Theory for dummies

Jordy Geerlings

Ondanks herhaaldelijke beschuldigingen van elitarisme is de huidige academische wereld breder en inclusiever dan ooit. Dat geldt ook voor de geesteswetenschappen, die nooit eerder door zoveel mensen tegelijkertijd bedreven werden. De academische wereld is zelfs zo groot dat een interne populaire cultuur moeiteloos kan overleven. Er zijn intellectuele superhelden met vele duizenden volgelingen, internationale optredens en een groeiende hoop merchandise voor fans. Een bekende comic over de Amerikaanse taalfilosoof Noam Chomsky, op zichzelf al een teken van zijn heldenstatus, laat zien hoe de wereldbekende linkse intellectueel lijdzaam moet toezien op de transformatie van zijn Manufacturing Consent tot een Hollywood actiefilm. De nogal cynische boodschap luidt: ‘The university student activist market is very lucrative.’[1]

Het fenomeen is niet nieuw. Jean-Jacques Rousseau ontving in de achttiende eeuw al hysterische fanmail, terwijl Voltaire een eindeloze reeks idolate bezoekers moest tolereren in Genève. Als er sinds de tijd van de philosophes iets is veranderd, dan is het vooral dat de intellectuele popcultuur zich sinds de Tweede Wereldoorlog veel verder heeft uitgebreid. De popcultuur is een vast kenmerk geworden van de westerse academische cultuur. Dit is het tijdperk van de Habermas-mok en het Spinoza-vingerpoppetje. Er is zelfs een Iphone-cover met een afbeelding van Karl Marx, en wat te denken van de ‘What would Žižek say?- Christmas stocking.’

De lijst van dergelijke producten is lang, amusant en soms bitter cynisch te noemen. Toch is het een interessant fenomeen, dat parallel loopt aan een democratisering en popularisering van theorie: naast de reputatie of beeltenis van de intellectueel treedt nu ook diens oeuvre in het blikveld van de academische popcultuur en het brede hoogopgeleide publiek. Dit uit zich in de opkomst van het introductieboekje.

Introductions, companions en guides
De schappen van de betere academische boekhandel en diens digitale equivalenten zijn gevuld met werken van filosofen en allerlei geesteswetenschappelijke theoretici. De blijvende populariteit van iconische denkers zoals Foucault en Habermas tekent zich er onmiddellijk af. Naast de originele werken van zulke auteurs staan doorgaans grote aantallen commentaren en interpretaties van andere auteurs. Zelden komt men een denker tegen wiens originele werk niet geheel overschaduwd wordt door een leger van exegetische satellieten.

Het gaat om boeken van een doorgaans beperkt formaat die zich tot doel stellen de lezer een inleiding te verschaffen in de verbijsterende complexiteit van een denker. De variëteit in soort en kwaliteit is enorm. Aan de ene kant van het spectrum staan de Cambridge Companions, die bedoeld zijn als metgezellen bij de interpretatie van gecompliceerde teksten. Van de kopers van deze Companions wordt verwacht dat zij een behoorlijke mate van voorkennis hebben. Van een vergelijkbaar niveau zijn de lezersgidsen die de lezer van de originele tekst per bladzijde helpen dat werk te begrijpen. Aan de andere kant staat een groeiend aantal For Dummies-boeken, waarvan de uitgever al meer dan 1800 verschillende titels heeft uitgegeven. Tussen deze polen ligt een breed spectrum aan introductieboekjes.[2] One World Publications heeft honder-den Beginner’s guides die de nadruk leggen op een snelle, maar degelijke invoering, vergelijkbaar met de Guides for the Perplexed van Bloomsbury. Voor degenen die nog minder tijd hebben is er bijvoorbeeld Heidegger in 90 minutes.[3]

De zogenaamde Graphic Guides zijn wellicht de meest treffende uiting van de toe-eigening van theorie door de academische popcultuur. Deze boekjes verklaren theorieën in de vorm van een stripboek dat de denker in kwestie als een superheld neerzet. In het aan hem gewijde boekje zweeft het hoofd van Derrida bijvoorbeeld op Zardoz-achtige wijze binnen bij een discussie van Plato over de relatie tussen schrift, geheugen en wijsheid, om te vermelden dat het geschrift geen dode letter is, maar hetzelfde levende spel van interpretaties kan oproepen dat ook in het filosofisch gesprek te vinden is. Vervolgens moet hij het opnemen tegen het establishment, gesymboliseerd door Griekse zuilen in maatpakken.[4]

Ook in Nederland hebben de introductieboeken hun intrede gedaan. Boom/Lannoo campus heeft een serie gelanceerd waarin naast de onvermijdelijke Foucault ook tegenwoordig schoolmakende denkers zoals Slavoj Žižek uit de doeken worden gedaan. In ‘Conservatieve vooruitgang’ krijgen conservatief denkende Nederlanders uitleg over het gedachtegoed van hun gedeelde voorvaders.[5]

De context
In deze ontwikkelingen zijn allerlei grotere fenomenen te zien. Zo is de academische wereld bij uitstek vatbaar gebleken voor globalisering. Er zijn ontegenzeggelijke contouren te ontwaren van een globale theorie-canon in de geesteswetenschappen, die gevolgd en verstrekt wordt door de introductieboekjes. Deze komen voort uit een grote publicatie-industrie die in de eerste plaats de onderwijsbehoeften van de sterk geëxpandeerde academische onderwijswereld dient.

