Ruimte voor discussie?

Boudewijn Wijnacker

Wie kent dat gevoel niet? De zon schijnt, de kerkklokken luiden en geroezemoes vult de terrassen van de binnenstad. Volgens schrijver Alain de Botton, auteur van het in 2006 uitgebrachte The Architecture of Happiness, kan ruimte het menselijk gevoel zowel positief als negatief beïnvloeden. Dezelfde ruimte die ons op het ene moment een geluksgevoel geeft, kan op een ander moment net zo goed plaats bieden aan een echtelijke ruzie en sombere gedachten. De Botton is ervan overtuigd dat  een mooie ruimte bijdraagt aan ons geluk, wat impliceert dat architectuur identiteit in zich draagt en daardoor invloed uitoefent op het menselijk handelen. De Botton speelt in op een discussie die in de wereld van stadsplanners de gemoederen al geruime tijd bezig houdt. De centrale vraag in deze discussie is in hoeverre architectuur en menselijk handelen elkaar beïnvloeden. Bepaalt menselijke interactie de betekenis van een ruimte, of wordt ons gedrag gestuurd door de ruimte om ons heen?

 De architectuur van ons geluk?
Wie De Bottons bestseller leest, ontkomt niet aan de vraag of een architect een opvoedkundige taak heeft. De Botton claimt immers dat architectuur het menselijk welzijn beïnvloedt en de vraag rijst daarbij of de architect degene is die impliciet het menselijk geluk raakt. De Botton stelt: ‘We lijken heen en weer te worden geslingerd tussen de neiging onze gevoelens te onderdrukken, onszelf ongevoelig te maken voor onze omgeving, en de daaraan tegengestelde drang te accepteren hoezeer en onvermijdelijk onze identiteit verweven is en mee verandert met de plek waar we ons bevinden’. De Botton is van mening dat het welbehagen van de mens zowel positief als negatief sterk beïnvloed kan worden door de architectuur om ons heen.[1] Een troosteloze omgeving leidt doorgaans eerder tot gevoelens van depressiviteit, terwijl een als mooi beschouwde omgeving bijdraagt aan het geluk van het menselijk bestaan: denk bijvoorbeeld aan de vele trouwfoto’s die op aantrekkelijke locaties als landgoederen en kastelen worden genomen.

Volgens De Botton verwijst ‘mooie architectuur’ in de perceptie van de mens indirect naar positief gewaardeerde eigenschappen als vriendelijkheid, fijnzinnigheid, kracht, goedheid en intelligentie.[2] Dit impliceert dat architectuur an sich betekenis heeft en menselijke karaktertrekken in zich draagt. De invloed die architectuur op de mens heeft, is volgens De Botton vergaand – een visie die de auteur op veel kritiek is komen te staan. Zijn er immers niet meer factoren die het humane humeur beïnvloeden en overschat De Botton niet de kracht van de bouwkunst? En is deze bouwkunst niet juist waardevol door toedoen van de mens?

De architect zag dat het goed was
Om de door De Botton aangehaalde discussie te begrijpen, biedt een blik op het verleden uitkomst. Tegen de achtergrond van de woningnood die volgde op de Tweede Wereldoorlog maakte Westers Europa kennis met de opkomende idee van de ‘maakbare samenleving’. Architecten, vaak op de modernistische leest geschoeid, zagen hun kans schoon om al lang aangehaalde misstanden uit vooroorlogs Europa aan te pakken. Ruimte veranderde in een expressie van welvaart, in tegenstelling tot de tot dan toe levende gedachte dat ruimte slechts functioneel was.[3] De Duitse satiricus Kurt Tocholsky stelde in dit kader dat hoe minder bezit mensen hadden, des te voller hun huizen waren.[4] Deze modernistische ideeën kwamen voort uit de gedachte dat de architect voldoende intellectuele bagage bezat om de samenleving te kunnen sturen. Dit impliceert dat ruimte als concept het menselijk handelen een zetje in de goede richting kon geven.

