Show me the money!

Erik Jeene

Op 4 november 2008 stond ik in Grant Park, Chicago, te luisteren naar een betoverende Barack Obama, zojuist gekozen tot 44e president van de Verenigde Staten. Op hetzelfde moment begon Mitt Romney, na zijn verloren strijd bij de Republikeinse voorverkiezingen eerder dat jaar, opnieuw aan een lange weg die in 2012 dan wél naar het Witte Huis zou moeten leiden. In de jaren waarin Obama zijn zorgwet door het Congres loodste, met tientallen miljarden dollars de auto-industrie redde en de Irakoorlog tot een einde bracht, was Romney eindeloos aan het lobbyen, steunde Republikeinse kandidaten voor allerlei functies, gaf speeches en bouwde een geoliede campagneorganisatie op. In een lange voorverkiezingscampagne die gekenmerkt werd door wat excentrieke kandidaten (Cain, Bachmann, Gingrich), blunders (Perry), extreem-conservatieven (Santorum) en een enkele gematigde maar kansloze kandidaat (Huntsman)[1] bleef Romney uiteindelijk vrij gemakkelijk overeind, ook al omdat geen enkele andere sterke kandidaat (Huckabee, Palin, Christie) besloot in de race te stappen. En natuurlijk ook omdat Rommey met tientallen miljoenen dollars tegenstanders kon carpet bomben.[2]

Het Amerikaanse (voor)verkiezingsproces is een feest voor elke politieke junkie en er zijn talloze verhalen over te schrijven. Dit stuk zal zich vooral richten op de rol van geld. Ten eerste blijft het Amerikaanse democratische proces uniek in de wereld wat betreft de rol van geld: men schat dat alle verkiezingen bij elkaar (dus ook voor het Congres en lokale verkiezingen) dit jaar meer dan zes miljard dollar gaan kosten.[3] Ten tweede omdat pogingen om de rol van geld in te tomen maar blijven mislukken, en dit jaar weer overduidelijk werd en wordt, wat het betekent wanneer individuen tientallen miljoenen dollars persoonlijk kapitaal investeren in hun favoriete kandidaten. Ten derde omdat ook in Nederland geld een steeds grotere rol lijkt te spelen: zie de poging van de G500 om met 500.000 euro de Nederlandse verkiezingen te beïnvloeden/vergiftigen.[4]

Kiesproces
Zoals bleek in 2000, toen Al Gore meer stemmen kreeg dan George Bush jr., draait het in de V.S. niet om de popular vote, maar om het aantal kiesmannen, waarvan er 538 te verdelen zijn:[5] de dunst bevolkte staten leveren minimaal drie kiesmannen, en het drukst bevolkte Californië 55, volgens het winner takes all principe. Het magische getal is dus 270 kiesmannen. In de praktijk is het grootste gedeelte van de staten niet in play omdat de inwoners een duidelijke voorkeur voor één beider partijen hebben. Dit geldt overigens ook voor het overgrote deel van de zetels in het Congres: bij een ‘aardverschuiving’ na verkiezingen verandert vaak niet eens 15% van de zetels van kleur. Kortom, het gaat dus om de swing states zoals Ohio, Florida, Virginia, Colorado, en Nevada. Kijk dus voornamelijk naar lokale peilingen: daar kijken ze in de hoofdkwartieren in Chicago (Obama) en Boston (Romney) ook naar.[6]

Money, money, money!
Het moge bekend zijn dat geld een belangrijke rol speelt in het Amerikaanse politieke proces, niet alleen op nationaal, maar ook op lokaal niveau. Zo gaven de winnaars in het Huis van Afgevaardigden in 2010 gemiddeld $1,4 miljoen uit, en de winnaars van de Senaatszetels $9,8 miljoen.[7] Aangezien er om de twee jaar verkiezingen voor alle zetels van het Huis zijn, moet het gemiddelde lid per week ruim $10.000 ophalen.

