Syrië: Putin Ex Machina

Mike van de Weijer

Er kan veel gebeuren in een jaar, maar er kan net zo gemakkelijk ook helemaal niets gebeuren. Meer dan een jaar geleden schreef ik in dit tijdschrift het artikel ‘Hoe het Westen liever Khaddafi verdreef dan de wereld verbeterde’ dat het concept Responsibility to Protect (R2P) een afkoelperiode nodig zou hebben.[1] In het voorjaar van 2011 was een door NAVO-lidstaten geleide coalitie namelijk begonnen met een oorlog tegen het Libië van Khaddafi. Deze bijna exclusief vanuit de lucht gevoerde oorlog was gerechtvaardigd met een beroep op de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap om de Libische bevolking te beschermen tegen de wandaden van de dictator tegen wie ze in opstand was gekomen. Maar, zo beweerde ik in 2012, Operation Odyssey Dawn was geen oorlog waarin iedereen werd beschermd. Het was overduidelijk een campagne die alleen tegen het regime gericht was. Alles wat enigszins in de kwade reuk van Khaddafi stond, werd vernietigd door geallieerde luchtmachten, terwijl een rommelige gelegenheidscoalitie op de grond orde op zaken stelde. Of in ieder geval iets deed wat daarop leek. Dit resulteerde niet alleen in de standrechtelijke executie van kolonel Khaddafi, nadat hij unceremoniously uit een rioolpijp getrokken was, maar uiteindelijk ook in de aanval op het Amerikaanse consulaat in Benghazi op 11 september 2012. Op dit moment is Libië een land waar de voorzitter van het parlement zomaar gegijzeld kan worden door gewapende milities, waar Al Qaeda-achtige groepen nog steeds een goed heenkomen kunnen vinden en waar wapens gemakkelijk hun weg vinden naar tal van andere conflicten in Afrika en het Midden Oosten.

Een paar maanden na het schrijven van mijn artikel, in augustus 2012, stelde de Amerikaanse president Obama dat het gebruik van chemische wapens in het toen al lang slepende conflict in Syrië voor hem een rode lijn zou zijn:

We have been very clear to the Assad regime, but also to other players on the ground, that a red line for us is we start seeing a whole bunch of chemical weapons moving around or being utilized. That would change my calculus.  That would change my equation.[2]

Commentatoren namen aan dat Obama hiermee voorzichtig de deur openzette voor een mogelijke Amerikaanse militaire interventie.

Al tijdens de interventie in Libië stelden al velen de vraag ‘waarom dan ook niet Syrië?’ In de herfst van 2011 was Syrië echter een conflict van beperkte schaal met minder dan tienduizend dodelijke slachtoffers, een casus die niet de moeite van het overwegen waard was, kortom, een sideshow. Bovendien had juist de manier waarop de NAVO en haar Arabische bondgenoten hadden ingegrepen in Syrië de kans op een nieuwe interventie in een politiek gevoelig gebied wel heel erg klein gemaakt. Rusland en China hadden in de VN-Veiligheidsraad niet tegen een R2P-interventie tegen Khaddafi gestemd, maar de manier waarop het mandaat van resoluties 1971 en 1973 werd geïnterpreteerd, had ervoor gezorgd dat deze twee wereldmachten in het vervolg wel twee keer zouden nadenken.

Het spel der Grote Mogendheden
In september 2013 schrikte een aanval met het zenuwgas sarin Syrië op. De wereld werd wakker, hernieuwde de roep om optreden tegen het regime en vond na niet al te lang zoeken de uitspraak van Obama terug. Maar wat kon Obama doen?

De Amerikanen lijken oorlogsmoe te zijn. Echter, anders dan bijvoorbeeld het geval was in de jaren 1970, na jaren van oorlog in Vietnam, zijn het nu niet hoofdzakelijk de mensenlevens die het zwaarst tellen. In ieder geval niet de handvol geallieerde slachtoffers die gevallen zijn in Libië. De slepende avonturen in Irak en Afghanistan hadden er al voor gezorgd dat de grondoorlog in Libië niet uitgevochten zou worden door Westerse boots on the ground. Die avonturen hebben de Amerikanen voor de toekomst niet al te enthousiast gemaakt voor een nieuwe bezetting. De oorlog in Libië was vooral duur. De president van een land dat periodiek het schuldenplafond moet verhogen (zoals in oktober 2013 het geval was), kan het steeds moeilijker verkopen dat hij raketten met een prijskaartje van enkele miljoenen dollars per stuk afvuurt op een land waar de VS geen directe belangen heeft. Een andere complicerende factor in de Amerikaanse politiek is het buitenlands beleid van de Republikeinen, dat op het moment het best te vatten is in de gedachte ‘Buitenlanders helpen met hun problemen van onze belastingcenten? Ik dacht het niet’. Al met al zou het dus altijd al onwaarschijnlijk zijn dat het Witte Huis zou kiezen voor enige vorm van directe militaire interventie.