De introductieboekjes worden direct voorgeschreven als cursushandboeken en worden steeds meer gebruikt als een vorm van bijles: wat de student niet begrijpt of niet goed krijgt uitgelegd op de universiteit kan hij of zij hiermee zelf bijspijkeren. Met een Guide for the perplexed verschaft een student zich een als betrouwbaar beschouwde gids in complexe theoretische materie en vermijdt hij de verwarrende, tegenstrijdige diversiteit van het internet.

Daarnaast bedienen de introductieboekjes een groeiende niet-academische markt van particulieren, die zich geconfronteerd zien met een instabiel eigen wereldbeeld en een geglobaliseerde omgeving waarin andere wereldbeelden aanwezig zijn. Vormde de expansie van media en stad al aan het einde van denegentiende eeuw een impuls voor de intellectualisering van de samenleving door de confrontatie met complexe sociale patronen, andersdenkenden en een overvloed aan ongefilterde nieuwsfeiten; tegenwoordig is deze impuls nog veel sterker.[6] Door globalisering en digitale media is de wereld zodanig gecompliceerd dat de intellectualisering van de samenleving vooruitloopt op het intellectualiseringsproces van het individu. Behapbare achtergrondinformatie is nodig, en introductieboekjes lijken daardoor steeds aantrekkelijker.

De economische crisis is een voorbeeld van een alomtegenwoordig, ongrijpbaar en theoretisch complex probleem dat de behoefte creëert voor begrijpelijke uitleg. Economics for dummies belooft hierin te voorzien door uitleg te geven over economische theorie en ‘[how] to spot the signs of recession and see how economic decisions affect you.’[7] Het introductieboekje dient als supplement op wat de media niet uitleggen.

De inhoud
De introductieboekjes zijn dus tekenen van de tijd, maar wat zijn het eigenlijk voor boekjes? Hoewel er een grote verscheidenheid van introductieboekjes bestaat, voldoet het overgrote deel van de boekjes aan een aantal karakteristieke kenmerken van de Beginner’s guides: klein van formaat, minder dan 150 bladzijden en expliciet geschreven als korte introductie op het oeuvre van een bepaalde denker of theorie. Een van de meest karakteristieke bewegingen die een dergelijk boekje voltrekt is de reductie van het oeuvre in kwestie tot een aantal sleutelideeën, beschreven in een chronologische opvolging die min of meer representatief moet zijn. Dat dit een nogal selectieve beweging is, behoeft weinig uitleg.

Het is interessanter om te observeren hoe deze boekjes de theorie verder behandelen en wat de effecten zijn voor de beeldvorming over de denkers in kwestie. Kenmerkend is bijvoorbeeld de neiging om ideeën en bijbehorende theoretische stelsels uit te leggen op een manier die niet zozeer jargon schuwt (want daarin moet het boekje juist een gids zijn), als wel structureel lagen van theoretische complexiteit naast zich neerlegt om te komen tot een essentiële kern. Theorieën worden neergezet in bijna syllogistische redeneringsrijtjes, bestaand uit ingedikte, versimpelde principes, leidend tot heldere conclusies. Hiermee reduceren de boekjes theorieën tot statische, je zou zelfs kunnen zeggen, exporteerbare, drukvormen.

Een voorbeeld van de werkwijze die hierbij gehanteerd wordt, is te vinden in de introductieboekjes over Machiavelli.[8] Vrijwel zonder uitzondering vechten ze tegen het spook van diens negatieve reputatie als stimulator van immorele regeringspraktijken. Daarna wordt doorgaans uitgelegd hoe moeilijk het concept virtu te vertalen is, gevolgd door een breed geaccepteerde definitie van datzelfde concept als het vermogen om politieke situaties in te zien en effectief te reageren. Er ontstaat een beeld van een politiek denker die geen immorele, maar een amorele blik wierp op het regeren van een republiek, waarbij een spanning bestaat tussen het fatalistische concept van Fortuna en de opening voor individueel handelen via virtu.