Op federaal niveau zijn er limieten vastgesteld aan schenkingen: zo mag een individu $ 2.500 geven aan een kandidaat, maar ook $30.800 aan een nationaal partijcomité. Politieke Actie Comités (PAC) zijn speciale vehikels die gebruikt worden om kandidaten te steunen of een bepaald doel uit te dragen. Grote bedrijven, maar ook vakbonden en non-profit organisaties hebben zo’n PAC. Een bekende organisatie die miljoenen in het politieke proces pompt is bijvoorbeeld de National Rifle Association. Ook hier zitten limieten aan de bijdragen aan kandidaten.

Pas echt spannend wordt het wanneer gekeken wordt naar PACs die geen kandidaten direct steunen, maar bijvoorbeeld zelf TV-spotjes produceren. Sinds de McCain-Feingold Act[8] uit 2002 mochten bedrijven, vakbonden en non-profit organisaties dit soort zogenaamde issue ads 60 dagen voor een verkiezing niet meer uitzenden. Dit verbod werd door het Hoogerechtshof in de Citizens United-zaak in 2010 geschrapt omdat het in strijd zou zijn met het Eerste Amendement op de grondwet, dat vrije meningsuiting garandeert. Dit zette vervolgens de deur open naar de zogenaamde superPACs: organisaties die ongelimiteerd bijdragen van bedrijven, vakbonden en individuen mogen ontvangen en kunnen gebruiken voor politieke activiteiten, zolang ze hun activiteiten maar niet met de campagneorganisaties van de kandidaten ‘coördineren’. Dit laatste is een volstrekte wassen neus, niet in de laatste plaats omdat vaak voormalige stafmedewerkers van kandidaten de superPACs leiden en ze hetzelfde doel hebben.

De vernietigende rol van de superPACs werd goed duidelijk tijdens de Republikeinse voorverkiezingen. Toen net voor de Iowa caucus Newt Gingrich aan een opmarsje in de peilingen begon, stortte Romneys superPAC Restore our Future een barrage aan negatieve spotjes over Gingrich heen. Het gevolg: de voorsprong van (de woedende) Gingrich verdween weer als sneeuw voor de zon. Een bijkomend voordeel? Romney hield zijn handen redelijk schoon, want het was natuurlijk niet zíjn campagne, maar die van de niet-gelieerde superPAC.  Tegelijkertijd bleek Gingrich’ superPAC de enige reden te zijn dat hij het nog zo lang vol kon houden: met weinig geld en een matige organisatie kreeg hij meer dan $20 miljoen van Sheldon Adelson en zijn familie,[9] een conservatieve, pro-Israëlische casinomagnaat met een geschat vermogen van bijna $25 miljard.[10] En Adelson is zeker niet de enige conservatief die veel geld gaat spenderen: de Koch broers ($25 miljard per persoon) gaan waarschijnlijk honderden miljoenen dollars spenderen aan het verslaan van Obama,[11] via organisaties als Americans for Prosperity en oud-Bushadviseur Karl Roves’ American Crossroads. Het blijft echter altijd wat onduidelijk, omdat er trucs zijn de precieze donoren te verhullen, bijvoorbeeld door via een andere organisatie geld te geven.

En de superPACs van links Amerika? Die zijn veel minder succesvol: rijke, progressieve Amerikanen lijken veel minder bereid massaal geld te pompen in het politieke proces. Bovendien twijfelde Obama aanvankelijk over superPACs: het doel van zijn eigen Priorities USA Action lijkt nu op $100 miljoen te staan.[12]

