Strijden om te blijven strijden

Carla Schouwenaars

Het is een koude februarinacht, wanneer mijn Palestijnse gastvrouw Noor me wekt met de woorden: ‘The soldiers are here, you have to come upstairs.’ Snel trek ik wat kleding aan en als ik de trap naar de woonkamer beklim, kijk ik recht in de loop van een Israëlisch wapen. De soldaat gebiedt me aan de eettafel te gaan zitten. Terwijl Noor haar kinderen op hun gemak probeert te stellen, begeleidt haar echtgenoot de militairen door het huis. Kasten worden opengetrokken, maar de militairen lijken niet goed te weten waarnaar ze op zoek zijn. Na een half uur vertrekken ze weer met de mededeling: “We will come back.” Ik realiseer me dat dit voor mij de eerste keer is dat ik een nachtelijke huiszoeking meemaak, maar dat dit gezin deze spanning ontelbare nachten moet ervaren. Hoe houdt Noor dit vol?

Deze vraag houdt me al jaren bezig. Tijdens mijn uitzendingen als militair naar Bosnië-Herzegovina en Afghanistan ontmoette ik een diversiteit aan mensen die zich actief inzetten voor conflictoplossing en mensenrechtenkwesties. Telkens weer vroeg ik me af waarom zij in staat zijn te kiezen voor een dergelijk risicovol activisme. Tijdens mijn studie Culturele Antropologie en Ontwikkelingsstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen, waaraan ik in 2009 begon, kreeg ik de kans een antwoord op deze vraag te vinden. Ik bestudeerde de levens van zes vrouwelijke Palestijnse activisten en sprak met een dozijn andere vrouwen. Zo kwam ik tot de conclusie dat hun inzet niet vanzelfsprekend is. In dit artikel bespreek ik aan de hand van het leven van Noor mijn belangrijkste bevindingen.[1]

Dialogische Zelf Theorie
Het thema identiteit is mijn invalshoek om de keuzes van Palestijnse activisten te bekijken. Binnen de antropologie wordt identiteit al jaren niet meer gezien als iets dat statisch is, maar als een dynamisch proces dat continu in ontwikkeling is.[2] Mensen zijn niet constant hetzelfde, maar worden doorlopend beïnvloed door hun omgeving. De Nijmeegse psycholoog Hubert Hermans ontwikkelde de ‘Dialogische Zelf Theorie’.[3] Hiermee laat hij zien hoe een persoon relaties heeft met anderen in de buitenwereld, maar ook met verschillende posities binnen het zelf. Deze theorie komt voort uit de ideeën van de Amerikaanse psycholoog William James en de Russische literatuurwetenschapper Mikhail Bakhtin. Om Hermans’ inzichten beter te begrijpen, ga ik kort in op deze ideeën.

James maakt een onderscheid tussen ‘het zelf dat kent’ (I) en ‘het zelf dat gekend wordt’ (me).[4] Het zelf dat kent, is datgene wat wij ervaren als onze eigen kern, dat wat ons onderscheidt van anderen, dat wat mij ik maakt. Het zelf dat gekend wordt, is alles wat wij ‘eigen’ noemen, dus niet alleen mijn lichaam maar ook mijn kleding, mijn ouders, mijn vrienden, mijn doorzettingsvermogen, mijn passie, mijn artikel in Volonté Générale. Het zelf gaat dus verder dan de persoonlijke kenmerken.

Bakhtin bestudeerde boeken van de Russische auteur Fjodor Dostojevski en zag daarin een meervoudigheid aan stemmen van verschillende personages, die niet door een stem van een verteller worden overkoepeld.[5] Alle stemmen in het verhaal hebben hetzelfde niveau en zijn dialogisch, omdat ze niet hetzelfde verhaal vertellen. Zij kunnen zelfs tegenstrijdig zijn.