De eerste geluiden voor het moderniseren van de samenleving dateren uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Invloedrijke denkers als Ebenezer Howard (1850-1928) – de geestelijk vader van de  ‘Garden City’ (een combinatie van stad en platteland) –  Franklin Lloyd Wright (1867-1959) – één van de grondleggers van de roep om stedelijke decentralisatie – en de Zwitserse architect Le Corbusier (1887-1965) markeerden een modernistische periode in de geschiedenis van de stedelijke planning.[5] Groene parken in ruimer opgezette steden werden geëvolueerd tot futuristische Optimo Cities. In deze meer modernistische steden werd gebroken met het beeld van krappe negentiende-eeuwse industriële steden waardoor mensen in een ideaal gemodelleerde woonomgeving kwamen te wonen. De komst van betere transportmiddelen zoals de auto maakte de uitvoering van deze plannen mogelijk. Dat deze plannen nooit volledig gerealiseerd zijn, moge duidelijk zijn: de schematische, in theorie perfecte plannen bleken in praktijk allerlei hiaten te vertonen. Had men bijvoorbeeld naar Le Corbusier geluisterd, dan was Parijs nu niets meer dan een plaats met louter bossen en enorme flats. De sloop van veel oude panden, gevels en stadsmuren werd door deze groep modernisten als noodzakelijk en als ideaal gezien. Volgens hen moesten steden zich in gelijke tred met de evolutie van de mensheid ontwikkelen. Oude binnensteden waren volgens de modernisten niet meer bij de tijd. Een ideale bereikbaarheid, goede infrastructuur, hogere bebouwing (de flat werd in deze decennia daadwerkelijk op grote schaal gebouwd) en veel groen werden essentieel geacht voor de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in een stad. Dergelijke ideeën waren ontsproten uit de gedachte dat de door studie en werk wijs geworden architect wist wat goed voor de mensheid was: ruimte als identiteitsvormend element voor een samenleving die dringend aan vernieuwing toe was.

Van de toren naar de straat: de intrede van het postmodernisme
We schrijven de jaren 1960 wanneer de Amerikaanse sociologe Jane Jacobs het toneel der wetenschappers betreedt. Met haar The death and life of great American cities (1961) doet Jacobs een directe aanval op tot dan toe invloedrijke denkers als Le Corbusier en Franklin Lloyd Wright.[6] In tegenstelling tot haar voorgangers, die lering hadden getrokken uit de modernistische school, bezag Jacobs de identiteit van een stad vanaf het niveau van de straat. Terwijl modernistische stadsplanners de stad als ultieme creatie van een gezaghebbende architect zagen, stelde Jacobs dat een stad identiteit zou krijgen door de bevolking zelf, waarin ‘the life between buildings’ kleur gaf aan het wezen van de stad. De visie van Jacobs vond snel navolgers in denkers als William H. Whyte, Oscar Newman, Christopher Alexander en Jan Gehl. Jacobs stelde dat Le Corbusiers ideale stad a mechanical toy was, waarin de vernieuwende zienswijzen van de invloedrijke architect alleen op papier goed zouden functioneren.[7] Volgens Jacobs functioneerde een stad bij de gratie van haar inwoners en de stad was daarbij geenszins afhankelijk van de invloed van een architect. De eerste vormen van Derrida’s deconstructivisme, waarvan het tegengaan van rationalisme en het bestrijden van één singuliere waarheid de kernwaarden vormen, sijpelden door in het werk van Jacobs. Niet langer had een gebouw of ruimte één door de architect gegeven betekenis, maar bleek dezelfde omgeving op uiteenlopende wijzen te interpreteren door de mensen die er gebruik van maakten.

Ruimte veranderde zodoende tot een toneel waarop mensen de hoofdrollen speelden en betekenis gaven aan hun eigen omgeving. In het Sociaal en Cultureel Rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 1974 werd de kritiek op de naoorlogse modernistische stadsplanning verwoord in termen als gelijkvormigheid, monotonie en flatneurose. Het woonerf deed zijn intrede en was een ordeningsprincipe voor de nieuwbouwwijken, maar werd ook in patronen van bestaande buurten ingevoegd. Het voorzag kleine groepjes woningen van een kern, hield de auto, die nu werd gezien als een benzineverslindende en milieuvervuilende rustverstoorder, buiten de leefomgeving en bood kinderen een veilige plek om te spelen.

De woningen in het landschap kregen een structuralistische signatuur: architecten die in de structuralistische stroming ontwierpen, gingen uit van het zogeheten ‘bouwen vanuit de ontmoeting’. Architecten creëerden woningen die zowel mogelijkheden boden voor privacy, maar waarin contact met de buurtbewoners ook een prominente rol kreeg toebedeeld. De ‘forumgedachte’ legde vooral het accent op het afstemmen van de woon- en werkomgeving op de specifieke menselijke behoeften. Hierdoor kreeg de architectuur een maatschappelijk karakter.[8] Hoewel de postmodernis-tische stadsplanners uit de jaren 1970 er prat op gingen dat zij bewonersparticipatie wel hoog in het vaandel hadden staan bij hun ruimtelijke besluitvorming, bleek ook hun werk gefundeerd op een gevoel dat de beleidsmaker wist wat goed was voor de mens. Dat dit interactie door de mens zelf was, doet verder geen afbreuk aan deze constatering.

