Onderwijs als een vreedzaam wapen – onderwijssamenwerking tussen de EU en Rusland

Sophie van Dam, Kirsten van Iersel, Philipp Jakubeit, Akemi Jeuken en Max Laven

Gedurende de afgelopen twee decennia is de relatie tussen de Europese Unie (EU) en Rusland voortdurend veranderd. Momenteel bevindt deze relatie zich in een fase die (officieel) omschreven wordt als een ‘strategisch partnerschap’ (strategic partnership). Barysch[i] en Bond[ii] hebben beschreven dat de relatie tussen Rusland en de EU over het algemeen verre van optimaal is. Sterker nog, de betrekkingen tussen de EU en Rusland zijn recentelijk verslechterd, vanwege de crisis in Oekraïne. Dit heeft ontegenzeggelijk gevolgen voor de onderwijsprogramma’s die de EU en Rusland gezamenlijk willen opzetten. In dit artikel wordt betoogd dat juist het (academisch) onderwijs en onderzoek gebieden zijn waarop toenadering tussen beide machtsblokken mogelijk en zelfs wenselijk is.

Veranderende verhoudingen
In 1991 werd Rusland internationaal geaccepteerd als de opvolger van de USSR en werden er, met wisselend succes, democratiseringsprocessen gestart. In het eerste decennium na de ineenstorting van de Sovjetunie zocht Rusland nog sterk toenadering tot de EU en haar democratisch model. Deze houding veranderde rond de eeuwwisseling. Rusland werd een grotere mogendheid en beschouwde de inmenging van de EU steeds vaker als patriarchaal.

Het basisdocument van de huidige samenwerking is de ‘Partnership and Cooperation Agreement’ (PCA). Voor Rusland betekent dit dat er naast een aantal bilaterale relaties met EU-lidstaten ook samengewerkt wordt met de EU als geheel. In 2003 zette de EU de European Neighbourhood Policy op. Omdat Rusland hier geen deel van uit wenste te maken, is het een strategische partner geworden. Het huidige partnerschap tussen de EU en Rusland omvat vier Common Spaces: economie; vrijheid, veiligheid en recht;  externe veiligheid; en onderzoek, educatie en cultuur. Van de laatstgenoemde zijn onderzoek en educatie twee van de steunpijlers van het partnerschap. Hoewel de EU deze twee pijlers officieel als succesvol beschouwt, zijn  er wel degelijk prominente problemen.

Ten eerste hebben Rusland en de EU verschillende doelstellingen wat betreft

(hoger) onderwijs en onderzoek. De EU verwacht van haar partners dat ze stabiel en betrouwbaar zijn en ze streven naar een gemeenschappelijke basis en samenwerking. Rusland daarentegen ziet de EU vooral als obstakel en heeft als belangrijkste prioriteit het in stand houden van haar eigen status als grote mogendheid. Hoewel educatie voor Rusland een binnenlandse aangelegenheid is (bijvoorbeeld de meeste masterprogramma’s zijn alleen in het Russisch), vroeg president Poetin in 2012 aan de Russische universiteiten om zich in te zetten voor een plek in de TOP-100 van de QS World Rankings, omdat tot nu toe niet één Russische universiteit op deze lijst vertegenwoordigd is. Om deze doelstelling te bereiken heeft Rusland de EU hard nodig.

Gelijkwaardig partnerschap heeft ook economische consequenties. Voor educatie betekent dit dat ieder land dat aan internationale uitwisseling deelneemt evenveel moet betalen en de vraag is of Rusland dit wel wil. Rusland heeft een groot gebrek aan gespecialiseerde krachten en zou daarom kunnen profiteren van internationale uitwisselingsprogramma’s.

Economische belangen van het strategisch partnerschap tussen de EU en Rusland zijn vanzelfsprekend op allerlei beleidsterreinen. Wederzijds vertrouwen ontbreekt momenteel echter. In de laatste jaren konden de EU en Rusland alleen in zogenoemde low-key kwesties, zoals onderwijs, overeenstemming bereiken.