Wat koop ik daarvoor?
Uiteraard is het interessant te zien of deze superdonoren iets terugkrijgen voor hun geld, maar dat is ondoorzichtig en zeker nu nog onduidelijk: er is nog niemand gekozen. Wat wel nog interessant is om kort aan te stippen, is wat er nu precies met deze honderden miljoenen gebeurt: wat doen de campagnes en outside groups met dit geld? Uiteraard wordt er allereerst veel geld uitgegeven aan televisie- en radiospotjes, maar dat is zeker niet het enige. Micro- of zelfs nanotargeting analyseert unieke plaatjes van vrijwel elke mogelijke stemmer met behulp van creditcardgegevens, kijkcijfers, huizenwaarde, autoverkopen, internetvoorkeuren en talloze andere gegevens.[13] Zo kunnen campagnes precies zien welke nieuwsmedia Republikeinen en Democraten gebruiken, zoals te zien is in figuur 1. Hetzelfde kan gedaan worden voor favoriete restaurants, boeken, films, televisieprogramma’s en andere persoonlijke voorkeuren. Deze kiezers worden vervolgens rechtstreeks en zeer precies benaderd: de tijd van honderdduizenden identieke flyers is echt voorbij. Zo richtte George W. Bush zich in 2004 in Ohio met een specifieke anti-homohuwelijkboodschap op sociaal-conservatieve zwarte Democraten, hopende ze over te halen of ze thuis te houden op verkiezingsdag. Het is niet voor niets dat op Obama’s hoofdkwartier in Chicago statistici fulltime in dienst zijn.[14]

Hiernaast doen campagnes nog veel meer met hun geld: op deuren kloppen (ook hier: specifieke deuren), mensen opbellen, mailings versturen, bijeenkomsten plannen, kiezers registreren en ze letterlijk naar het stembureau brengen op verkiezingsdag. Immers, de opkomst bij Amerikaanse verkiezingen is over het algemeen vrij laag[15] en een paar (tienden van een) procent maakt dan al snel het verschil.

Figuur 1.[16]

Wie betaalt, bepaalt?
Betekent dit nu ook dat degene met het meeste geld automatisch de verkiezingen wint? Op het eerste gezicht lijkt het antwoord “ja” te zijn: sinds 2000 wordt de Huiskandidaat die het meeste geld uitgeeft voor zijn of haar campagne in 93% van de gevallen gekozen; in de Senaat is dit 83%. Er moet echter worden aangetekend dat in veel gevallen een district duidelijk Republikeins of Democratisch is, waardoor er nauwelijks sprake is van een serieuze campagne. Het is gemakkelijker/moeilijker fondsen te werven wanneer je weet dat je gaat winnen/verliezen. Voorts heeft een zittend Congreslid veel logistieke en publicitaire voordelen ten opzichte van zijn of haar tegenstander en is de kans op herverkiezing groot: het is geen uitzondering om tientallen jaren Afgevaardigde of Senator te zijn.

Wat betreft presidentiële verkiezingen: daar is het verhaal onduidelijker. Vanaf 1976 was er sprake van public financing, waarbij presidentiële campagnes onder voorwaarden deels gesponsord werden door de overheid en er een redelijk gelijk speelveld werd gecreëerd. Barack Obama deed daar in 2008 echter niet aan mee (en haalde een recordbedrag op) en dit jaar geldt dit voor beide kandidaten. Bij presidentiële verkiezingen van 1860 tot 1980 won in 72% van de gevallen de presidentskandidaat die het meeste geld uitgaf.[17] Deze cijfers zeggen echter lang niet alles: nu heeft Barack Obama bijvoorbeeld het duidelijke voordeel van de presidentiële bully pulpit: het feit dat alles wat hij doet, nieuws is en aandacht genereert. Ook naamsbekendheid is belangrijk: veel Amerikanen gaan de verkiezingen pas volgen na de zomervakantie en zelfs Mitt Romney zal nu niet bij iedereen bekend zijn. Bedenk dat in een land van meer dan 300 miljoen mensen met een extreme mediadiversiteit, dagelijks slechts enkele miljoenen mensen afstemmen op CNN, FOX, MSNBC, of Jon Stewards The Daily Show.

