Onderwijskwaliteit: een zorg van allen

Marieke Oprel

Accreditatie, kwaliteitscultuur, NVAO of peer-panels. Het laten vallen van dit soort termen binnen de muren van de universiteit is als vloeken in de kerk. Hoe vervelend het ook is dat het huidige kabinet demissionair is en dat onduidelijkheid nu het onderwijsbeleid regeert, het zijn juist deze termen die de universiteiten momenteel maagpijn bezorgen. Toch kunt u er van uit gaan dat deze vermeende sacramenten van kwaliteitszorg momenteel hoog op de agenda staan in de bestuurskringen van het hoger onderwijs in Nederland. De reden? In maart 2013 is het tijd voor de accreditatie.

Van (Middeleeuws) Parijs naar kwaliteit van onderwijs
Hoewel het accrediteren en toetsen van (nieuwe) opleidingen in het hoger onderwijs al werd opgenomen in de Wet op het Hoger Onderwijs van 8 oktober 1992, vond de geboorte van het huidige accreditatiestelsel pas enkele jaren later plaats.  Op 19 juni 1999 tekenden 29 Europese ministers van onderwijs een beginselverklaring voor het creëren van een Europese ruimte voor hoger onderwijs. Naar aanleiding van dit zogenaamde Bolognaproces werd op 3 september 2003 de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) middels een verdrag in het leven geroepen door de regeringen van respectievelijk Nederland en Vlaanderen.[1] Nadat in 1998 bij de viering van het 750-jarig bestaan van de Sorbonne – de bekende Parijse universiteit – weemoed naar de mobiliteit van studenten en docenten in de Middeleeuwen was ontstaan, werd een jaar later op een bijeenkomst in Bologna het raamwerk ontworpen voor wat nu de Europese ruimte voor hoger onderwijs heet. Zo werd besloten een stelsel van gemakkelijk herkenbare en vergelijkbare academische graden in te voeren, de mobiliteit onder studenten, docenten en wetenschappelijke onderzoekers te bevorderen en het hoger onderwijs een Europese dimensie te geven. Ook het waarborgen van de kwaliteit van onderwijs via een onafhankelijke kwaliteitscontrole was een van de speerpunten van  het Bolognaproces, dat in verschillende conferenties in de daaropvolgende jaren een vervolg kreeg.

De nieuw opgerichte NVAO kreeg de opdracht om zowel in Nederland als in Vlaanderen de waarborging van de kwaliteit van het hoger onderwijs op onafhankelijke wijze te toetsen. Door verschillende opleidingen aan verschillende instellingen te beoordelen op kwaliteit- en niveauvereisten die waren vastgelegd in het accreditatiekader, zouden de kwaliteit en de positionering van het hoger onderwijs in nationaal en internationaal perspectief bevorderd worden. De eerste cyclus in Nederland werd afgerond in 2009. De resultaten, oftewel de geaccrediteerde en hiermee door de overheid erkende opleidingen, werden vastgelegd in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO).

De Instellingsaudit: lust of last?
Gezien het feit dat het keurmerk zes jaar geldig is, moet voor 2015 de tweede accreditatiecyclus worden afgerond. Dit heeft als gevolg dat 2013 voor vrijwel alle universiteiten in Nederland in het teken van kwaliteitszorg staat. Tussentijdse evaluatie wees echter uit dat enige aanpassingen in het beoordelingssysteem wenselijk waren. Zo vielen onder meer de administratieve lasten (te) zwaar. Sinds 1 januari 2011 is de procedure om een opleiding in het hoger onderwijs te accrediteren dan ook vereenvoudigd, want toen is besloten om een nieuw instrument te introduceren: de zogenaamde Instellingsaudit.[2] Deze audit toetst een instelling als geheel op kwaliteitszorg, met als gevolg dat wanneer zij succesvol is afgesloten, volstaan kan worden met een beperkte beoordeling van opleidingen.