Hermans bouwt voort op het I-Me-onderscheid van James en Bakhtins ideeën over het dialogisme, door te stellen dat iedere persoon meerdere ik-posities heeft die allemaal een stem kunnen krijgen en daarmee een dialoog kunnen aangaan. Wij bewegen ons steeds tussen deze verschillende posities. Sommige posities lijken in het verleden te liggen, bijvoorbeeld ‘ik als roekeloos kind’, maar kunnen weer een plaats krijgen in onze huidige dialoog. Bijvoorbeeld als ‘ik als roekeloos’ in dialoog is met ‘ik als verantwoordelijke chauffeur’. Onze posities zijn dus dynamisch en flexibel. Daarnaast zijn zij altijd sociaal: andere mensen nemen daadwerkelijk een positie in mijn zelf in. Doordat deze externe posities een plek innemen, ontstaan er interne posities in mijn zelf. Ofwel: omdat ik een vader heb (externe positie: mijn vader), voel ik me een dochter (interne positie: ik als dochter), en omdat mijn vrienden mij vragen te rijden, voel ik me een verantwoordelijke chauffeur. Belangrijk hierin is dat deze posities allemaal een bepaalde macht hebben in mijn zelf. Deze macht kan ik zelf toekennen (ik wil mijn vrienden veilig thuis brengen) maar kan ook toegekend worden (ik ben opgevoed met het idee naar mijn ouders te luisteren). Tenslotte leidt de dominantie van sommige stemmen ertoe dat wij deze stemmen een groot belang toekennen. Een sterke externe positie kan ertoe leiden dat de stemmen worden geïnternaliseerd, iets wat door de antropoloog Marjo Buitelaar uitgebreid is beschreven in haar onderzoek naar Marokkaanse hoogopgeleide migrantendochters die soms moeite hadden hun ‘vrije’ levensstijl te combineren met hun ‘traditionele’ normen en waarden.[6]

Meestal gaan de posities in het zelf zonder grote problemen samen. Er kunnen echter ook conflicten ontstaan. Hierin spelen de macht die een stem heeft en de waarde die eraan wordt toegekend een grote rol. Een voorbeeld uit het onderzoek van Buitelaar: als een vrouw van Marokkaanse afkomst is opgevoed met het idee dat een goede dochter naar haar ouders moet luisteren en haar ouders dringen aan op het dragen van een hoofddoek, kan het gebeuren dat er door de stem van de externe positie ‘mijn vader/moeder’ een conflict ontstaat tussen de interne posities ‘ik als dochter’ en ‘ik als ongesluierde’. Het is in een dergelijk geval de vraag welke positie de meeste waardering krijgt. Is het belangrijker om een goede dochter te zijn dan om ongesluierd te zijn? Het is vooral deze waardering van de stemmen in het zelf die bij de Palestijnse activisten in mijn onderzoek een belangrijke rol speelt.

Noor
Zoals ik in de inleiding aangaf, heb ik tijdens mijn veldwerk in de Palestijnse Gebieden de levensverhalen van zes vrouwelijke Palestijnse activisten in kaart gebracht, om te kijken op welke wijze de verschillende posities in hun leven een rol spelen. Het leven van Noor geeft een helder inzicht in de dialoog die ontstaat door de verschillende stemmen in haar zelf en de gevolgen die dat heeft voor haar activisme. In deze paragraaf deel ik haar verhaal. Ik doe dat door Noor kort te introduceren en de situatie in haar woonplaats te schetsen. In de volgende paragraaf laat ik aan de hand van de drie clusters familie, religie en samenleving de stemmen spreken die haar activisme beïnvloeden.

Noor woont haar hele leven in een klein dorp op de Westbank. Zij is daar opgegroeid in een hecht netwerk van familieleden. Met haar man en vier kinderen in de leeftijd van vijf tot zestien jaar woont ze achter dezelfde voordeur als haar schoonmoeder, haar schoonzus en diens dochter. Elke ochtend maakt ze het ontbijt voor haar kinderen klaar en zwaait ze hen uit als zij op weg gaan naar school. Daarna gaat ze aan het werk voor een organisatie die vrouwen juridisch advies geeft op allerhande terreinen. Ze kookt graag haar favoriete Palestijnse gerecht maqlube, vooral als ze bezoek heeft. Haar avonden brengt ze door met een goede film of kletsend met vriendinnen. Tot zover lijkt haar leven niet zo bijzonder. Maar er is meer aan de hand.