Kortom: geld gaat een zeer belangrijke rol spelen en de statistieken spreken in het voordeel van de kandidaat die het meeste binnenhaalt, via zijn eigen campagne of via de bevriende superPACs. Maar er zijn nog veel factoren die de race om kunnen gooien. Website en krant Politico zetten enkele zaken op een rijtje, zoals de maandelijkse werkgelegenheids- en groeicijfers, perikelen rondom de kredietwaardigheid van de V.S., de debatten, de speeches van de kandidaten bij de conventies, Romneys keuze voor zijn vice-presidentskandidaat (remember Palin?) of een internationale crisis.[18] En natuurlijk de angst van elke kandidaat: die ene blunder (gaffe) die eindeloos herhaald wordt op televisie.

Conclusie
Zonder fondsenwerving of het plunderen van een privérekening valt er in de Verenigde Staten nauwelijks een verkiezing te winnen. Ook dit jaar zullen er door Barack Obama en Mitt Romney honderden miljoenen dollars gespendeerd worden om die magische grens van 270 kiesmannen te halen. Waar de bijdrage van honderdduizenden of miljoenen individuen nog als demper beschouwd kunnen worden op de macht van het geld (een kandidaat moet immers wel echt draagvlak hebben om dat soort aantallen te halen) is dit niet het geval voor de superPACs: al te vaak wordt door een zeer kleine groep mensen zeer veel geld opgehaald. Een analyse van de geldbedragen leert dat de ‘kleintjes’ 25 tot 100 duizend dollar geven. Juridische trucs zorgen er ook nog voor dat de bijdragen vaak niet openbaar hoeven te worden gemaakt. Zelfs de aan zekerheid grenzende vermoedens over de bijdragen van de Koch broers kunnen niet altijd gemakkelijk worden bevestigd.

De campagnes die in Nederland worden gehouden, kosten enkele miljoenen, ook al mogen in Nederland individuen ongeveer eenzelfde rol spelen als in de V.S. De G500, een an sich te prijzen initiatief om jongeren een stem te geven in de politiek in Nederland, probeert sinds enkele maanden een half miljoen euro op te halen om daarmee reclametijd te kopen en uitspraken van politici te bespreken en weerleggen. Er werd zelfs expliciet verwezen naar de Amerikaanse superPACs. De G500 doet er verstandig aan te kijken naar de werking van de superPACs en zou zichzelf de vraag moeten stellen of het beetje extra invloed het waard is de poorten open te zetten naar ongerede invloed voor weinigen op het democratisch proces dat ons allen aangaat. w

Erik Jeene (1986) is parlementair historicus, econoom en amerikanoloog.

P.S. Enkele aanbevelingen voor de komende maanden:

-          Volg op twitter enkele journalisten: vaak verwijzen ze naar interessante artikelen sites: Elco Bosch van Rosenthal (NOS) twittert ironisch en verwijst veel, evenals Guus Valk (NRC). Erik Mouthaan maakt een uitgebreid wekelijks verkiezingsprogramma  op zijn YouTube kanaal: http://www.youtube.com/rtlny.

-          Politico.com heeft een kleine geschreven oplage in Washington D.C. maar is vooral de beste website voor politiek nieuws: een grote en kundige reactie, met ook aandacht voor de Congresverkiezingen.[19]

-           Kijk voor het totaal gepolariseerde debat en de creatie van “fact free politics” eens FOX en MSNBC. Een makkelijke leesbaar boek hierover is geschreven door Tom-Jan Meeus (NRC): De Grote Amerikashow (2012).

-          Tot slot: vrij veel Nederlandse krantenartikelen zijn gebaseerd op Amerikaanse bronnen, meer dan eens Politico en de New York Times. Lees dan dus gewoon het (uitgebreidere) origineel.