Hiermee is weliswaar geen grote onwaarheid verkondigd, maar met exercities zoals deze is wel iets belangrijks gebeurd. Machiavelli’s theorie is ingedikt, veralgemeniseerbaar gemaakt, en kan nu op allerlei manieren worden ingezet: als vuistregel bij het daadwerkelijk lezen van Machiavelli’s werken, als theoretisch sausje bij een werkstuk over moraal in de politiek, als achtergrondinformatie om beter mee te kunnen doen in gesprekken op niveau, enzovoort. Vele lezers zullen het boekje zowaar gebruiken als zelfstandige, volwaardige interpretatie van Machiavelli’s hele werk.

Het uitleggen van theorie in deze boekjes steunt op verschillende aanpakken. De term For dummies suggereert een laagdrempeligheid die het gebrekkige vertrouwen van de lezer in diens eigen intellectuele vermogens geruststelt. Andere boekjes verzwijgen dit juist en proberen het wantrouwen direct te neutraliseren door korte, hypergestructureerde hoofdstukken. Er zijn ook boekjes die het leerproces van de lezer direct proberen te sturen, door vragen te stellen, suggesties voor leesstrategieën te doen en zelfs zalvend te zeggen dat niemand een theoretische ‘X-ray vision’ heeft waarmee men een theorie direct begrijpt.

De boekjes delen een retoriek van de afstand die je moet afleggen, van het stapsgewijs binnenkomen in de theorie, van ‘getting your bearings’. Het eindpunt wordt neergezet als het vinden van de sleutel tot het begrip van de theorie, de kern, of zelfs de verborgen boodschap achter al het jargon. Theorie wordt hierdoor een soort landschap waarvoor het introductieboekje een kaart is. Het succes is meetbaar aan de mate waarin de lezer in staat is de denkredeneringen te voltrekken, met andere woorden, de wegen op de kaart te volgen. Uiteindelijk lijken de meeste introductieboekjes aan te nemen dat een theoretisch werk een geheel is met onbewegende delen, waardoor je verschillende wegen kunt banen, maar waarin alles uiteindelijk steeds hetzelfde blijft. Het volledige begrijpen is het eindpunt, vanwaar de lezer alles overziet, en waar blijkt dat de afstand tot de kern van de theorie is verdwenen.

Waar het bij de introductieboekjes mis gaat
Sommige denkers lenen zich meer voor een dergelijke introducerende operatie dan anderen. Waar de introductieboekjes frequent de mist in gaan is de postmoderne filosofie. Het is bijvoorbeeld een internationale standaard geworden om deconstructie neer te zetten als een leeswijze die ofwel zoekt naar haperingen en marginale elementen in een tekst, ofwel een methode die eruit bestaat om zogenaamde binaire opposities op te heffen. De boeken die de eerste interpretatie volgen komen dikwijls niet verder dan te zeggen dat deconstructie reading against the grain is, oftewel  lezen tussen de lijntjes om te zien wat de tekst onbedoeld over zichzelf verraadt.[9] Het opheffen van binaire opposities is evenzeer gehuld in vaagheid; de lezer moet het meestal doen met de boodschap dat het een soort search and destroy-mission is, die opposities detecteert, vernietigt en zodoende ruimte overlaat voor een vrij spel van betekenis en verborgen stemmen.

Het grote geheim van deconstructie is echter dat het een idee is dat zo’n gecompliceerde en controversiële receptiegeschiedenis kent, dat er vele geheel verschillende versies van bestaan. In zijn Deconstruction in a nutshell, een boek dat schippert tussen de vorm van een introductieboek en een filosofisch traktaat, zegt de Amerikaanse religiewetenschapper John D. Caputo dat deconstructie niet in één nutshell te stoppen is, maar in minstens zes.[10] Dat is geenszins een onrealistische inschatting. Waar de ene commentator slechts een tekstgerichte methode ziet die binaire opposities opheft, ziet de andere een destructieve ondermijning van de filosofie. Een derde voorspelt het einde van de geschiedwetenschap als discipline, die afhankelijk is van een vaste verhouding tussen tekst en historische werkelijkheid. De vorm van een introductieboekje, dat per definitie gericht is op het scheppen van orde en het geven van een duidelijke uitleg, kan doorgaans niet met een dergelijke complexiteit omgaan.

Introductieboekjes en Theory-dropping
Tegenwoordig worden theorieën het snelste populair in de versimpelde vorm van het introductieboekje. Dat populariteit van allerlei theorieën in ingedikte vorm zorgt voor een nieuwe omgang met de denkers en hun oeuvres. Omdat elke denker omgeven is door zijn internationale reputatie, buzz-words en exegetische literatuur van verschillende niveaus – waarvan introductieboekjes slechts één onderdeel  uitmaken – is het originele theoretische werk steeds minder belangrijk. De ingedikte theorie gaat een eigen leven leiden en wordt op zichzelf een academische entiteit die in zowel wetenschappelijk als niet wetenschappelijk werk wordt verwerkt.