Vanuit haar huis heeft Noor uitzicht op een Israëlische nederzetting die in de jaren ’70 op de grond van haar familieleden is gebouwd. Dorpsbewoners hebben in de staat Israël een proces aangespannen tegen de bouw van deze nederzetting en zijn in hun gelijk gesteld: de nederzetting is illegaal verklaard. Dit heeft aan de situatie echter niets veranderd en bijna veertig jaar later staat de nederzetting er nog steeds. De woningen zijn omgeven door een hek en een security zone van circa een kilometer, die wordt bewaakt door een Israëlische legereenheid. Telkens als er in de nederzetting nieuwe huizen worden bijgebouwd, schuift deze zone een paar honderd meter op. Vier jaar geleden werd op deze manier de laatste waterbron van Noors familie onbereikbaar gemaakt. Toen realiseerden de dorpsinwoners zich dat juridisch getouwtrek niet tot een oplossing zou leiden. Zij wilden het heft in eigen handen nemen. Dit resulteerde in de organisatie van wekelijkse demonstraties, waarbij zowel lokale als internationale deelnemers middels spandoeken en megafoons laten zien en horen het niet eens te zijn met de aanwezigheid van Israëlische settlers op hun grond. Deze protesten worden door de aanwezige Israëlische militairen beantwoord met traangas, skunk water (een waterkanon met een chemische oplossing waardoor het water naar ontlasting ruikt), rubberen kogels en soms scherpe munitie. Hierdoor zijn al diverse demonstranten gewond geraakt en zijn twee deelnemers om het leven gekomen.

Noor is vanaf het begin actief betrokken bij deze demonstraties. Zowel zij als haar man en kinderen lopen mee in de demonstraties en omdat Noors huis het eerste huis aan de dorpsrand is en zij goed Engels spreekt, vangt zij de internationale demonstranten op en leidt zij geïnteresseerden rond. Noor is eenmaal door de Israëlische militairen gearresteerd. Zij heeft toen tien dagen in gevangenschap doorgebracht, waarna ze voorwaardelijk is vrijgelaten. Als zij nog eens opgepakt wordt, hangt haar een lange gevangenisstraf boven het hoofd. Daarnaast brengen de wekelijkse protesten de veiligheid van haar kinderen in gevaar. Het gewelddadige optreden van de militairen maakt geen onderscheid tussen de deelnemers. Kinderen lopen hetzelfde gevaar om geraakt te worden door kogels en traangasgranaten als de volwassenen. Er zijn zelfs situaties geweest waarin traangasgranaten gericht werden op huizen waar kinderen hun heenkomen hadden gezocht. De kinderen moesten daarop via de ramen worden geëvacueerd om verstikking te voorkomen.

Een ander risico dat Noor neemt, is dat haar gedrag door de Palestijnse samenleving niet wordt geaccepteerd. Hoewel er meer meiden dan jongens op de universiteit zitten en steeds meer vrouwen een baan krijgen, is het niet vanzelfsprekend dat een vrouw zich omringd door onbekende mannen op straat begeeft. Deze drie aspecten – haar eigen veiligheid, de veiligheid van haar kinderen en haar reputatie in de samenleving – zijn voor veel Palestijnse vrouwen een argument om zich buiten het verzet tegen de bezetting te houden. Noor weet de stemmen in haar zelf echter zo te orkestreren, dat zij haar activisme kan volhouden. Dat dit geen sinecure is, wordt duidelijk als we kijken naar de dialoog die plaatsvindt tussen de diverse stemmen in haar zelf.

Een orkestratie van stemmen
De posities in Noors zelf van waaruit een dialoog ontstaat met de stem van ‘ik als activist’, zijn onder te verdelen in drie domeinen. In het domein familie zijn alle posities geschaard die te maken hebben met de meest naaste familie van Noor: haar ouders, haar (schoon)broers en zussen, haar man en haar kinderen. Het domein religie behelst de posities die met een islamitische stem spreken. Het betreft hier vooral de posities God, de Koran, imams en religieuze mensen in de omgeving. Tenslotte komen vanuit de samenleving veel posities naar voren in Noors dialogische zelf. Het gaat hier met name om stemmen die te maken hebben met de Palestijnse cultuur en tradities. Al die stemmen en de dialogen en conflicten die deze met zich meebrengen, komen in deze paragraaf aan bod.