[1] Onthoud deze naam, want er is een grote kans dat hij het in 2016 weer gaat proberen. Jon Huntsman is een voormalig gouverneur van Utah, voormalig ambassadeur in China onder Obama, spreekt vloeiend Chinees, en is een telg uit een steenrijke familie die de Big Mac-doosjes ontwierp.

[2] De term werd geïntroduceerd door Newt Gingrich.

[3] Patricia Zengerle, ‘U.S. vote in 2012 will be record, $6 billion election’, Reuters.com (30 augustus 2011), beschikbaar via: http://www.reuters.com/article/2011/08/30/us-usa-campaign-spending-idUSTRE77T3ZX20110830 (geraadpleegd op 29 juli 2012).

[4] Gelieve na het lezen van dit artikel door te halen wat van toepassing is.

[5] Per staat het aantal Afgevaardigden in het Huis (435) en twee voor de Senaatszetels. Sinds 1961 heeft ook Washington D.C. drie kiesmannen.

[6] Zie voor een actueel overzicht: New York Times, ‘The Electoral Map: Building a Path to Victory’ (z.d.), beschikbaar via: http://elections.nytimes.com/2012/electoral-map (geraadpleegd op 30 juli 2012).

[7] Open Secrets.org, ‘Election Stats (2010)’ (z.d.) beschikbaar via: http://www.opensecrets.org/bigpicture/elec_stats.php?cycle=2010 (geraadpleegd op 27 juli 2012).

[8] Genoemd naar de twee sponsoren in de Senaat: officieel de Bipartisan Campaign Reform Act of 2002.

[9] Het door de familie Adelson gegeven bedrag was meer dan 90% van het totaal dat Winning Our Future ophaalde, zie: Kevin Bohn (CNN), ‘Adelson family gives more to pro-Gingrich super PAC’ (20 april 2012) Beschikbaar via: http://politicalticker.blogs.cnn.com/2012/04/
20/adelson-family-gives-more-to-pro-gingrich-super-pac/
(geraadpleegd op 27 juli 2012).

[10] Geschat vermogen in maart 2012., zie: Forbes, ‘Sheldon Adelson’, beschikbaar via:  http://www.forbes.com/profile/sheldon-adelson/ (geraadpleegd op 27 juli 2012).

[11] Mike Allen en Jim Vandehei, ‘GOP groups plan record $1 billion blitz’, Politico.com (30 mei 2012), beschikbaar via:  http://www.politico.com/news/stories/0512/76849.html (geraadpleegd op 27 juli 2012).

[12] Ibidem.

[13] Wellicht dat de likes op Facebook nu in een ander daglicht komen te staan.

[14] Thomas B. Edsall, ‘Let the Nanotargeting Begin’, New York Times (15 april 2012), beschikbaar via:  http://campaignstops.blogs.nytimes.com/2012/04/15/let-the-nanotargeting-begin/ (geraadpleegd op 27 juli 2012).

[15] De opkomst was in 2008 63%.

[16] Edsall, ‘Let the Nanotargeting Begin’.

[17] Thomas Rueb (NRC Next), ‘next.checkt: “Bij verkiezingen in de VS wint de kandidaat met het meeste geld  95% van de tijd”’ (12 juli 2012) Beschikbaar via: http://www.nrcnext.nl/blog/2012/07/12/next-checkt-%E2%80%98bij-verkiezingen-in-de-vs-wint-de-kandidaat-met-het-meeste-geld-95-procent-van-de-tijd%E2%80%99/ (geraadpleegd op 29 juli 2012).

[18] Maggie Haberman, ‘7 points that could tip the election’, Politico.com (5 juli 2012), beschikbaar via: http://www.politico.com/news/stories/0712/78105.html (geraadpleegd op 29 juli 2012).

[19] Voor een bespreken van deze website, zie: R. Vossen, ‘Washington Wakes Up To Politico’, Volonté Générale n°2 (2012) 49-51, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/
post/24399213632/vg02-2
(geraadpleegd op 13 augustus 2012).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>