Dit vindt zijn meest directe uiting in theory-dropping, het direct overnemen van de ingedikte versie van een theorie, zonder voldoende raadpleging van het origineel. De theorie is daarbij vaak niet veel meer dan een interessant sausje over materiaal dat verder op een vrij traditionele manier is behandeld. Vooral in de geschiedwetenschap en cultural studies komen dit soort bewegingen veel voor, en zeker niet alleen in het werk van studenten.

Talloos zijn bijvoorbeeld de kritieken van gevestigde academici op Jürgen Habermas’ werk over de public sphere, waarin hij voorbij zou zijn gegaan aan de mate waarin de public sphere zou zijn gefaald in het vervullen van diens belofte van universele participatie. Een lezing van het originele werk zou deze indruk onmiddellijk sterk genuanceerd, zo niet tegengesproken, hebben. Omdat de culturele invloed van de internationaal erkende drukvorm-Habermas zo sterk is, gebeurt dat echter vaak niet.

Sterker nog, zelfs wanneer een eigen lezing van de originele tekst is gedaan, blijkt het gewicht van internationaal vigerende interpretaties zo sterk dat de originele tekst nog steeds in de verdrukking raakt. Het is een situatie die veel lijkt op wat Frank Ankersmit over de vele Hobbes-interpretaties zegt: het origineel verdwijnt achter een woud van interpretaties en kan niet meer functioneren als de arbitrator van debatten over de denker in kwestie.[11]

Conclusie
Door hun populariteit laten de introductieboekjes zien dat theorie zowel in de wetenschappen als daarbuiten een enorme aanwezigheid heeft. Niet alleen zijn theorieën nodig om de wereld te begrijpen; de wereld zelf is zodanig getheoretiseerd dat men het zonder gidsen vaak niet meer redt.

De introductieboekjes dienen dus degenen die de intellectualisering van de samenleving willen kunnen bijbenen, maar hebben ook nadelen. De lezer mist niet alleen de geduldige omgang met de theorie, waarbij het nut en de implicaties ervan worden ontdekt, maar ook is de aanmoediging tot verder denken afwezig. De emancipatoire belofte van het introductieboekje wordt daarbij  geneutraliseerd. De lezer leert immers niet hoe hij het niveau kan benaderen waarop de denker opereert, het niveau waarop nieuwe zienswijzen ontwikkeld worden. Ondanks de retoriek van het wegwijs worden, blijft het theoretisch werk voor de lezer daardoor iets dat functioneert in een ontoegankelijk hoger plan.

Wat het algemene publiek betreft, doet dit gegeven evenwel weinig af aan de pedagogische functie van het introductieboekje. Eigenlijk is het genre vooral voor het academische publiek gevaarlijk: de verleiding voor de korte weg is vaak groot, net zoals de wens om intellectueel niet onder te doen voor meer erudiete collega’s. Ikzelf zie ze ondertussen vooral als bronnen die veel prijsgeven over de westerse academische cultuur. De boekjes hebben vele mogelijke doeleinden: men gebruikt deze boekjes op eigen risico.

Jordy Geerlings (1988) is promovendus aan de Radboud Universiteit, met als belangrijkste aandachtsgebieden de sociale en intellectuele geschiedenis van de 18e eeuw.



[1] Beschikbaar via: http://chomskycomics.com/comics/00000013.jpg  (geraadpleegd op 20 oktober 2013).

[2] Beschikbaar via: http://www.dummies.com/about-for-dummies.html (geraadpleegd op 20 oktober 2013).

[3] P. Strathern, Heidegger in 90 minutes (Chicago 2002).

[4] J. Collins en B. Mayblin, Introducing Derrida. A graphic Guide (London 1996).

[5] T. Baudet en M. Visser, Conservatieve vooruitgang. De grootste denkers van de twintigste eeuw (Amsterdam 2010).

[6] P. Fritschke, Reading Berlin 1900 (Boston 1996). Hij citeert Philip Fisher.

[7] P. Antonioni & S.M. Flynn, Economics For Dummies (Hoboken, NJ 2010) voorkant.

[8] C. J. Nederman, Machiavelli. A Beginner’s Guide (Oxford 2009); P. Curry en O. Zarrate, Introducing Machiavelli (Cambridge 2007).

[9] Een typisch voorbeeld is te vinden in P. Smith en A. Riley, Cultural theory. An introduction (Oxford 2001) 201.

[10] John D. Caputo, Deconstruction in a nutshell, a conversation with Jacques Derrida (Fordham 1997) 48.

[11] F. Ankersmit, ‘Historiography and postmodernism’, History and Theory 28 (1989) 137-153, aldaar 137.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>