Als we de onderwijsinspectie moeten geloven, zijn de uitgevoerde pilots door de betrokkenen overwegend positief ervaren. Met de zoektermen ‘accreditatie nieuwe stijl’ levert Google u zo het rapport in pdf-formaat. De rapporten, die naar aanleiding van de pilots verschenen, geven aan dat de Instellingsaudit een goed instrument is om het bestuurlijk vermogen van een instelling aangaande haar kwaliteitszorg te onderzoeken. Dit vermogen manifesteert zich onder meer in de visie op de kwaliteit van het onderwijs en het integrale systeem dat kwaliteitszorg moet garanderen.[3] De kern van de introductie van de Instellingsaudit als beoordelingsinstrument is dat niet langer de kwaliteit van afzonderlijke opleidingen, maar juist de kwaliteit van de instelling als geheel ter discussie komt te staan. Idealiter zou een succesvolle rapportage leiden tot vermindering van de last voor docenten, omdat zij zich volledig op de verbetersuggesties zouden kunnen richten, in plaats van op allerlei randvoorwaardelijke facetten die meer op het niveau van de instelling liggen.

Helaas blijkt uit de pilot dat men in de praktijk geen vermindering van de accreditatielast ervaart.[4] Desondanks hebben vrijwel alle universiteiten in Nederland voor deze instellingstoets gekozen. Wanneer de instelling na een succesvolle Instellingsaudit een keurmerk ontvangt, is overheidsfinanciering voor de komende zes jaar gegarandeerd. Nu is het de instellingen niet kwalijk te nemen dat zij vrijwel unaniem deze toets aangevraagd hebben. Ik vraag mij echter wel af hoe men de verschillen tussen de diverse hogescholen en universiteiten in kaart kan brengen. En belangrijker: wat nu precies ‘kwaliteit van onderwijs’ is. Uit de evaluatie blijkt dat dit soort vragen eerder gesteld zijn. Zo wordt  expliciet geformuleerd hoe moeilijk een vergelijking is:  ‘Omdat de rapporten verschillen in mate van abstractheid, specifieke indeling, maar ook keuze van audittrials, is het lastig de kwaliteitszorg te vergelijken.’[5] Daarnaast zijn ‘ook de opleidingen onderling moeilijk te vergelijken, aangezien de beoordelingen nog te weinig specifiek en te vlak zijn.’[6]

Desalniettemin waren de reacties, op deze ‘kanttekeningen’ na, overwegend positief en bleek er bij de deelnemende instellingen draagvlak te bestaan voor de nieuwe aanpak. Het gevolg: in 2013 zullen de verschillende universiteiten op basis van de Instellingsaudit in combinatie met een (beperkte) opleidingsbeoordeling geaccrediteerd worden.

Investeren in kwaliteit
Aandacht voor de kwaliteit van het (hoger) onderwijs is sinds het rapport Differentiëren in drievoud dat de commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel in april 2010 publiceerde, een hot topic.[7] In opdracht van de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ronald Plasterk, onderzocht deze commissie onder leiding van Cees Veerman het hoger onderwijs in zijn huidige vorm. Een van de belangrijkste aandachtspunten was de vraag hoe de Nederlandse situatie zich tot die in andere landen verhoudt. Treurig genoeg luidde hun conclusie dat het Nederlands hoger onderwijs niet toekomstbestendig zou zijn. Talloze aanbevelingen volgden in het rapport met als voornaamste advies: ‘Geef een krachtige impuls aan de kwaliteit en diversiteit van het Nederlandse hoger onderwijs.’[8]

Het rapport van Veerman genereerde veel media-aandacht, hoewel het veelal aandachtspunten bevatte die tien jaar eerder in Bologna al ter tafel waren gekomen: differentiëren, profileren, een kennismaatschappij, een versterkte regiefunctie voor de overheid. Kortom, het verschilt nauwelijks van de in het Bolognaproces geformuleerde basisprincipes. Eén aanbeveling verdient in het kader van de naderende accreditaties echter de aandacht: ‘Investeren in kwalificaties van het personeel’. Na verschillende uitwijdingen over selectie en profielvorming, stelt pas aanbeveling nummer tien dat de kwaliteit van onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de docent en de waardering die er voor hem is.[9] De commissie constateert dat het opleidingsniveau en de scholing van docenten gezien moeten worden als renderende investering in het hoger onderwijs, daar beter onderwijs enkel tot stand kan komen via goed opgeleide, betrokken docenten.