Meer dan de VS heeft Rusland directe belangen in Syrië. Het bestaan van een Russisch marine-steunpunt in Tarsus is vooral door Westerse media voorgesteld als een belangrijk argument voor de Russen om het regime van president Bashar al-Assad uit de wind te houden. De operationele betekenis van deze basis is echter niet erg groot. Rusland lijkt tevreden te zijn met een beperkte rol in het oostelijk Middellandse Zeegebied en heeft hiervoor genoeg aan zijn havens aan de Zwarte Zee. Maar meer dan om het gebruik van de basis, gaat het de Russen hier om prestige. Tarsus is de laatste plek buiten de voormalige Sovjet-Unie waar nog Russische militaire installaties mogen zijn. Een vertrek uit Syrië bij een eventuele val het Assad-regime zou dus vooral een beschadiging van het Russische imago zijn.

Echter, zelfs Rusland kan geen oneindig geduld opbrengen voor het Syrische regime. Een kruik gaat zo lang te water tot hij barst. Als het regime maar lang genoeg blijft zitten, zorgt het vanzelf voor een situatie waarin het Westen en lokale oppositiegroepen wel moeten ingrijpen en voor een regime change zorgen. Met deze gedachte in het achterhoofd zal president Putin een andere koers ingezet hebben: In plaats van prestige te verliezen als het conflict zó ver escaleert dat de Russische beschermeling ten val komt, weet hij zichzelf nu neer te zetten als een wijs staatsman die een diplomatieke oplossing mogelijk maakt. President Assad zal namelijk dit signaal van zijn beschermheer niet verkeerd kunnen interpreteren. Bovendien zorgt het afdwongen OPCW-lidmaatschap van Syrië, en de controles die hier in dit geval bij horen, ervoor dat het regime zijn wreedheid enigszins in bedwang moet houden.

Dit alles zorgt ervoor dat de situatie in Syrië vooral veel van hetzelfde blijft. De situatie op de grond kan weinig veranderen en er zal weinig aanleiding zijn voor het Westen om interventie te overwegen, zeker in de wetenschap dat dit alleen maar tot meer instabiliteit en toestroom van islamitische strijders zal leiden.

Principes?
Heeft er dan niemand meer principes? Misschien wel. Het Europa dat zijn wonden likt en zich in zichzelf keert, is nog steeds het Europa dat moreel beter wil zijn. Niet voor niets hebben premier Cameron en president Hollande de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap tegenover de Syrische bevolking niet meer met dezelfde woorden als in  2011 beschreven. Cameron en Sarkozy beschreven destijds regime change als een logisch uitvloeisel van het mandaat, maar gingen daarmee hun boekje te buiten. Nu geven Sarkozy’s opvolger en de Britse premier het begrip Reponsibility to Protect de afkoelperiode die het nodig heeft.

Voor wat betreft de Russen en Amerikanen zijn principes al lang uit het zicht verdwenen. Het spel gaat nu om het spel zelf. In een conflict dat zó zichtbaar is, kan geen van de twee supermachten het zich veroorloven de ander zelfs maar een gedeeltelijke overwinning te laten behalen. Putin heeft Obama gered van een binnenlandse en internationale afgang door een opening te maken waar de OPCW-oplossing perfect in paste. Dat wil zeggen dat Rusland op een bepaald moment iets terug moet krijgen van de Amerikanen. Wat dit is of wanneer het gaat gebeuren is moeilijk te zeggen en waarschijnlijk alleen door toekomstige historici af te leiden uit juist het ontbreken op de agenda van de Veiligheidsraad van een onderwerp dat de Russen na aan het hart gaat.

Dit alles is een schadelijke ontwikkeling, want interventies lijken hierdoor alleen maar mogelijk te zijn als zij in het beleid van de twee overgebleven grote mogendheden passen. En was het nu niet juist het doel van de VN, niet alleen in 1946 na het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar ook in 1991 aan het einde van de Koude Oorlog, om internationaal ingrijpen uit deze sfeer van tegenstellingen te halen? Niet militair ingrijpen in Syrië maakt elke andere interventie minder geloofwaardig, omdat dan altijd de vraag gesteld zal worden welke belangen de grote spelers nu weer hebben of welk wisselgeld de vermoedelijke tegenstanders er deze keer voor hebben gekregen.

Interventies buiten Syrië
Een lezer van dit stuk, en van mijn eerdere artikelen, zou kunnen denken dat er altijd alleen maar slecht nieuws is op het internationale toneel. En voor de bevolking van Syrië ligt er inderdaad weinig goed nieuws in het verschiet. Maar het is niet alleen maar kommer en kwel in de wereld van interventies. Integendeel. Van die 68 vredesoperaties die het Department of Peace Keeping Operations (DPKO) van de Verenigde Naties sinds 1948 heeft opgezet, zijn er op dit moment vijftien actief.[3]

Van de vijftien actieve operaties zijn er vier op poten gezet in of na 2010, wat relatief veel is. Vooral in Afrika laat de internationale gemeenschap zien wat ze waard is. Op dit moment zijn grote aantallen troepen onder VN-vlag aanwezig in Sudan en Zuid-Sudan, Mali, Ivoorkust, Liberia en de Democratische Republiek Congo. Daarnaast voeren Frankrijk en Zuid-Afrika hun aanwezigheid op in de Centraal-Afrikaanse Republiek zonder betrokkenheid van het VN-hoofdkantoor in New York.