Het verleden als drager van de toekomst
Met het oog op ruimtelijke betekenisgeving kwamen de ontwikkelingen binnen de wereld der stadsplanners in de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw tot culminatie in de roep om de herontwikkeling van historisch relevant erfgoed. Het verleden werd voor veel architecten niet langer als obstakel voor nieuwe ontwikkelingen gezien, terwijl het historiseren van de leefomgeving niet langer onwenselijk was. De komst van vele door geschiedenis beïnvloede televisieprogramma’s, een stijging van het bezoek aan musea, oude gebouwen, stads- en dorpskernen en de toegenomen aandacht voor archeologisch onderzoek tonen aan dat identiteit gelieerd is aan historische relevant geachte gebouwen.[9] Hoogleraar Joks Janssen van de Wageningen Universiteit wijst op het feit dat Manuel Castells ‘the global space of flows’ – een toenemende fragmentatie van de wereld om ons heen – de menselijke behoefte naar het wijzen naar een herkenbare plek doet toenemen. Hierin functioneert de fysieke omgeving als basis voor een eigen identiteit en gemeenschapsgevoel, als afbakening van een thuis tegenover ‘de Ander’.[10] Impliciet wordt in deze veronderstelling aangenomen dat ‘authentieke’ historische plekken identiteit bezitten welke invloed uitoefent op het doen en laten van de mens. Janssen stelt in dit kader dat burgers steeds gevoeliger worden voor de esthetische kwaliteit van plaatsen en landschappen. Hij wijst hierin met name naar plekken die zich  in historisch of cultureel opzicht van het alledaagse onderscheiden.[11]

Hans Mommaas, hoogleraar vrijetijdswetenschappen aan de Universiteit Tilburg, spreekt in dit kader van erfgoed als ‘ruimtelijke identificatie en onderscheiding te midden van een werkelijkheid waarin eens gevestigde kaders van identificatie en onderscheidingen (zoals die van natie, stand, religie en moderniteit) steeds minder duidelijk zijn geworden.[12] Janssen plaatst deze ontwikkeling in het kader van de ‘opkomst van een postmaterieel wereldbeeld’, waarin ‘mensen steeds meer waarde hechten aan een aantrekkelijke, esthetische en inspirerende omgeving’.[13] Dat invloedrijke denkers als Richard Florida en de Britse citymarketingexpert Charles Landry met hun theorieën inspeelden op de trend van toenemende behoefte aan authenticiteit mag geen toeval heten: meer dan ooit wordt aan gebouwen betekenis toegeschreven.[14] De meest recente hausse aan de ontwikkeling van creatieve hotspots – zoals in Nederland het Westergasterrein in Amsterdam en het voormalige Strijp-S-terrein van Philips nabij de binnenstad van Eindhoven – geeft aan dat de uitstraling en esthetiek van een gebouw aantrekkingskracht heeft voor creatieve en culturele ondernemers. De Atlas voor Gemeenten 2007 illustreert in dit kader dat er een hogere concentratie van kenniswerkers en creatievelingen te vinden is in steden met een ruime voorraad oude huizen: indicatoren die bevestigen dat de authentieke uitstraling van een gebouw – in dit geval een woning – aantrekkingskracht heeft op bepaalde groeperingen.[15] Sociaal-geograaf Gerard Marlet geeft in zijn De aantrekkelijke stad (2009) niet voor niets aan dat de aanwezigheid van historisch relevante gebouwen aantrekkingskracht heeft voor een binnenstad en een motor kan zijn voor toeristische progressie.[16] Janssen stelt in dit kader dat het cultureel erfgoed in een stad medebepalend is voor de historische carrière van steden, waarbij de aanwezige stedenbouwkundige en landschappelijke structuur een invloedrijke morfologische onderlegger vormt voor de ontwikkeling van nieuwe en de herstructurering van bestaande stedelijke gebouwen.[17] Kort gezegd: identiteit zit in deze context ook verborgen in de ‘hardware’ van de stad.