Onderwijs als samenwerkingsmogelijkheid
Hoewel men uit alle recente spanningen en problemen zou kunnen afleiden dat Rusland en de EU weinig gezamenlijk kunnen doen, zijn low-key onderwerpen juist een goed uitgangspunt gebleken om wel samen te werken. Zowel de EU als Rusland ervaren op het gebied van onderwijs concurrentie uit andere delen van de wereld, met name vanuit de Verenigde Staten en China.. Dit maakt samenwerking voor zowel de EU als Rusland interessant. Zij zouden bijvoorbeeld een eigen rangorde van universiteiten kunnen oprichten als alternatief voor de Shanghai index, waar op dit moment vooral China, Groot-Brittannië en de VS in vertegenwoordigd zijn.

Erasmus+ is het meest recente onderwijsprogramma van de EU, gericht op het bij elkaar brengen van alle uitwisselingsprogramma’s met de verschillende partnerlanden. Echter, de EU heeft problemen bij het invoeren van Erasmus+ in Rusland. Het eerste probleem dat ook bij oude programma’s al bestond, is dat beide partners even veel zouden moeten betalen voor de uitwisseling. Het tweede probleem is de motivatie van deelnemers, en dan met name het informeren van studenten over de mogelijkheden van internationale mobiliteit. Veel universiteiten en studenten zijn niet bekend met de opties die er zijn, en bovendien zijn de aantallen Europese studenten die ervoor kiezen naar Rusland te gaan nog altijd lager dan andersom.

Een derde probleem, dat op het politieke vlak een rol speelt, is dat de EU zichzelf als post-soeverein instituut opstelt, terwijl Rusland een traditionele soevereine positie inneemt.

Rusland en de EU zijn het echter eens over de inhoud en de structuur van Erasmus+. Dit leidt tot de aanname dat zij beiden  gezamenlijke doelen op lange termijn hebben, maar dat hun doelen voornamelijk op korte termijn verschillen.

Gezamenlijke doelstellingen in onderwijs
Juist deze gemeenschappelijke doelen vormen de kern van het zogenaamde Bologna-proces. Het idee van dit proces en tevens van Erasmus+ is het creëren van een gemeenschappelijk onderwijs- en onderzoekssysteem van de EU en haar buurlanden. Ieder land mag zich bij het Bologna-proces aansluiten wanneer het de declaratie ondertekent.

Momenteel wordt in Rusland de Bolognadeclaratie in drie stappen geïmplementeerd: ten eerste wordt het Bachelor-Master systeem geïntroduceerd in het hoger onderwijs. Ten tweede heeft de implementatie van het ECTS systeem een centrale rol. De derde stap is dat gemeenschappelijke certificaten en diploma’s worden geïntroduceerd. Deze stappen zijn bijna afgerond, maar mobiliteit blijft een probleem.

In Rusland zijn er drie verschillende soorten universiteiten: Staatsuniversiteiten (betaald door Moskou), nationale onderzoeks-universiteiten, en reguliere universiteiten. De eerste twee soorten krijgen voldoende financiering, maar reguliere universiteiten niet. Dit leidt tot een situatie waarin het niet overal mogelijk is om voldoende internationaal onderwijs aan te bieden. Het Erasmus+ programma heeft als doel om deze universiteiten helpen zich op dit gebied verder te ontwikkelen. Verder zou in Rusland de distributie van informatie met betrekking tot uitwisselingsprogramma’s kunnen worden uitgebreid, om te bereiken dat zowel studenten als onderzoekers zich meer bewust worden van de mogelijkheden. Hierbij kan benadrukt worden dat uitwisselingsprogramma’s gunstig zijn voor partneruniversiteiten, onder meer vanwege een verbetering van de positie op internationale ranglijsten en als aanvullend bron van financiering. Met andere woorden; de prioriteit zou moeten liggen op de reguliere universiteiten, en niet op staatsuniversiteiten.

In ons onderzoek hebben we de effectiviteit van drie beleidsmatige toekomstscenario’s (status quo, minder samenwerking en meer samenwerking)  beoordeeld op basis van drie criteria: economische effecten, academische effecten en effecten op het gebied van ‘human resource skills’. Onderwijs wordt niet alleen vaak in verband gebracht met economische ontwikkeling, maar het zou daarbij ook de kwaliteit van arbeidspotentieel en het algemene academische klimaat verbeteren.