In Noors levensverhaal nemen de verschillende posities die een rol spelen binnen het familiedomein een belangrijke plaats in. Zij onderkent hierin ‘ik als moeder’, ‘ik als echtgenote’ en ‘ik als dochter’. Noor kent een sterke waarde toe aan haar moederschap. Een goede moeder is volgens haar sterk, liefhebbend, verzorgend en beschermend. Sommige van deze posities zijn in conflict met Noors positie van ‘ik als activist’. Toen zij tijdens een van de demonstraties gevangen is genomen, kon zij hierdoor niet de verzorging van haar kinderen op zich nemen. Een ander gevolg van haar activisme zijn de huiszoekingen, tijdens welke de positie ‘ik als bang’ niet strookt met het gedrag dat zij als sterke moeder wil hebben. Bovenal brengen haar aanmoedigingen om deel te nemen aan de demonstraties haar kinderen soms direct in gevaar. Kortom, haar activisme is in conflict met datgene wat zij definieert als goed moederschap. Dit conflict komt tevens naar voren in relatie tot haar man. Als echtgenote vindt zij namelijk dat zij een belangrijke rol heeft in het huishouden, een rol die zij niet vervult als ze bezig is met (internationale) bezoekers en zeker niet als zij in gevangenschap verkeert.

Omdat zij zich schuldig voelde dat ze gedurende haar detentie geen goede moeder geweest was, heeft Noor de zeven maanden na haar gevangenschap niet aan de demonstraties deelgenomen. Toch heeft zij daarna haar deelname hervat. Deze beslissing komt voort uit andere stemmen in het familiedomein. Als echtgenote van een activist is het voor Noor van belang dat zij aan de zijde van haar man een bijdrage levert aan het verzet tegen de bezetting. Daarnaast komt Noor uit een familie met een lange geschiedenis in het verzet, en als dochter van een activistische vader is het voor haar belangrijk om met zelfvertrouwen, verzet en hart voor de zaak de bezetting te bestrijden. Ook haar kinderen spelen een rol in deze dialoog. Als sterke moeder voelt Noor de verantwoordelijkheid om haar kinderen een goede toekomst te geven op de Westbank en daarvoor is het beëindigen van de bezetting van groot belang. De spanning die ontstaat tussen de posities ‘ik als echtgenote’, ‘ik als dochter’ en ‘ik als sterk’ die haar activisme ondersteunen en de posities ‘ik als verzorgend’, ‘ik als beschermend’ en ‘ik als bang’ die haar activisme beperken, is in Noors leven continu aanwezig.

Een soortgelijke spanning treedt op in het domein van religie. Noor beschouwt zichzelf als moslim en benoemt Allah als belangrijkste positie in haar zelf. Zij is opgevoed met het idee dat voor Allah alle mensen gelijk zijn, maar dat mannen en vrouwen andere rollen spelen in het leven op aarde. Waar mannen de taak hebben om het geloof actief te beschermen, zijn vrouwen hier meer passief bij betrokken. Als goede moslim zou Noor dus thuis moeten blijven en wachten tot de bezetting voorbij is. In haar levensverhaal komt echter duidelijk naar voren dat zij hiertoe niet in staat is. Om als activist in demonstraties mee te kunnen lopen, legt zij de stemmen uit het religieuze domein niet het zwijgen op. Integendeel, zij spreekt juist andere stemmen uit dit domein aan. Hierbij beroept ze zich op een oproep in de Koran die volgens haar stelt dat het de plicht is voor alle moslims om het heilige land (Palestina) te beschermen. Zodra de dialoog tussen de religieuze stemmen voor en tegen haar activisme de kop op steekt, geeft Noor meer macht aan diegene die haar positie ‘ik als activist’ versterken.

Ook binnen het domein van de samenleving ervaart Noor innerlijke conflicten. Noor staat met haar wortels sterk verankerd in de Palestijnse grond, maar het is diezelfde grond die haar soms doet wankelen. Enerzijds voldoet zij aan de normen die gelden voor vrouwen door op jonge leeftijd te trouwen en kinderen te krijgen. Anderzijds overtreedt zij deze normen door zich elke vrijdag te mengen in het bonte gezelschap van demonstranten. Niet alleen gaat zij daarbij met onbekende mannen om, ook maakt zij haar aanwezigheid extra duidelijk door met een megafoon leuzen te roepen en liederen te zingen. Op deze laatste gedragingen krijgt zij vanuit de samenleving vaak kritiek. Haar Palestijnse identiteit is voor Noor een belangrijke positie en het commentaar dat zij geen goede Palestijnse zou zijn, doet haar veel verdriet. Dit leidt tot een innerlijk conflict waarbij de stemmen vanuit de samenleving de confrontatie aangaan met haar positie van activist. Maar ook in deze strijd geeft de activist zich niet zomaar gewonnen. Noor pareert de veroordelende stemmen door extra belang toe te kennen aan het doel van haar activisme: een vrij land voor de Palestijnse bevolking. Zowel in de dialoog in haar zelf als in de communicatie naar haar critici, verkondigt Noor de boodschap dat elke Palestijn het als haar of zijn taak zou moeten zien om te vechten tegen de bezetting. Hiermee maakt zij dit gevecht tot onderdeel van de Palestijnse identiteit en dus als meest belangrijke stem binnen dit domein.