Het gevoel in plaats van de schoonheid: immaterieel erfgoed
In navolging van het toegenomen belang van materieel cultureel erfgoed en met het oog op stedelijke ontwikkelingen, werd ook immaterieel erfgoed – verhalen, zintuiglijke ervaringen, tradities et cetera – steeds belangrijker. Een belangrijk werk met het oog op de discussies over de materialiteit en betekenisgeving van cultureel erfgoed komt van de hand van erfgoeddeskundige Laurajane Smith, die in 2006 met haar boek Uses of Heritage kritiek uitte op de algemeen aangenomen notie dat erfgoed vooral materiële waarde bezit.[18] Smith stelt dat erfgoed vaak als essentialistisch, betekenisvol concept wordt gezien en dat het UNESCO-werelderfgoedprogramma bij uitstek gefocust is op de waarde die een site of gebouw heeft voor een omgeving. Smith claimt: ‘The identity that is created may, depending on those defining the discourse, revolve around a sense of nation, class, gender, ethnicity, family or a range of collective experiences…and some heritage discourses have more power and authority than others do.’[19] Cultuurhistoricus Willem Frijhoff sluit hierbij aan door te stellen dat een erfgoedsite pas betekenis krijgt doordat mensen deze site waardevol achten.[20] Socioloog Robert Rotenberg plaatst dergelijke visies in een postmoderne context, waarin ruimte niet langer als essentialistisch, betekenisvol concept gezien wordt, maar als gevolg van ‘social interaction and intercultural exchange.’[21]

De toegenomen belangstelling voor immaterieel erfgoed – zo is UNESCO begonnen met een lijst samen te stellen over ‘invloedrijke’ mondiale tradities, verhalen, ervaringen et cetera – toont aan dat de discussies over de betekenisgeving van ruimte de gemoederen nog wel even bezig zullen houden. Enerzijds toont onderzoek aan dat een plaats met historisch relevante gebouwen aantrekkingskracht heeft op bepaalde doelgroepen. Anderzijds toont onderzoek ook aan – en Jane Jacobs was daarin één van de voorlopers – dat ruimte betekenis krijgt door de interactie die er zich afspeelt. Laurajane Smith toont aan dat zolang er een hegemonie in het discours van deze ruimte is, één der beider visies doorslaggevend kan zijn. De waarheid zal echter zoals vaker ergens in het midden te vinden zijn: ruimte kan bepaalde aantrekkingskracht bezitten, die mede gevormd wordt door het menselijk contact dat er in plaatsvindt. En zo zijn wij als mensheid zelf, in samenspraak met onze omgeving, verantwoordelijk voor het creëren van dat kleine beetje ‘geluk’.

Boudewijn Wijnacker (1988) is cultuurhistoricus en stadsgeograaf. Thans is hij oprichter en eigenaar van Novio Ruimtelijke Analyses, advies- en onderzoeksbureau in stedelijke ontwikkeling, cultuurhistorie en ruimtelijke ordening.



[1] A. de Botton, De architectuur van het geluk (Amsterdam 2006) 14.

[2] De Botton, De architectuur van het geluk, 189-279.

[3] Eric de Lange, Sober en solide. De wederopbouw van Nederland 1940-1965 (Rotterdam 1995) 124-125.

[4] De Lange, Sober en solide, 127-128.

[5] E. Howard, The garden cities of tomorrow (Gloucester 2009); Franklin Lloyd Wright, ‘Broadacre City: a new community plan. Architectural record 1939’, in: Richard T. LeGates & Frederic Stout, The City Reader, (London en New York 2007) 332-336; Le Corbusier, Towards a new architecture (Thousand Oaks 2008; 1927).

[6] J. Jacobs, The death and life of great American Cities (New York 1961).

[7] Jacobs, The death and life, 31.

[8] W. van den Heuvel, Structuralisme in de Nederlandse architectuur (Rotterdam 1992).

[9] F. Huysmans en J. de Haan, Het bereik van het verleden (Den Haag 2007).

[10] M. Castells, The rise of the network society (Oxford 1997).

[11] J. Janssen, ‘De toekomst van het verleden’, in: Openbaar bestuur 5 (Alphen aan den Rijn 2011) 14-18.

[12] H. Mommaas, ‘City branding: de noodzaak van sociaal-culturele doelen’. In: T. Hauben en M. Vermeulen (red.) City branding: image building and building images (Rotterdam 2002) 33.

[13] J. Janssen, ‘De toekomst van het verleden’ 15.

[14] R. Florida, The rise of the creative class (2002).

[15] Atlas voor Gemeenten & SEO, Cultuur en creativiteit naar waarde geschat (Utrecht en Amsterdam 2007) 62.

[16] G. Marlet, De aantrekkelijke stad (Nijmegen 2009).

[17] J. Janssen, ‘De toekomst van het verleden’ 17.

[18] L. Smith, Uses of heritage (Londen en New York 2006).

[19] Smith, Uses of heritage, 276.

[20] W. Frijhoff, Dynamisch erfgoed (Amsterdam 2007).

[21] R. Rotenberg, ‘Metropolitanism and the transformation of urban space in nineteenth-century colonial metropoles’,  American Anthropologist, 103 (1) (Oxford 2001) 7-15.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>