Behouden van de status quo
Hoewel het behouden van de status quo in de huidige gespannen politieke situatie de meest realistische en waarschijnlijkste optie lijkt, zal het op lange termijn niet effectief zijn. In het huidige Europese beleid wordt Rusland officieel als ‘gelijkwaardige partner’ beschouwd, maar in het Erasmus+ programma is van een gelijkwaardige samenwerking allerminst sprake. Zowel de EU als Rusland zouden daarom baat hebben bij een beleid waarin de verantwoordelijkheden daadwerkelijk eerlijk verdeeld zijn. Dat zou wel betekenen dat het huidige onderwijsprogramma op de schop moet.

Minder samenwerking
De EU zou er ook voor kunnen kiezen om de samenwerking te verminderen, door op de financiering en promotie van de huidige projecten te bezuinigen of hier zelfs in het geheel mee te stoppen. Op de korte termijn kan de EU hiermee vanzelfsprekend kosten besparen, maar uiteindelijk zal het vooral nadelige effecten hebben. Voor studenten en academische staf, in zowel Rusland als Europa, beperkt het de keuzevrijheid en de mogelijkheid om hun kennis en vaardigheden te verbeteren, wat tot verschraling van het onderwijs leidt. Bovendien zijn uitwisselingsprogramma’s een relatief non-controversiële, maar effectieve manier om de reputatie en de internationale positie van Europa te verbeteren.

Meer samenwerking
Dit brengt ons bij het derde scenario; meer academische samenwerking met Rusland. De EU zou de uitwisselingsprogramma’s kunnen uitbreiden en verdiepen, zodat niet alleen de academische mobiliteit, maar ook de integratie van de beide onderwijssystemen wordt bevorderd. Dit vergt van beide partners meer inzet en financiering, maar heeft op langere termijn positieve economische, academische en politieke effecten. Juist in deze onvoorspelbare tijden is het belangrijk dat Rusland en de EU ideeën blijven uitwisselen in plaats van tegenover elkaar te zetten. Hoger onderwijs is hiervoor het meest toegankelijke, maar ook meest fundamentele domein.

Conclusies
Hoewel de spanningen tussen de EU en Rusland de afgelopen periode enorm zijn opgelopen, stellen wij dat samenwerking op het gebied van hoger onderwijs mogelijk en zelfs wenselijk is. Om dit te bewerkstelligen moeten zowel de EU en Rusland wel enkele stappen zetten:

De EU zou internationaal educatiebeleid moeten koesteren vanwege het relatief gedepolitiseerde karakter en indirecte voordelen op andere beleidsterreinen zoals de politieke en economische beleidssfeer.

De EU moet bovendien haar houding ten opzichte van Rusland aanpassen. In plaats van een paternalistische houding is een meer pragmatische en gelijkwaardige relatie gepast.

Daar vloeit tevens uit voort dat de EU minder gericht moet zijn op het direct overbrengen van culturele waarden van de EU aan Rusland, maar meer op gericht zou moeten zijn op dialoog en de uitwisseling van ideeën.

De onderhandelingen over visa D en verblijfsvergunningen moeten door de EU en Rusland heropenend worden, om het voor deelnemers aan uitwisselingsprogramma’s makkelijker te maken om hun internationale carrière te vervolgen.[iii]

Sophie van Dam (1992), Kirsten van Iersel (1992), Philipp Jakubeit (1985), Akemi Jeuken (1986) en Max Laven (1989)  waren afgelopen studiejaar lid van de interdisciplinaire en internationale denktank European Politics, die deel uitmaakt van het Honours Programma Reflections on Science.


[i] K. Barysch, The EU and Russia: strategic partners or squabbling neighbours? (Londen 2004). Beschikbaar via  http://www.cer.org.uk/sites/default/files/publications/attachments/pdf/2011/p564_russia_strat_squabb-940.pdf (geraadpleegd op 30 november 2014).

[ii] I. Bond, ‘The EU and Russia: Uncommon spaces’ (2014), beschikbaar via http://www.cer.org.uk/sites/default/files/publications/attachments/pdf/2014/pbrief_eu_russia_april14-8719.pdf (geraadpleegd op 30 november 2014).

[iii] Visa D is een verblijfsvergunning die van toepassing is als langer dan 90 maar korter dan 180 dagen verbleven zal worden als toerist, student, op een zakelijke reis, om vrienden en/of familie te bezoeken of bij tijdelijk dienstverband.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>