Conclusie
De Westbank is een van de gebieden op deze wereld waar mensen zich onder risicovolle omstandigheden inzetten voor hun strijd voor vrijheid. De ‘Dialogische Zelf Theorie’ helpt ons inzicht te krijgen in hoe mensen tot dit activisme in staat zijn. Noors levensverhaal laat zien dat er conflicten binnen het zelf van deze vrouwelijke Palestijnse activist ontstaan als gevolg van de dialoog tussen haar positie ‘ik als activist’ en de diverse posities die het gevolg zijn van haar inbedding in familie, religie en samenleving. Telkens wanneer Noor de rol van activist op zich neemt, moet zij een manier vinden om deze conflicten in het voordeel van haar activisme te beslechten. Hierbij schakelt zij de stemmen die restricties opwerpen niet uit, maar kent zij juist meer macht toe aan de stemmen die haar aansporen tot activisme. De sterke moeder die vecht voor de toekomst van haar kinderen, de vrouw en dochter van activisten, de moslim die strijdt voor het behoud van het heilige land en de Palestijn die zich verzet tegen de bezetting; het zijn deze posities aan wie in de dialoog de meeste macht wordt toegekend.

Ook de andere Palestijnse vrouwen met wie ik tijdens mijn veldwerk heb gesproken, hadden te maken met een dialoog tussen de stemmen binnen de domeinen familie, religie en samenleving. Net als voor Noor is het voor hen een continue strijd met zichzelf en hun omgeving om hun verzet tegen de bezetting te kunnen handhaven. In deze dialoog versterken ook zij de posities die hun activisme ondersteunen, terwijl zij minder macht toekennen aan de stemmen die het activisme afwijzen. De droom van een vrij Palestijns land is voor deze vrouwen de dirigent die hen in staat stelt de stemmen in hun zelf zodanig te orkestreren, dat zij hun strijd kunnen voortzetten.

Carla Schouwenaars (1979) is cultureel antropoloog en momenteel als co-eigenaar van onderzoek- en adviesbureau beVRAAG betrokken bij veranderprojecten voor diverse (overheids)organisaties.      

 


[1] Hoewel de activisten in mijn onderzoek allen aangaven dat hun naam in publicaties gebruikt mag worden, is de naam van Noor uit veiligheidsoverwegingen gefingeerd.

[2] T. van Meijl, ‘Anthropological Perspectives on Identity: From Sameness to Difference’, in: M. Wetherel & C. T. Mohanty (ed.), The SAGE handbook of identities (Londen 2009) 37-55.

[3] H.J.M. Hermans, ‘Opposites in a Dialogical Self: Constructs as Characters’, Journal of Constructivist Psychology 9 (1996) 1-26; H.J.M. Hermans, ‘Voicing the Self: From Information Processing to Dialogical Interchange’, Psychological Bulletin 119 (1996) 31-50; H.J.M. Hermans, ‘The Construction of a Personal Position Repertoire: Method and Practice’, Culture & Psychology 7 (2001) 323-365; H.J.M. Hermans, ‘The Dialogical Self: Toward a Theory of Personal and Cultural Positioning’, Culture & Psychology 7 (2001) 243-281; H.J.M. Hermans, Dialoog en misverstand: leven met de toenemende bevolking van onze innerlijke ruimte (Soest 2006).

[4] W. James geciteerd in: H.J.M. Hermans, ‘Voicing the Self’, 32; H.J.M. Hermans, ‘The Dialogical Self’, 244.

[5] M.M. Bakhtin, Problems of Dostoevsky’s Poetics (C. Emerson ed.) (Minneapolis 1984).

[6] M.W. Buitelaar, Van huis uit Marokkaans: over verweven loyaliteiten van hoogopgeleide migrantendochters (Amsterdam 2009).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>