische crisis.

Wellicht was dit niet over het hoofd gezien als de leden van het IMF meer met anderen zouden meedenken in plaats van vooral met zichzelf. Uiteindelijk hebben deze programma’s juist de afhankelijkheid van arme landen en globale ongelijkheid vergroot in plaats van verkleind.[4]

Een ander bekend voorbeeld is de WTO, opgericht voor het maken en handhaven van handelsregels. Wederom is liberalisme een toverwoord voor deze instelling. Een van de grootste kritieken op de WTO is dat het is gefocust op het elimineren van door arme landen gevestigde handelsbarrières, terwijl ze de veel malen schadelijkere beschermende maatregen van invloedrijke landen negeren. Dit is kwalijk, juist omdat de landen die hulp kunnen gebruiken worden benadeeld. Bovendien zegt de WTO te streven naar gelijkheid, maar negeren ze de overduidelijke ongelijkheid binnen de organisatie. Het gebrek aan middelen van arme landen om even goede afgevaardigden te sturen als bijvoorbeeld Amerika is nog maar een van de vele voorbeelden. Het gevolg is dat de rijke landen weer de agenda bepalen die natuurlijk in het belang zal zijn van de welvarendste landen ter wereld.[5]

Intellectuele eigendomsrechten dienen als een andere illustratie van wereldwijde ongelijkheid die wordt voortgezet in het neoliberale systeem. Deze rechten komen voort uit de toenemende relevantie van non-materiele productie, zoals het ontdekken van medicijnen. Het probleem met deze vorm van ontwikkeling is dat anderen niet kunnen worden buitengesloten van het gebruik ervan. Is een medicijn eenmaal verkocht, dan zijn de ingrediënten ervan bekend, en heeft een farmaceutisch ontwikkelaar niets meer te verdienen aan zijn product. Het gebrek aan exclusiviteit van bepaalde producten elimineert enige prikkel die er bestaat om medicijnen te ontwikkelen, er is immers geen winst op te maken. Het antwoord op dit probleem is het intellectuele eigendomsrecht, een wet die bedenkers van een idee toestaat om er een prijs op te zetten. Op die manier kunnen ideeën verkocht worden en hebben ontwikkelaars dus weer een prikkel om nieuwe ideeën te ontwikkelen. Dit lijkt een goede oplossing te zijn maar ‘adresseert’ helaas enkel een deel van het probleem. Intellectuele eigendomsrechten zijn namelijk ontwikkeld binnen het neoliberale denkkader waarin alles is gefocust op winst. Door de invoering van intellectuele eigendomsrechten krijgt ook het ontdekken van medicijnen een neoliberaal karakter: de productie ervan wordt afgesteld op de vraag ernaar. Als farmaceutisch ontwikkelaar wordt er dus gekeken waar het meest winst gemaakt kan worden. HIV/aids is een van de dodelijkste ziekten  waar de mensheid mee te kampen heeft. Het is echter niet winstgevend gebleken om de medicijnenontwikkeling hier op af te stellen: deze ziekte is namelijk dominant in de armste landen op aarde, en geld om de hoge prijs voor middelen tegen aids te betalen hebben zij simpelweg niet. Het gevolg is dat ontwikkelaars zich richten op medicijnen voor een doelgroep die ze wel kunnen veroorloven, dit resulteert bijvoorbeeld in de ontwikkeling van middeltjes tegen vroegtijdige kaalheid. Het neoliberale karakter van onze wereld brengt dus processen op gang die de alledaagse kwaaltjes van tien procent van de wereld prioriteren over de dodelijke ziektes die tachtig procent van de wereld bedreigen, simpelweg omdat de eerste meer geld hebben.[6]

Consumenten en wereldwijde ongelijkheid
Ook op nationaal niveau zijn er mechanismes die de wereldwijde ongelijkheid in stand houden binnen het neoliberale systeem. In reflectie van wereldwijde ongelijkheid spelen consumenten een cruciale rol. De massale productie met behulp van kinderarbeid en andere vormen van uitbuiting wordt immers op gang gehouden dankzij de grote vraag naar producten.

Nu is de vraag tot in welke mate Nederlandse, Franse en Amerikaanse consumenten bereid zijn om hun koopgewoontes aan te passen. Het probleem hierbij is dat wij niet de echte prijs betalen van producten die normaal zijn in het dagelijks leven. De prijs van de meeste producten weerspiegelen niet de echte sociale en ecologische kosten en opbrengsten van hun productie. De mechanismes van uitbuiting in de afgelopen decennia hebben ons leven erg goedkoop gemaakt. Hierdoor zullen velen schrikken wanneer ze te horen krijgen wat de echte prijs van spullen is. Wanneer consumenten in Nederland de echte prijs van producten zouden moeten betalen, zouden zij aanzienlijk minder kunnen consumeren van hetzelfde bedrag. Deze drastische vermindering in koopvermogen zou wel eens problematisch kunnen zijn in de context van de huidige consumptiemaatschappij. Of het nu bewust is of onbewust, onze cultuur wordt gedomineerd door het idee dat meer consumptie gelukkiger maakt. Dit wordt gereflecteerd  in de maatstaven van nationaal succes: tot voor kort was het bbp de meest gebruikte methode om landen te vergelijken op het gebied van succes. De implicatie van dit paradigma is dat een succesvolle reputatie wordt ontleend aan de aan je consumptiepatronen. Zelfs de meest idealistische, linkse studenten zullen moeten toegeven dat zij een deel van hun sociale status ontlenen aan hun kledingstijl, en dus hun koopgedrag.