Ook de onderwijsinspectie stipt dit punt aan in het evaluatierapport. Men constateert dat een echte kwaliteitscultuur ontstaat wanneer instellingen ook andere middelen dan het kwaliteitssysteem te baat nemen om de kwaliteit te onderhouden en te verbeteren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn door het versterken van de examencommissies en het opleiden en certificeren van docenten.

Docenten doorslaggevend
Dit lijkt mij het intrappen van een open deur. Daar traditiegetrouw de docent verantwoordelijk wordt gehouden voor kennisoverdracht en vorming – het basisidee achter onderwijs – is het logisch dat kwaliteit van onderwijs afhankelijk is van de docent in kwestie. Het zijn niet de procedures, regelingen, sectoren, studentvoorzieningen, technische snufjes, noch het profiel van de opleiding, de selectie of de hoeveelheid studenten die de kwaliteit van het onderwijs bepalen. Hoe noodzakelijk, functioneel en invloedrijk deze ook mogen zijn, doorslaggevend zijn de docenten.

Gezien het feit dat de weemoed naar de middeleeuwse mobiliteit bij de viering van het 750-jarig bestaan van de Sorbonne de aanleiding was tot de creatie van een zogenaamde Europese ruimte voor hoger onderwijs in 2010, kan wellicht nog een ander aspect van de universiteitsgeschiedenis als aanbeveling gelden. Al in de late Middeleeuwen was duidelijk dat een (goede) docent hét verschil maakte. Het ontstaan van universiteiten bracht een zekere mate van eenheid in het Europese onderwijs, onder meer door het uniformeren van het aanbod. Dit had tot gevolg dat docenten op hetzelfde vakgebied zich van elkaar konden onderscheiden. Studenten waren vrij om colleges te volgen bij docenten aan een andere universiteit, bijvoorbeeld wanneer deze hen iets bijzonders te bieden hadden of als zij beter aangeschreven stonden. Docenten werden hierdoor al snel een visitekaartje van een universiteit, denk aan humanist Justus Lipsius in Leiden. Soms strekte de kracht van deze roem zo ver dat studenten in het spoor van hun docent heel Europa doorreisden.

In een tijd waarin profilering als codewoord voor succesvol onderwijs geldt, zou men zich moeten richten op de eigen kracht, de eigen ervaringen, de eigen succesverhalen; kortom, de eigen docenten. Los van de discussie over welke (bekende) wetenschappers voortgebracht zijn of welke velden van expertise uniek en onderscheidend zijn, is de vraag welke docenten geliefd zijn bij studenten en welke docenten hun studenten met hun onderwijs stimuleren van groot belang.

De crux  zit in de wisselwerking tussen docenten en studenten. Idealiter worden docenten goed geschoold, waarna zij hun studenten enthousiasmeren, motiveren en stimuleren om hen voorbij te streven. Leonardo da Vinci schijnt ooit gezegd te hebben dat je een slechte leerling bent als je niet probeert je meester te overtreffen. Ik zou het anders willen formuleren: is het niet het grootste goed voor een docent wanneer een student jou tracht te overtreffen? Is dat niet vergelijkbaar met de trots wanneer er voor het eerst zonder wieltjes gefietst wordt?

Investeringen op de inhoud betalen zich op de lange termijn terug. Het opleiden van goede docenten is een waarborg voor kwaliteitscontinuïteit, want zij zijn de leermeesters van een nieuwe generatie.

Een goede boom brengt goede vruchten voort
Het probleem is dat die lange termijn het onderwijs vaak niet meer gegund wordt. Om de haverklap worden hervormingen, bezuinigingen of in het beste geval aanpassingen doorgevoerd, op grote maar vooral ook kleine schaal. Kwaliteit kan echter enkel ontstaan wanneer er tijd is om te groeien, aan te passen, te verbeteren en te ontwikkelen. Natuurlijk, ook een appelboom moet gesnoeid worden om te kunnen groeien en bloeien, maar elke fruitteler zal bij voorbaat waarschuwen dat de timing van het grootste belang is, wil men de boom niet te gronde richten. Hetzelfde geldt voor docenten, vakken, opleidingen en instellingen – er moet ruimte zijn voor ontwikkeling, rijping, vallen en opstaan en er moet gesnoeid worden om zo weer te kunnen groeien en bloeien, om uiteindelijk de hoogste kwaliteit vruchten te kunnen leveren.