De rol van de Afrikaanse Unie in interventies op het eigen continent groeit. Dat betekent echter niet dat deze missies kunnen plaatsvinden zonder goedkeuring van vijf permanente leden van de Veiligheidsraad. En naast goedkeuring leveren vooral de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk vaak ondersteuning op het gebied van logistiek en inlichtingen. Het zijn regionale machten die daadwerkelijk hun soldaten in the line of fire plaatsen, in Mali, Tsjaad, Togo en Niger.

Het grote verschil tussen Syrië en deze Afrikaanse conflictgebieden is dat er veel minder geschiedenis van de Grote Machten drukt op Afrika. In de negentiende en vroege twintigste-eeuwse Scramble for Africa waren de VS en Rusland geen spelers van belang. Hoewel beide supermachten in de Koude Oorlog in verscheidene conflicten (bijvoorbeeld in Angola, Mozambique en Ethiopië) kant kozen of zelfs direct ingrepen zijn de VS en Rusland sinds de vroege jaren 1990 meestal eensgezind als het om Afrika gaat.

In het Midden-Oosten is deze situatie al ruim twintig jaar compleet anders. Waar in de Koude Oorlog  staten als Egypte en Irak nog regelmatig flirtten met beide machtsblokken (of zelfs de derde weg van het blok van Niet-Gebonden Staten), kan vanaf de Golfoorlog van 1991 een vrij duidelijke scheiding gemaakt worden tussen Russisch- en Amerikaansgezinde staten. Pre-revolutionair Egypte, de Golfmonarchieën, Israël en Turkije horen duidelijk bij de laatste groep. Syrië en Iran kunnen vast rekenen op de bescherming van Rusland.

Een ander belangrijk verschil is de zichtbaarheid van de conflicten. Ironisch genoeg vergroot de onzichtbaarheid van geweld in Afrika de kansen op internationale interventies. Darfur, in 2008-2009 nog het troetelonderwerp van bijvoorbeeld George Clooney, heet ondertussen opgelost te zijn – hoewel drie van de vijftien huidige VN-missies zich in Sudan of Zuid-Sudan voltrekken. Het Midden-Oosten, daarentegen, is dagelijks op onze televisie. En zoals op een feestje elke gast een mening moet hebben over zelfmoordaanslagen in Irak, onderhandelingen in Genève over het Iraanse nucleaire programma en de nederzettingenpolitiek van Israël, zijn de Grote Machten van de wereld verplicht hun positie in al deze conflicten vast te stellen en vast te houden.

Conclusie
Gematigd goed nieuws voor Afrika dus, maar de bevolking van Syrië heeft daar weinig aan. Het goede nieuws waar de Syriërs zich aan kunnen vastklampen is de inschikkelijke houding van zowel de VS als Rusland. Hoewel het in Nederland misschien anders lijkt, stelt Rusland zich op dit moment constructiever op dan in voorgaande jaren. De opening naar de OPCW in Syrië en de steun aan de hervormingsgezinde regering in Iran zijn daar voorbeelden van. Waarschijnlijk is het uitblijven van een door de NAVO geleide interventie in Syrië ook goed nieuws. Als Libië een voorbeeld is van operaties die in de toekomst gaan worden uitgevoerd, kunnen niet alleen de aanhangers van het Assad-regime president Putin bedanken. De hele internationale gemeenschap moet, en zal, zich nu richten op een diplomatieke oplossing. Het enige alternatief, met of zonder interventie, is een burgeroorlog die maar marginaal minder ingewikkeld zal zijn dan de vijftien jaar durende strijd in Libanon, een oorlog waar de Syriërs meer dan genoeg ervaring mee hebben.

Mike van de Weijer (1985) heeft Politieke Geschiedenis en Conflict Studies gestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Na zijn studie heeft hij de leergang Buitenlandse Betrekkingen van Instituut Clingendael gevolgd.


[1] M. van de Weijer, ‘Hoe het Westen liever Khaddafi verdreef dan de wereld verbeterde’, Volonté Générale n°1 (2012) 20-25.

[2] ‘Remarks by the President to the White House Press Corps’ (20 augustus 2012) online beschikbaar via: http://www.whitehouse.gov/the-press-office/2012/08/20/remarks-president-white-house-press-corps (geraadpleegd op 28 november 2013).
[3] ‘Fact Sheet as of 31 October 2013’, Rapport Verenigde Naties, beschikbaar via: http://www.un.org/en/peacekeeping/resources/statistics/factsheet.shtml  (geraadpleegd op 28 november 2013).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>