De materialistische denkwijze die grip heeft op bijna iedereen die deel uitmaakt van onze samenleving, kan niet alleen geweten worden aan de egoïstische menselijke natuur, maar wordt versterkt door verschillende instituties in onze maatschappij. Zelfs een van de meest fundamentele en invloedrijke instituties speelt een rol in het promoten van koopgedrag: het onderwijs. In Nederland is dit (nog) niet zo extreem als in Amerika, waar op dagelijkse basis contracten worden gesloten tussen basisscholen en bedrijven. Deze zijn voordelig voor de onderwijsinstellingen omdat het gratis leermaterialen oplevert, maar schadelijk voor leerlingen en daardoor ook de maatschappij, omdat het resulteert in reclame voor deze bedrijven in de klaslokalen. Tussen educatieve filmpjes door wordt er door deze partnerbedrijven geadverteerd, en zo worden de leerlingen dus in de klas blootgesteld aan de reclame waar ze in hun dagelijks leven al mee doodgegooid worden. Dit is erg kwalijk omdat juist onderwijs een goede manier zou kunnen zijn om kinderen en jongvolwassenen een kritische blik te bieden op ons huidige gedrag.

Onze huidige cultuur is dus een mechanisme op zich dat globale ongelijkheid in stand houdt. Deze consumptiedrang van een minderheid wordt immers mogelijk gemaakt door de uitbuiting van de meerderheid in andere delen van de wereld. Als wij onze identiteit ontlenen aan ons koopgedrag, is het nog maar de vraag tot in hoeverre we bereid zijn om een eerlijke prijs voor ons leven te betalen en een einde te maken aan deze exploitatie. Als dit echt zou betekenen dat onze koopkracht significant afneemt, dan zou dus ook een zeer belangrijke bron van identiteit wegvallen ons bestaan verkleinen, namelijk het vermogen om onszelf the profileren met ons winkelgedrag. Het zal dus erg lastig worden om als individu bewust voor een schuldvrij leven te kiezen. Het feit dat de consumptiemaatschappij wordt gestimuleerd door de meest invloedrijke instituties in de samenleving maakt het ook nog moeilijker om een verandering op gang te brengen.

Conclusie
Het is heel goed dat binnen onze maatschappij een toenemend bewustzijn ontwikkelt van onze rol op het internationale podium. Het is echter kwalijk dat we slechts een klein deel van de waarheid zien. Wij voelen ons namelijk erg verantwoord als we fair-trade chocolade eten. Het probleem hierbij is dat wij een misplaats beeld hebben van onze rol in internationale ongelijkheid. Dominant is het idee dat armoede wordt veroorzaakt door lokale problemen, terwijl wij ook als directe oorzaak gezien kunnen worden. Wat niet vergeten moet worden is dat dit probleem zich af lijkt te spelen op mondiaal niveau, maar dat wij nog steeds een directe oorzaak zijn van armoede ergens anders.

Concluderend, de ontwikkeling van armere landen is niet iets wat simpelweg bereikt kan worden met financiële steun. Zoals de naoorlogse ontwikkeling van Europe ten koste ging van de derde wereld, zo zal de groei van de huidige ontwikkelende landen weer een krimp eisen van de Westerse landen. Willen we echt de ontwikkeling in gang zetten, dan zal er veel opgegeven moeten worden, zoals de hoogst mogelijke winst met de eigendomsrechten, groei van landen zoals we die de afgelopen decennia gezien hebben, en misschien wel een comfortabel leven zoals we dat gewend zijn. Hierbij moet een gedachtegang van vrijwillige goeddoennerij om worden gezet in een verplichting. Laten wij het na om onze verantwoordelijkheid te nemen, dan zijn we direct verantwoordelijk voor de armoede van anderen.

Judith van der Zwan (1994) studeert aan University College Maastricht waar zij zich voornamelijk richt op internationale betrekkingen.


[1] A. Greig, D. Hulme en M. Turner, Challenging global inequality: development theory and practice in the 21st century (Basingstoke 2007).

[2] Greig, Hulme en Turner, Challenging global inequality.

[3] T. Pogge, ‘World Poverty and Human Rights’, Ethics & International Affairs 19 (2005).

[4] Greig, Hulme en Turner, Challenging global inequality.

[5] Ibidem.

[6] R.L. Ostergard en S.E. Sweeney, ‘Give Me Property or Give Me Death: Reconciling Intellectual Property Rights and the Right to Health.’ Journal of Human Rights 10 (2011).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>