Kwaliteit valt echter pas achteraf te bepalen. Naar analogie van de fruitteler is enkel bij de oogst de opbrengst en kwaliteit van de appels vast te stellen. In essentie geldt dit ook voor de kwaliteit van het onderwijs, omdat de kwaliteit pas na enkele jaren getoest kan worden aan de ontwikkeling van de voortgebrachte generatie studenten. Het toetsen van de kwaliteit van onderwijs wordt dus gebaseerd op succes uit het verleden, al heeft dat geen voorspellende waarde. Bij een fruitteler kan echter de zorg voor de appelbomen wel op elk moment worden waargenomen door de staat van de boomgaard te inspecteren. Dit geldt ook voor het onderwijs. Kwaliteitszorg is wel te toetsen en dat is dan ook het centrale uitgangspunt van de Instellingsaudit. Men onderzoekt niet het uiteindelijke product – de afgestudeerde studenten –, maar analyseert de organisatie van de instelling, de manier van toetsen en communiceren, en de faciliteiten.

Geen systematiek, maar dynamiek!
Natuurlijk is het positief dat dankzij de Instellingsaudit een instelling tot kritische (zelf-)reflectie gedwongen wordt. Maar is het niet enigszins dubieus dat het systeem van kwaliteitsverbetering ons niets vertelt over het (aanvangs)niveau van onderwijskwaliteit? En, is het niet nog kwalijker dat de systematische meetmethode geen recht doet aan de wijze waarop kennisoverdracht in de dagelijkse praktijk eigenlijk tot stand komt? Kwaliteit moet worden opgevat als een dynamisch concept dat niet enkel via systematische en procedurele kwaliteitscontroles op waarde geschat kan worden. De kwaliteit van onderwijs is een breed begrip, dat een wijdvertakt samenspel tussen docent en student, collegestof en onderzoek, bestuur en beleid omvat. Enkel wanneer de organisatie, toetsing, communicatie en faciliteiten in het onderwijs in dienst staan van deze wisselwerkingen, en deze niet als op zichzelf staande entiteiten opereren, kan een universiteit van kwaliteitszorg spreken.

Aangezien komend jaar vrijwel alle universiteiten in Nederland op kwaliteitszorg getoetst zullen worden, is het de hoogste tijd om de discussie over kwaliteit en kwaliteitszorg eens op brede schaal te voeren. Niet alleen panels en kwaliteitsmedewerkers, maar ook docenten, studenten en andere betrokkenen dienen te praten over kwaliteit van onderwijs en vooral over hun eigen rol hierin. Zoals een fruitteler permanent zorg besteedt aan zijn boomgaard, dient ook de universiteit iedere dag zorg te besteden aan haar onderwijs. Enkel op die manier kan op lange termijn kwaliteit gewaarborgd worden en kan ieder jaar een rijke oogst aan hoogopgeleide studenten tegemoet worden gezien.

Marieke Oprel (1990) volgt de Researchmaster Geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Sinds september 2011 is zij studentlid van het Faculteitsbestuur van de Faculteit der Letteren.


[1] Voor meer informatie zie de website van de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie   (http://www.nvao.net) en de website van de European Higher Education Area (http://www.ehea.info/) (geraadpleegd op 5 mei 2012).

[2] Rapport Inspectie van het onderwijs, Accreditatie nieuwe stijl. Evaluatie van een nieuw accreditatiestelsel in Nederland en Vlaanderen (2009) beschikbaar via: http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/Actueel_publicaties/2009/Accreditatie+nieuwe+stijl+-+printversie.pdf (geraadpleegd op 16 mei 2012).

[3] Accreditatie nieuwe stijl, 7.

[4] Ibidem, 53.

[5] Accreditatie nieuwe stijl, 6.

[6] Ibidem.

[7] De volledige titel luidde: Differentiëren in drievoud. Omwille van kwaliteit en verscheidenheid in het hoger onderwijs (2010), beschikbaar via: http://www.nvao.net/page/downloads/
Rapport_Differenti__ren_in_drievoud_commissie-Veerman.pdf
(geraadpleegd op 16 mei 2012).

[8] Differentiëren in drievoud, 8.

[9] Ibidem, 9.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>